HET KOEKOEKSJONG ZAL NOOIT ZWIJGEN

De Texaanse neo-prof Lance Armstrong, renner van de Amerikaanse Motorola-ploeg, 21 jaar oud, geldt als één van de grootste beloften van het peloton. Maar hij kan maar niet wennen aan de starre regels van de wielersport. Toch zal dat moeten als hij "boss' wil worden, niet alleen winnaar van een etappe zoals gisteren. De worsteling van een non-conformist.

In het peloton is hij een outsider, een buitenstaander. Zeker, zegt hij bijna gretig. Hij snuift erbij als een jonge hengst.

Als Amerikaan is hij opgegroeid met basketball en baseball. Als highschool-jongen wist hij niet eens dat fietsen sport was. Van Fausto Coppi, Jacques Anquetil en Eddy Merckx had hij nooit gehoord.

Hij is per ongeluk in de wielrennerij terecht gekomen. Liever was hij American football-speler geworden, maar hij had te weinig balgevoel. Hij beschikte wel over een grote vechtlust en een uitzonderlijk uithoudingsvermogen. Dus raakte hij in de triathlon verzeild.

Op zijn vijftiende was hij al professional. Als achttienjarige had hij al twee Amerikaanse titels op zijn naam staan. Maar hij raakte zijn sponsor kwijt en het bestaan als triatleet was hem toch te onzeker. Uit nood accepteerde hij een aanbod van de goed betalende amateurploeg van Subaru onder leiding van de Poolse wielerfanaat Eddy Borysewicz.

Borysewicz leerde hem de beginselen van het vak. Bij Borysewicz toonde hij ook voor het eerst zijn buitengewone wielerkwaliteiten, zo overtuigend dat Jim Ochowicz, manager van de Motorola-ploeg hem al tweeënhalf jaar geleden een voorcontract aanbod voor dit seizoen. Eerst wilde Armstrong als amateur nog aan de Olympische Spelen van Barcelona meedoen, waar hij zwaar gedesillusioneerd vandaan kwam met een veertiende plaats.

Hij kan nu dus wielrennen, ook al beseft hij heel goed dat hij nog veel te leren heeft. Zijn ploegleider Hennie Kuiper noemt hem “een ongeslepen diamant”. Maar daarmee is hij nog niet automatisch geaccepteerd door het peloton. Hij blijft een vreemde vogel: een koekoeksjong. Niet alleen omdat hij Amerikaan is en beginneling, maar vooral omdat hij niet is geworteld in de tradities, in de historie van de sport. En erger: omdat hij zich in zijn eerste jaar als prof, notabene als groentje, heftig tegen die oude, beproefde orde heeft verzet.

Hij was pas drie weken prof toen hij al ten strijde trok tegen het onrecht in de wielersport. Hij zei dat hij “geflikt” was in het Kampioenschap van Zürich, dat de Rus Viatcheslav Ekimov en de Belg Jan Nevens tegen hem hadden samengespannen, en dat hem alleen daardoor de zege was ontgaan. Dat was ook zo, maar dat had hij niet publiekelijk mogen zeggen. Beginnelingen moeten hun plaats weten, en die is niet op het ereschavot. Beginnelingen moeten ook zwijgen over congsi's en kuiperijen in het peloton. Ze moeten niet tornen aan tradities die ouder en sterker zijn dan zij.

Maar in het voorseizoen deed hij het weer. Hij maakte zich kwaad als een koersdirecteur hem maande om iets rustiger te rijden. Dat druiste in tegen zijn natuur van vechter. Wat was dat voor een sport waarin de strijd beteugeld werd? En hij werd razend als bij een ontsnapping zijn mede-vluchters niet wilden rijden. “Schijterds”, vond hij ze. “Saai”, noemde hij de traditionele manier van koersen. Veel te voorzichtig. Veel te tam.

Hij preekte in de lente nog de revolutie. Nooit, nee nooit zou hij zich conformeren aan dat rigide, feodale wielersysteem. Maar sindsdien is er veel veranderd. “Sindsdien heb ik veel geleerd”, zegt hij met een grijns. “De sport is oud, taktieken zijn beproefd, en dat kun je niet allemaal zomaar omver werpen. Je kunt beter proberen de tradities te doorgronden en er dan je voordeel mee doen.”

“Als ik over de zeik raak omdat de renners van WordPerfect in een ontsnapping niet willen werken, zullen ze daardoor geen meter harder rijden. Ik moet proberen hun gebruik van de taktiek te respecteren. Ook als dat mij zwaar valt. Ik kan mijn woede beter bewaren voor de zware etappes. Als ik dan baal van de kerels die met me meerijden, van de manier waarop ze rijden, dan zal ik ze één voor één afschudden. Een slimmere vorm van opstandigheid.”

Nee, hij zal zich nooit het zwijgen laten opleggen, hij zal zich nooit volledig voegen. Maar hij wenst ook geen Don Quichot te zijn. Voorlopig wil hij de wetten van de wielersport proberen te eerbiedigen. Met zijn verzet gaat hij wel ondergronds.

“Anders haal je nooit de top”, beseft hij. “Een outsider kan nooit de top bereiken. De gevestigde machten staan dat niet toe. Je moet zorgen dat je geaccepteerd wordt als je de top wilt bereiken. Je moet je toch inpassen. Lastig. Vooral met oudere renners heb ik nog heel vaak onenigheid.”

Niet zo vreemd, vindt Armstrong. “Zij hebben al een deel van de koek veroverd. En als er jonge renners omhoog komen, wordt hun deel alleen maar kleiner. Dus maken ze je het leven moeilijk. Zo makkelijk geven ze hun deel van de koek niet prijs.”

Uiteindelijk wil hij “the boss” worden, de "patron' van het peleton. Grote woorden voor zo'n jonge prof. “Maar ik weet ook dat ik mijn woorden op de fiets moet waarmaken” zegt hij vastberaden. “Wie veel praat en slecht fietst, heeft een groot probleem.”

Zijn Tour-debuut beschouwt hij in de eerste plaats als leer-ervaring. De cols die liggen te wachten op de renners, heeft hij nog nog nooit gezien. En waarschijnlijk zal hij ze ook dit jaar niet allemaal onder ogen krijgen. In de bergetappes controleert de ploegarts dagelijks of hij niet te veel van zijn krachten heeft gegeven. Anders moet hij stoppen, heeft Hennie Kuiper bij voorbaat verordend. Een toekomstige "boss' mag niet over de kling worden gejaagd.

Maar het zou hem toch wel heel erg teleurstellen als hij in de bergen niet met de besten mee kan, zegt hij uitdagend. Ook zou hij zijn ploeg nog graag aan een etappe-overwinning helpen. Intussen geniet hij met volle teugen van “de hysterie, de hype, de intensiteit” van de Ronde. Van de tienduizenden mensen die elke dag weer langs het parkoers staan en “die zoveel energie genereren” dat hij zich “elke dag weer sterker voelt”.