SPOORWEGEN

Locomotiefloodsen en tractieterreinen in Nederland 1839-1958 door H. Waldorp en J. G. C. van de Meene 264 blz., Schuyt & Co. 1992, f 79,50 ISBN 90 6097 323 2

Een pirouette door een dampende 100 ton zware locomotief; loodsen waarvan de geopende deuren een blik op een keur aan glimmend tractiematerieel van de spoorwegen bieden; het bunkeren van steenkool en water om de benodigde stoomdruk in de cylinders te produceren. Ziehier enkele karakteristieke aspecten der spoorwegen tot aan het definitief verdwijnen van de stoomtractie in 1958. Zogenaamde draaischijven vormden vanaf het allereerste begin een onlosmakelijk deel van de emplacementen. Niet alleen werden de locs erop gekeerd, maar tevens waren zulke schijven nodig op plaatsen waar (segment-)ronde locomotiefloodsen in gebruik waren: de loodzware machines werden hiermee naar of uit de juiste stalling gedirigeerd.

Met de grootschalige toepassing van de elektrische tractie bij de Nederlandse Spoorwegen (ongeveer vanaf 1925) werd niet alleen de doodsklok geluid over de stoomlocomotief, maar werd ook de opstelling van de sleep principieel gewijzigd. Voorheen reed de krachtbron altijd op kop en diende de locomotief telkens aan het einde van een traject te worden gekeerd om aan het andere eind van de trein opnieuw te worden aangekoppeld. Elektrische treinen werden echter al spoedig gebouwd volgens het stroomlijnprincipe, waarbij identieke bedieningscabines aan kop en staart van de sleep waren aangebracht en de treinen dus ""vooruit en achteruit'' konden rijden.

Niet alleen vergde de exploitatie der elektrische treinen minder personeel, ook stalling en onderhoud waren veel minder arbeidsintensief. Het gevolg was dat talloze voorzieningen ten behoeve van de stoomtractie in rap tempo hun functie verloren en het loodje legden. Honderden locomotiefloodsen, tientallen draaischijven en andere traditionele artefacten gingen in de afgelopen halve eeuw verloren, waardoor een belangrijk deel van het Nederlandse spoorwegverleden uit het zicht verdween. Locomotiefloodsen en tractieterreinen in Nederland 1839-1958 door H. Waldorp en J. G. C. van de Meene is een van de vele werken die de voorbije tijd proberen vast te leggen. De vele foto's en (meest originele) tekeningen in het werk geven een goede impressie van het reilen en zeilen op de voormalige emplacementen. Het is hierbij aardig dat nu eens niet de locomotieven en treinen (deze laatste door de auteurs terecht consequent als sleep beschouwd) centraal staan, en evenmin de zo in het oog lopende stations, maar het werk achter de schermen en de minder fraai uitgevoerde gebouwen.

Dit boek is dan ook een welkome aanvulling op het toch reeds zeer ruime aanbod van werken over de historie van de spoorwegen in Nederland. De beide auteurs kennen het terrein goed. Waldorp is medeoprichter van de NVBS, de 6000 leden tellende Vereniging van Belangstellenden in het Spoor- en Tramwegwezen; Van de Meene is historicus van de infrastructuur der spoorwegen. Dit keer pakken zij uit met een (vrijwel) volledige inventarisatie van hetgeen ons land aan loodsen en emplacementen rijk is geweest. Stichting, functie en ondergang van de gebouwen zijn uitputtend gedocumenteerd en verlenen de uitgave een status van naslagwerk. Een zwakker aspect, dat hiermee wellicht verband houdt, is de enigszins stijve presentatie, zonder veel anekdotes en verrassingen. Voor de vele duizenden spoorliefhebbers in het land, die vaak niet vies zijn van serienummers en bouwjaren, is dit boek echter zeker de moeite waard. Niet voor niets verscheen het als deel 20 in de boekenreeks van de NVBS.