Vecht-economie aangewezen oplossing voor Nederland

De politieke roep om een verkleinde overheid is even vaag als hardnekkig. Geen enkele partij heeft die doelstelling nog gespecificeerd. De afgeslankte overheid zal zich moeten beperken tot het voorzien in die behoeften van de burger die voor de meeste mensen nog wel gelijkluidend zijn zoals defensie, politie, justitie, openbare orde en veiligheid, infrastructuur, mini-stelsel van sociale zekerheid. Staatszorg die buiten deze kerntaken valt, moet worden afgestoten en geprivatiseerd.

De welvaartsstaat haalt de volgende eeuw niet, althans niet in ongewijzigde vorm. Daarvoor is de concurrentie van een groeiende schare van succesvolle landen met heel eigen opvattingen over mensenrechten, sociale rechtvaardigheid en de aanpak van economie en politiek inmiddels te groot.

Landen bovendien met goedkope en goed geschoolde beroepsbevolkingen, die het meeste van wat wij doen inmiddels ook kunnen, maar dan veel goedkoper. Die landen liggen in Zuid-Oost Azië. Naast Japan, Hongkong, Singapore, Taiwan en Korea hebben zich gevoegd Thailand, Maleisië, Indonesië en China, Vietnam, en ook India komt eraan.

Al die landen hebben een breed gedeelde wil tot groei en verbetering van hun omstandigheden. Alle, behalve India, hebben ze een kapitalistische mentaliteit. Alle zoeken ze de wereldmarkt om hun produkten op af te zetten. Alle vertonen een enorme toekomstgerichtheid, tot uiting komend in een hoge spaarzin en omvangrijke investeringsactiviteiten. Qua mentaliteit en interne structuur passen deze landen ook wonderwel in het open, kapitalistische, wereldhandelssysteem. Anders dan in bij voorbeeld de landen van Latijns-Amerika en Oost-Europa hebben hun overheden nooit grote delen van de binnenlandse economie om wat voor reden dan ook afgeschermd voor de werking van het markt- en prijsmechanisme. En zelfs in een aantal landen van Latijns-Amerika en Oost-Europa raakt deze mentaliteit snel in onbruik. Ook zij hebben goed opgeleide en goed geschoolde mensen, en ook zij zijn de infrastructuur van hun landen aan het aanpassen om aansluiting te vinden op de wereldmarkten.

Het is een misvatting te denken dat het enige dat zal gebeuren is dat die landen qua welvaartspeil en economische ontwikkeling naar ons hoge peil zullen toegroeien. Daarvoor zijn het er inmiddels teveel, daarvoor kunnen ze teveel, daarvoor kunnen ze het te goed, en daarvoor kunnen ze het te goedkoop. Het zetten van een wiel aan een auto kost aan bruto arbeidsloon in Duitsland $ 26 per uur, in Nederland $ 20, in de VS $ 17, in Brazilië en Mexico $ 2,50 en in China en Polen $ 1. Zonder aanpassingen komen we er dus niet vanaf. Die aanpassingen zullen ingrijpend zijn. En ze zullen sociaal en politiek alleen maar soepel kunnen verlopen als onze economiën een redelijke mate van groei blijven vertonen. Dus hoe sneller we ons aanpassen, hoe beter. De reflex om ons af te schermen moeten we daarbij zien te voorkomen. Met afschermen koop je in het gunstigste geval tijd, en hoe meer tijd er is, hoe langzamer de aanpassing zal verlopen en hoe groter de kans dat er niets van terecht komt. Roep om afscherming komt voort uit een mentaliteit van angst, waarbij opkomende landen als evenzovele bedreigingen worden gezien.

Maar het is een illusie te menen dat we door ons af te schermen de problemen buiten de deur kunnen houden. Als we het goed aanpaken en op politiek, economisch, en institutioneel gebied concurrerender en flexibeler worden, kunnen wij van de groei elders alleen maar profiteren.

Waar komen die aanpassingen op neer? Op een metamorfose van hoe wij onszelf maatschappelijk, politiek en economisch georganiseerd hebben. We moeten terug naar een vecht-economie, waar meer aan de markt wordt overgelaten, waar minder belastingen en subsidies de verhoudingen scheef trekken, waar de overheid alleen nog dat doet wat mensen en markten zelf niet of niet goed genoeg kunnen, waar meer prijzen en tarieven voor allerlei overheidsdiensten en zogenaamde openbare voorzieningen niet meer politiek bepaald worden, maar waar de calculerende burger weer zoveel mogelijk zelf betaalt voor de voorzieningen waarvan hij profiteert, en waar de consensus economie met bijbehorende instituties, organisaties en regelingen op de helling gaat.

Het afslanken van de overheid en haar organen, van de consensus economie en haar instituties, en van de daarmee samenhangende collectivistische oplossingen voor de noden en problemen van volk en samenleving past in een overal zichtbare ontwikkeling. De levensinstelling van de westerse mens, bevrijd van armoede, volksziekten en gemis aan opleiding en kansen, is er één van "ik weet zelf wel wat goed voor me is' en van wederkerigheid. Nog nooit is de politieke economische en sociale ruimte van zoveel mensen in het westen zo groot geweest als nu. De behoeften die ze hebben zijn inmiddels gendividualiseerd en steeds moeilijker onder algemene noemers te vangen. In marketingtermen heet het dat de markt gesegmenteerd is en dat produkten of diensten die alles voor iedereen moeten betekenen hun tijd gehad hebben. Datzelfde geldt voor de politieke wensen en behoeften van de burgers. Ook die fragmenteren. Politieke oplossingen zijn per definitie collectieve oplossingen en in een individualiserend bestel worden zulke oplossingen niet meer als oplossing gezien of aanvaard. De overheid zal zich dus moeten beperken tot het voorzien in die behoeften van de burger die voor de meeste mensen nog wel gelijkluidend zijn: defensie, politie, justitie, openbare orde en veiligeheid, infrastructuur, een mini-stelsel van sociale zekerheid, en dergelijke. Alle andere taken die de overheid met de groei van de welvaarsstaat op zich heeft genomen zullen scherp moeten worden getoetst op de vraag of ze wel tot de kerntaken horen. Zo niet dan horen ze te worden afgestoten en geprivatiseerd. Bij die evaluatie is haast geboden.

Op dit punt dreigen overigens voortdurend gevaren. De standaard reactie van overheid en politiek is meestal dat elk probleem tot politiek probleem verklaard wordt in plaats van zorgvuldig na te gaan in hoeverre de markt (en dat zijn in feite de mensen zelf) oplossingen kan verzorgen. Voorbeelden te over: de verzekering tegen arbeidsongeschiktheid, die nu zo ter discussie staat, had allang en veel eerder en van het begin af aan veel markt-conformer geregeld kunnen worden. Datzelfde geldt voor het milieuprobleem. Dat is de moderne kandidaat om via collectivistische oplossingen door de overheid omarmd te worden. Datzelfde geldt voor de gezondheidszorg. Maar ook op die gebieden zal de markt een veel betere probleemoplosser blijken te zijn dan het collectief als de markt daartoe maar de kans krijgt.

Te vaak en te veel worden problemen tot politieke in plaats van economische of technische problemen verklaard, en wordt voor politieke, dus collectieve, in plaats van marktconforme of technologische oplossingen gekozen. Het milieu, de gezondheidszorg, de landbouw, het onderwijs, de sociale zekerheid, het openbaar vervoer, en de woningnood zijn voorbeelden waar dit is gebeurd. Daarmee gepaard is gegaan het huidige, anonieme stelsel van herverdelen van publieke gelden, waarmee noch de doelmatigheid, noch de rechtvaardigheid is gediend. Teveel is de calculerende burger vrijgesteld van het betalen van de voorzieningen die hij geniet. Te zeer loopt deze betaling nu via fiscale en sociale lasten in plaats van via marktconforme prijzen.

Het probleem dat we hebben is een probleem van inflexibiliteit. Inflexibiliteit op het terrein van de gezondheidszorg, de landbouw, de volkshuisvesting, het verkeer en vervoer, van justitie en politie, het hoger onderwijs en vooral ook op het gebied van de arbeidsmarkt. Op al deze gebieden regeert de politiek met prijzen en subsidies, die vaak al lang hun band met de werkelijkheid verloren hebben. Het vaststellen van te lage huren, colegegelden, vergoedingen voor geneeskundige verrichtingen, gas- en electriciteitstarieven, openbare vervoersprijzen e.d., leidt tot meer vraag dan aanbod, tot lange rijen, tot altijd wachtenden voor u, tot irritatie, en tot frustratie en ongenoegen. Op de arbeidsmarkt en op de markt voor landbouwprodukten geldt het omgekeerde. Daar zijn de prijzen te hoog. De arbeidskosten met name door de sociale belastingen en de prijzen voor boter, graan, melk, kaas en noem maar op door te hoge interventieprijzen. Overal waar de prijzen te hoog zijn, ontstaan overschotten: werkeloosheid op de arbeidsmarkten en koelruimten vol landbouwvoorraden op de landbouwmarkten. Niemand is tevreden.

Het probleem van de inflexibiliteit is niet alleen een probleem van starre politieke prijzen. Het is ook een probleem van gebrek aan goed uitgewerkte eigendomsrechten. Veel van de milieuproblematiek is daarop terug te voeren. Het milieu, de lucht, het water, de zee, de natuur zijn - in tegenstelling tot een oud leerstuk uit de eceonomie - nooit vrije goederen geweest. Ze waren altijd al schaars. Alleen omdat er geen eigendomsrechten op gelden, omdat ze niet geprivatiseerd zijn, omdat ze van iedereen zijn, en dus van niemand, kan er ook geen juiste prijsvorming op plaatsvinden. Waarom zijn de buffels nagenoeg uitgestorven, en de koeien niet? Omdat de koeien van iemand zijn, en de buffels van niemand. Markt- en prijsvorming kan alleen goed werken als de eigendomsrechten goed geregeld zijn. Die harde les wordt nu geleerd in Oost-Europa. Markten en prijzen werken vanuit de onzichtbare hand. Het is niemand kwalijk te nemen als ze omhoog of omlaag gaan. Politieke oplossingen zijn altijd iemand kwalijk te nemen, leiden altijd tot aarzelende besluitvorming en zijn daarmee grosso modo inefficiënt.

De overheid is niet het enige instituut met problemen. Ook het bedrijfsleven kan vechtlustiger georganiseerd worden. Men kan niet volstaan met te blijven klagen over de hoge arbeidskosten in Nederland, te hoge sociale belastingen, te luxueuze en lankmoedige uitkeringen, te lange vakanties, teveel vrije dagen en teveel ATV. Zonder twijfel doen al deze zaken het snijpunt van de vraag- en aanbodcurve op de arbeidsmarkt verschuiven naar Zuid-West in plaats van naar Noord-Oost, en iedere econoom weet wat dat betekent voor de kwaliteit van de banen (de hoogte van het loon) en de hoeveelheid werk (de werkgelegenheid).

Maar men hoeft niet stil te blijven zitten. En daarbij hoeft men niet onmiddellijk zijn produktie-capaciteit naar lage lonen landen te verschuiven. Men kan het ook doen op de manier van Nicolas Hayek, de man van het Swatch-horloge. Toen de Zwitserse horloge-industrie aan het begin van de jaren tachtig op de rand van de afgrond balanceerde, onder andere doordat het zich uit de markt geprijsd had, heeft Hayek de horloge-produktie met de ontwikkeling van het Swatch-horloge op zijn kop gezet. De prijs was daarbij niet het eindpunt, maar het beginpunt. Hayek sprak met zichzelf en met zijn technische staf af dat hij een horloge wilde maken dat goed, leuk en goedkoop was, en dat niet meer mocht kosten dan Zw.Frs. 50. Dat was 12 jaar geleden, en dat horloge kost nog steeds hetzelfde bedrag. De vraag die Hayek en zijn staf zich stelde was: hoe moeten we het produktieproces organiseren, willen we een horloge maken dat waterdicht is, dat altijd loopt, dat leuk is om te dragen en naar te kijken, en dat maar vijftig Zwitserse francs mag kosten. Inmiddels wordt de wereld vanuit Zwitserland (en door Zwitserse ondernemers) jaarlijks voorzien van miljoenen exemplaren van dat horloge. Hayeks ervaring is dat elk produkt gemaakt kan worden waar men woont, ook al is dat het duurste land ter wereld, mits men het produktieproces maar zo weet te organiseren dat de arbeidskosten niet meer dan 10% van de totale kosten zijn. De oplossing voor de te hoge sociale lasten en uitkeringen op de arbeidsmarkt kan alleen maar van de politiek komen. Zolang dat niet gebeurt, moeten ondernemers via het "omdenken' van hun produktieprocessen à la Swatch komen tot verbetering van de omstandigheden. Vechten in plaats van berusten dus.

De volgende regering zal het moeilijk krijgen. Bij de tegenwoordige inrichting van staat en economie is de toename van de werkloosheid bij elke conjuncturele neergang groter dan de afname ervan bij het daaropvolgende herstel. Dat was aan het begin van de jaren tachtig zo en dat is nu weer zo. En het is alleen in Europa het geval. In Amerika en het Verre Oosten is dit opkrik-effect afwezig, maar daar werken de arbeidsmarkten dan ook geheel anders dan in West-Europa. De regeringen van West-Europa, en dus ook de volgende Nederlandse regeringscombinatie zal dit probleem moeten aanpakken. Daar is geen ontsnappen meer aan, nu teveel landen in het Verre Oosten komen opzetten en Zuid-Amerika en Oost-Europa staan te wachten om ook aan de slag te mogen komen.

De kern van het probleem ligt op de arbeidsmarkt. Die is onder teveel sociale zekerheid bezweken. Te hoge sociale premies, en minimum lonen en te stringente ontslagbeperkingen zijn evenzovele belastingen van de werkgelegenheid. En dus is er te weinig werk. Sociale uitkeringen voor werkeloosheid en arbeidsongeschiktheid die genormeerd zijn ver boven wat streng en rechtvaardig is, zuigen mensen in de WW en de AOW. Dat betekent dat het sociale zekerheidsgebouw moet worden afgeslankt en gereconstrueerd. Het betekent ook dat de taakstelling en de organisatie van de verzorgingsstaat opnieuw moet worden doordacht.

Ook op dat punt zijn we toe aan een Swatch-operatie, En er is geen tijd te verliezen. De vraag is of de huidige organisatie van onze democratie via politieke partijen hiertoe in staat is. De vraag is of zij snel genoeg tot werkbare nieuwe concepten kan komen waarachter men de kiezers weet te organiseren. De relatieve teruggang van onze welvaart moet politiek begeleid worden. Die relatieve teruggang moet ook zoveel en zo snel mogelijk beperkt worden door een nieuwe opzet van onze verzorgingsstaat, van onze arbeidsmarkt, en van de wijze van werken van ons bedrijfsleven. Gebeurt dat niet dan zitten we in de problemen. Dan zal de wal het schip keren. Dat zal dan gepaard gaan met desintegratie-verschijnselen. Met het wederzijds elkaar kwalijk nemen van wat er gebeurt, met een sfeer van jaloezie en frustratie, met de kans op extremisme en vreemdelingenhaat. Dat is niet nodig. Maar dan moet er snel een nieuw soort politici opstaan en een nieuw soort politieke mentaliteit zijn intrede doen.

Onze regeringen denken nog steeds dat een sterke overheid een grote, zware overheid is. Onze overheidsinstellingen zijn te groot, te centralistisch en te bureaucratisch om de snelle ontwikkelingen in onze maatschappij te kunnen bijhouden. Onze huidige regeerders leiden niet meer, ze reageren en bemiddelen. Ze reageren op waar de media hun oog op laten vallen. Ze bemiddelen tussen belangengroepen. Aldus ontstaat het beeld van regeringen in het defensief, meegesleept door gebeurtenissen, een maat te klein voor het pak dat ze dragen, wel "in government' maar niet "in power'.

De volgende generatie politici zal heel goed moeten weten wat de burgers willen: een sterke overheid die licht regeert. Dat betekent niet duizend ideeën, maar een paar, niet duizend woorden, maar slechts enkele, niet duizend maatregelen, maar slechts enige. Maar dan wel met kracht van overtuiging uitgevoerd. Die kracht kan een regering alleen ontlenen aan macht, en die kan ze alleen verkrijgen van haar burgers. En die zullen er weer van overtuigd moeten worden dat wat de regering wil de moeite waard is en gericht op die werkelijk gemeenschappelijke problemen. De nieuwe generatie politici zal de deugden van het volk weer moeten aanboren en zich bij wat ze doet moeten richten op wat het volk wil zijn: rechtschapen, energiek, toekomstgericht, onafhankelijk, vertrouwend op eigen kracht, trouw aan vrienden, robuust tegen vijanden. Als dat niet gebeurt zullen de mensen zich blijven afkeren van wat rest van de welvaartsstaat.