40 seconden geluk per dag

We zitten aan tafel met een Servische journalist, die uit het goede hout is gesneden. Hij vertelt over het verval van de omgangsvormen in Belgrado, dat er vrijwel niets meer te krijgen is en hoe de oorlogspsychose op iedereen in zijn land vat heeft. Hij zegt zeker te weten dat wanneer de publieke opinie in Nederland afgesneden zou zijn van de buitenwereld en vervolgens jarenlang aan nationale haatgevoelens zou worden blootgesteld, het hier ook snel gedaan was met de fatsoensnormen.

Op zulke momenten moet men bescheiden zijn en niet onmiddellijk roepen dat de beschaving hier veel dieper wortel heeft geschoten. Toch is dat precies de vraag waar het om draait bij het bloedige nationalisme dat in Bosnië een ravage aanricht. Hebben we te maken met een regionaal verschijnsel, dat typerend is voor de Balkan, maar nauwelijks nog denkbaar is in de rest van Europa? Of gaat het om een universele botsing die nog eens aantoont hoe dun het laagje beschavingsvernis is dat we onszelf hebben aangesmeerd?

George Kennan, de Amerikaanse elder statesman bij uitstek, schrijft in een vergelijking tussen de Balkanoorlog van 1913 en die van nu: “Het nationalisme, zoals het tot uiting kwam op het slagveld, ontleende zijn kracht aan dieper liggende karaktertrekken, die waarschijnlijk overgeërfd zijn uit een ver tribaal verleden. In het algemeen wordt de buitenstaander met een diep wantrouwen bezien en meer in het bijzonder worden politiek-militaire tegenstanders als een gevreesde en nietsontziende vijand beschouwd, die alleen maar bestreden kan worden door een totale en meedogenloze vernietiging. Dat geldt tot op de dag van vandaag” (New York Review of Books, 15 juli 1993).

Hier wordt een bekend beeld aangeroepen van een naar binnen gekeerde landelijke samenleving waar bloedwraak de pasmunt is in het verkeer tussen families en lokale gemeenschappen. Kortom, een beschrijving waarin de achterlijkheid van deze regio nog eens sterk wordt aangezet, teneinde te verklaren wat in onze onschuldige ogen zo onverklaarbaar is. Kennan concludeert tamelijk fatalistisch: “Deze schijver weet niets dat er op wijst dat het vermogen tot vreedzaam onderling verkeer van de volkeren op de Balkan nu groter is dan tachtig jaar geleden”.

De Engelse publicist Michael Ignatieff verzet zich tegen deze duiding van het conflict: “Nationalisten overal ter wereld gebruiken de geschiedenis ter rechtvaardiging van hun eigen zaak. Ook de strijdende partijen op de Balkan hebben er een evident belang bij de geschiedenis op te vatten als een lotsbestemming. Daarmee krijgt hun haat de schijn van rechtvaardigheid. Er is echter geen enkele reden waarom buitenstaanders hetzelfde zouden doen” (De Groene Amsterdammer, 19 mei). Wat juist verklaring behoeft is dat het gewelddadig nationalisme in Joegoslavië voet aan de grond kreeg. Moslims, Kroaten en Serviërs hebben immers lange tijd dwars door elkaar heen gewoond in redelijke harmonie. De etnische zuivering die nu woedt bewijst dat met terugwerkende kracht.

Ignatieff: “Toen in 1991 beide partijen met hun zuiveringen begonnen, bleken de "vijanden' naast het eigen huis te wonen. Het kan niet vaak genoeg worden gezegd: deze mensen waren buren, vrienden en echtelieden, ze woonden niet op verschillende etnische planeten. Misha Glenny (in zijn boek The Fall of Yugoslavia - PS) betoogt dat de strijd juist zo'n uitzonderlijk wreed karakter kreeg doordat de mannen broeders waren en elkaar aan de andere kant van de barricaden herkenden. Volgens hem kan men gruweldaden, zoals bijvoorbeeld het verminken van het gezicht van de tegenstander, niet op een andere manier verklaren”.

Glenny spreekt in zijn boek overigens wel degelijk over "de mentaliteit op de Balkan' en vindt dat het Westen deze chronisch miskent. Maar misschien verklaart de emotionele nabijheid van de strijdende "partijen' inderdaad beter het doorgaans perverse karakter van burgeroorlogen, waarbij er geen wezenlijk verschil is met bijvoorbeeld het Spanje van de jaren dertig of Noord-Ierland in de laatste decennia.

In zijn boek Die Stadt und der Tod biedt Bogdan Bogdanovic, architect en oud-burgemeester van Belgrado, nog een andere interpretatie voor de uitbarsting van geweld. Het is in zijn ogen geen toeval dat de verwoesting van steden als Vukovar, Mostar, Zadar, Osijek en natuurlijk voor alles Serajevo met zoveel energie ter hand is genomen. Het kapot schieten van bibliotheken en musea legt een onderliggend motief bloot: haat tegen de culturele wirwar van de stad.

“Wij - juist wij, de Servische kant - zullen herinnerd worden als de stadsverwoesters, als de nieuwe Hunnen. De afschuw van de Westerse mens is begrijpelijk. Al eeuwen lang maakt hij zelfs etymologisch geen onderscheid meer tussen de begrippen "stad' en "beschaving'. De zinloze verwoesting van steden kan hij niet anders zien dan als een uitgesproken gewelddadig verzet tegen de hoogste waarden van de beschaving”.

Zo vermengt de oorlog zich met een tijdloos thema: de strijd tussen de stedebouwers en stadsverwoesters. De culturele veelvoud van de stad laat zich niet verzoenen met de nationale enkelvoud die wordt nagestreefd: “De verwoesting van steden, die momenteel zo gruwelijk en voor iedereen zichtbaar gaande is, geeft een indruk van de diepgang van het onbehagen over deze opslagplaats van herinneringen. De beestachtige mens zou die graag inruilen tegen een geschiedenis van eigen makelij.”

Bogdanovic hinkt een beetje op twee gedachten, want hij wil niet suggereren dat de moderne stad in alle opzichten de belichaming is van tolerantie. Veel van de steden in Europa hebben hun menselijke maat verloren en worden van binnenuit ondermijnd. Een van de oorzaken ziet hij in de massale toevloed vanuit het platteland in een stad als Belgrado. Het zijn maar al te vaak deze nieuwe stedelijke elites, die uit naam van een ongebroken plattelandsgemeenschap, de strijd aanbinden tegen het Sodom en Gomorra van de stad.

Dit zijn enkele van de verklaringen die men kan aantreffen in studies over het voormalige Joegoslavië. Ze reiken van de specifieke mentaliteit op de Balkan, via het algemenere beeld van burgeroorlog tot aan de universele veronderstelling van een aloude haat tegen de stad. Hoe algemener de verklaring van de geweldspiraal die in Bosnië op volle toeren draait, hoe minder gemakkelijk we de gebeurtenissen daar kunnen afdoen als behorend bij een andere wereld. Daarom raakt de typering van Bogdanovic ons misschien het meest direct. Want ook al is de positie van de stedelijke burgerij met zijn commerciële en culturele netwerken in West-Europa veel sterker dan in Oost-Europa, toch is het beter om bescheiden te zijn over de levensvatbaarheid van onze eigen stadsbeschaving.

Ondertussen komt de Servische journalist nauwelijks bij van de verbazing over Amsterdam. Wat een rust, wat is het prachtig en dan is het weer ook nog zo goed! Zijn aanwezigheid aan tafel is verontrustend. Het lukt maar niet om een verband te leggen tussen onze eigen wereld en de grote gebeurtenissen verder weg in Europa. Plotseling krijgt de gespletenheid een gezicht: even woedt de oorlog binnen handbereik. Hij zegt: “We hebben geen toekomst meer. In twee jaar hebben we alles wat we sinds de oorlog hebben opgebouwd vernietigd. Het zal minstens veertig jaar duren om het weer te herstellen. In het beste geval. Verder is het een kwestie van overleven. Veertig seconden geluk per dag, daar doen we het mee”. Hij grijnst verlegen om zich heen, alsof hij zich schaamt voor zijn eigen lot.