Deltaplan voor migranten

EEN VLAMMEND BEROEP van minister d'Ancona (WVC) op de televisie heeft alsnog een substantieel aantal nieuwe plaatsen voor asielzoekers in een aantal Nederlandse gemeenten opgeleverd.

Plus het nodige gekrakeel over de planning van de voorzieningen voor vluchtelingen. Was het werkelijk niet te voorzien dat de toestroom van asielzoekers zou wringen met de zomerse terugloop van de beschikbare plaatsen in bungalowparken en dergelijke wegens de zomervakanties? De vraag stellen is haar beantwoorden. In 1981 heeft de rijksoverheid de opvang van asielzoekers en vluchtelingen aan zich getrokken, in 1987 is een rijksopvangregeling ingesteld die van meet af aan moeilijk lag bij de gemeenten die haar moeten uitvoeren. In 1990 werd in Kamervragen reeds openlijk gesproken van een “acute noodsituatie”.

De stelregel "regeren is vooruitzien' heeft in het geval van asielzoekers wel een extra complicatie. Zeker op dit gebied dreigt aanbod zijn eigen vraag te scheppen en zelfs een doelmatige voorbereiding van de opvang draagt al gauw bij tot een aanzuigende werking. Wanneer het internationale circuit van asielzoekers (en hun vervoerders) niet munt probeert te slaan uit ieder teken van toegeeflijkheid dan zijn het wel de Europese buurstaten die in de praktijk niet verheven zijn boven het afschuiven van deze mensen, het zogeheten pingpongen. Knibbelen is de Europese norm geworden.

EEN OVERSTELPT Duitsland heeft zich na een fel-omstreden wijziging van zijn grondwet thans geheel omringd met "veilige buurlanden' van waaruit het nieuwkomers kan weigeren. Het lijkt verleidelijk voor Nederland dit voorbeeld te volgen nu de opvang ook hier voor toenemende problemen zorgt, maar er zijn verschillende redenen waarom de vergelijking niet op gaat. Om te beginnen heeft Nederland minder buurlanden. Duitsland heeft bovendien niet een eind gemaakt aan zijn internationale verplichtingen om echte - politieke - noodgevallen behoorlijk op te vangen. Ook Nederland kan daar niet omheen en de internationale politieke ontwikkeling maakt dat zelfs bij een terughoudende toepassing het beroep op de rijksopvangregeling in de afzienbare toekomst zal toenemen.

De instroom is een aangelegenheid van nationaal belang, maar de concrete opvang in grote mate een lokale. Van de gemeenten mag worden verlangd dat ze gehoor geven aan het beroep dat op hen wordt gedaan, zeker zolang dit beperkt blijft tot twee à drie asielzoekers per duizend inwoners. Maar het Rijk dient dat dan wel mogelijk te maken. Dat een elementaire voorziening als huisvesting zoveel problemen geeft valt niet los te zien van de regelvloed die de verhouding tussen de bestuurslagen kenmerkt.

DEZE AANGELEGENHEID is te belangrijk voor het nationale equivalent van het pingpong-spel dat thans het invallende zomernieuws heeft gehaald. Internationale migratie is bezig zich te ontwikkelen tot een van de grote problemen van het eind van de twintigste eeuw. Behalve met vluchtelingen heeft ons land ook te maken met gedoogden, ontheemden en gezinshereniging van reeds gevestigde immigranten. Officieel is Nederland geen immigratieland, maar feitelijk wel. Telkens weer blijken we daar niet goed raad mee te weten. Er dienen een paar elementaire afspraken te worden gemaakt. Wordt het niet eens tijd te denken over een Deltaplan voor migranten?