Tegenstrijdige gevoelens over armoede in de Derde Wereld

Voorstelling: The Fever van Wallace Shawn door de Stalhouderij Theatre Company. Spel: Martin van Tulder en Marc van Zijp. Regie: Helen E. Richardson. Gezien: 8/7 De Stalhouderij, Amsterdam. Aldaar t/m 8/8.

Op een piepklein podium, zo klein dat je er amper op kunt liggen, knielt een man voor een closetpot. Wanneer hij de laatste restjes braaksel van zijn lippen heeft geveegd, houdt de man, die naakt is op een om zijn lendenen geslagen handdoek na, een monoloog waarvan hij prompt opnieuw moet overgeven. Over martelingen en executies gaat zijn onsmakelijke verhaal, over dictators en rebellen en perverse rijkelui.

The Fever, verschenen in 1991, is de beschrijving van een welgestelde Amerikaan die, gekweld door schuldgevoelens, rondreist in een Derde-Wereldland. Wallace Shawn, bekend geworden door zijn optreden in de cultfilm My Dinner with André, voorzag zijn toneelstuk van vele autobiografische details. De vermogende Newyorkse familie waar Shawn in opgroeide komt in de monoloog naar voren als een toonbeeld van beschaving en menslievendheid. Soms verandert de beminnelijke glimlach echter in een starre grijns en slaat het medeleven met de minst bedeelden om in vrees en pure haat. "They must all be taken out and shot!' roept de man voor de closetpot in een vlaag van woede - om even later luidruchtig te dwepen met de schoonheid van een bedelares: "To you, her simple shawl seems elegant, direct, the right way to dress. She's old, thin and yes, she looks sick, very sick, near death. But her face is beautiful.'

Het vele braaksel wekt aanvankelijk de indruk dat onze reiziger werkelijk begaan is met het lot van de mensen in de Derde Wereld, maar eigenlijk is hij alleen begaan met zichzelf en zijn eigen tegenstrijdige gevoelens. Even ambivalent als de gemoedsgesteldheid van dit personage is de enscenering van Helen Richardson; die houdt het midden tussen een vrolijke, door muziek ondersteunde zedenschets en een zwaarmoedige religieuze parabel. De speler die Richardson aan Shawns monoloog toevoegde, een wezen met een witgeschminkt gezicht, treedt op als clown, maar ook als spook, het slechte geweten van de Rijke. In diens nachtmerries verschijnt hij als kamermeisje en revolutionair, als bedelares en beul. Door deze fysieke confrontatie tussen twee acteurs krijgt het geheel iets levendigs.

Zij die ter verbetering van hun Engels naar het Stalhouderijtheater willen, zullen dit keer teleurgesteld zijn: Martin van Tulder spreekt die taal met een onmiskenbaar Nederlands accent. Maar dat is slechts een kanttekening bij een heel behoorlijk gespeelde voorstelling vol verrassende vondsten van de regisseur.