Amerikaan leidt Ests leger "om vrede te dienen'; Drank en geweld zijn belangrijke vijanden

TALLINN, 12 JULI. Veertig jaar later dan verwacht heeft Aleksander Einseln zijn belofte dan toch nog ingelost. Toen hij als twaalfjarige jongen in de nacht van 21 september 1944 voor het oprukkende Rode Leger uit Estland vluchtte, zwoer hij terug te komen om te vechten. Dit voorjaar werd Einseln, inmiddels Amerikaan en al acht jaar met pensioen als kolonel van het Amerikaanse leger, opperbevelhebber van de nieuwe Estse strijdkrachten.

Op een mooie augustusavond vorig jaar kwam het telefoontje van Arnold Rüutel, toen president van Estland. Einseln was toen bezig aan het schrijven van zijn memoires en volgde pas sinds kort weer wat er in zijn geboorteland gebeurde. Hij wees het verzoek eerst af: “Ik heb al in Korea en Vietnam gevochten en geen zin meer in nog een oorlog.” Maar nergens in het Westen bleek een Est te vinden met een vergelijkbare militaire ervaring.

“Om de wereldvrede te dienen” liet Einseln zijn memoires, vrouw en kinderen dus toch in Californië achter en verhuisde hij, voorlopig voor twee jaar, naar een sobere hotelkamer in Tallinn. Sindsdien voert de 61-jarige Amerikaan het bevel over enkele tientallen officieren, 2500 dienstplichtigen en 7000 reservisten.

“Mijn grootste taak is de officieren bij te brengen dat wij de aanwijzingen moeten volgen van de regering. Zij willen het nog steeds andersom doen.” Ook blijven de beroepsmilitairen tot Einselns ergernis vasthouden aan oude voorrechten. Zo betalen zij nog steeds geen inkomstenbelasting.

Dat hij buitenlander is, blijkt voor het gezag van de nieuwe opperbevelhebber een voordeel te zijn. “De Esten zien het Westen als voorbeeld. Daarom accepteren zij dingen van mij die ze van elkaar niet accepteren.” En dat gezag had hij vanaf de eerste dag hard nodig om twee hardnekkige overblijfselen uit het Sovjet-tijdperk aan te pakken: geweld en alcoholisme.

Op zijn eerste werkdag, 4 mei, trof Einseln op zijn bureau twee dossiers aan over mishandeling van nieuwe recruten. Inmiddels heeft hij vier officieren moeten wegsturen en nog eens vijf onderzoeken gelast. Zijn directe ondergeschikten zien dit met verbazing aan. “De officieren hier zijn eraan gewend in het ergste geval de lijkkist met een bedankbriefje naar de ouders te sturen en dat was dan alles.”

Ook het verbod op drankgebruik in de kazerne stuitte op onbegrip. Maar Einseln heeft op zijn rondgang langs alle militaire bases al genoeg gezien. “Vorige maand nog gingen vier dronken officieren de zee op in een bootje dat bedoeld was voor twee. Het bootje zonk en één man verdronk.” De andere drie zijn ontslagen.

Over militaire faciliteiten heeft de opperbevelhebber niet te klagen. Zo liggen er “in dit landje zo klein als de staat Vermont” nog vijf voormalige Sovjet luchtmachtbases “elk groot genoeg om een Boeing-747 te laten landen”. Met de uitrusting is het helaas wat minder gesteld. Slechts twee vliegtuigen bijvoorbeeld, “en als we daarmee willen vechten moet de piloot zijn pistool door het raampje naar buiten steken”. Maar begin deze maand werd onthuld dat de Estse regering in Israel voor vijftig miljoen dollar machinegeweren en anti-tankgeschut heeft besteld.

Het kleine Estse leger zal geen seconde aarzelen deze wapens bij een eventueel conflict met Rusland daadwerkelijk te gebruiken, denkt Einseln. “Of ik dat nu wil of niet, ze zullen vechten. Zo is de stemming nu. Ik kan alleen maar proberen dat gevecht zo georganiseerd mogelijk te laten verlopen.”

Zelf gelooft Einseln niet in een Russische interventie, althans niet zolang president Jeltsin aan de macht is. Als het leger zich in de politiek zou mengen zou het misschien anders zijn. Einseln vertelt dat hij tijdens een recent bezoek aan collega's in Moskou een landkaart zag hangen met de Baltische landen nog als deel van de Sovjet-Unie. Hij vroeg of die kaart niet wat verouderd was. Antwoord: “Nu nog wel, maar binnenkort niet meer.”

Mer zorgen maakt de Estse legerleider zich over wat hij noemt "politieke activiteit vanuit Moskou'. Zo kreeg hij vanmorgen pamfletten onder ogen waarop de Russische minderheid in Estland opgeroepen wordt tot gewapend verzet. De relatie tussen de één miljoen Esten en de 600.000 Russen in de jonge republiek staat onder druk sinds het parlement in Tallinn in juni een wet aannam waarin de Russen tot vreemdeling worden bestempeld.

Einseln wil niet zeggen of het leger is gevraagd zich voor te bereiden op een optreden in de voornamelijk door Russen bewoonde grensstad Narva. Daar wordt als reactie op de vreemdelingenwet aanstaand weekeinde een referendum gehouden over autonomie, ondanks een verbod van de regering. De opperbevelhebber is vorige week in Narva geweest en heeft een avondlang met de president en de premier over de zaak overlegd. “Ik doe echt mijn uiterste best om te voorkomen dat het leger daar wordt ingezet.”

Maar zijn zwaarste strijd voert Einseln vooralsnog met Washington. De ministeries van buitenlandse zaken en defensie daar zijn uiterst ongelukkig met zijn activiteit in Estland, dat weliswaar als bevriende maar ook als instabiele staat wordt beschouwd. De betaling van zijn pensioen is opgeschort en er is een procedure gestart om Einseln zijn Amerikaans staatsburgerschap te ontnemen. De veelvuldig onderscheiden militair, die deze opstelling de grootste teleurstelling uit zijn leven noemt, hoopt dat de zaak binnenkort door de rechter wordt opgelost. Maar als hij een eventuel proces verliest zit er niets anders op dan terug te gaan: hij kan zijn financiële verplichtingen in de VS niet voldoen met zijn Estse salaris van 500 dollar per maand. Dat gedwongen vertrek zou dan weer een heel ander einde zijn dan dat van zijn voorganger, wiens portret achter Einselns bureau aan de muur hangt. Die werd in 1940 naar de Sovjet-Unie gedeporteerd en stierf daar in 1953 in gevangenschap.