Roomse mores

De affaire-Bär staat model voor de richtingenstrijd in de Nederlandse rooms-katholieke kerk. Benoemd als behoudend vertegenwoordiger van het Roomse gezag, ontpopte de bisschop van Rotterdam zich gaandeweg als gesprekspartner van progressieve katholieken. Dat viel slecht in orthodoxe kring. Hij bleek bereid homoseksuele priesters te wijden en bovendien werden de geruchten over Bärs vermeende homoseksualiteit steeds sterker. Rotterdam zou in de greep zijn geraakt van de "roze mafia'. Een dossier werd aangelegd, publikatie dreigde en Bär trok zich terug in een Belgisch klooster. Op hoog kerkelijk gezag werden daarna de gelederen gesloten, maar de geruchtenstroom hield aan.

Een tocht langs abdijen, gelovigen en betrokkenen bij de affaire-Bär geeft een beeld van een denkwereld, waarin voor hem steeds minder plaats was. De hoofdrolspelers zijn gebonden aan een formeel of moreel spreekverbod; mgr. Bär zwijgt. Kardinaal Simonis en mgr. Ernst hebben namens de bisschoppenconferentie verklaard pas na publicatie eventueel te reageren.

In de buurt staat hij bekend als de "Vliegende Hollander'; altijd op pad en zelden thuis. In kerkelijke kring noemen ze hem zelfs de twaalfde bisschop; een man die lééft van de contacten, vooral onder "goede katholieken'.

Herman Jansen, legeraalmoezenier uit het Brabantse Nederwetten, stortte in toen bekend werd dat hij degene was die de geruchtenmachine tegen bisschop R. Ph. Bär in beweging had gebracht. Hij was het die de kerkelijke autoriteiten op de hoogte stelde van aanzwellende geruchten over homoseksuele contacten van de Rotterdamse bisschop.

Jansens naam lekte eerst uit in de regionale pers; kardinaal Simonis bevestigde op de turbulente persconferentie van 20 maart dat de bron van alle verhalen in kringen van legeraalmoezeniers gezocht moest worden. Jansen dook aanvankelijk onder. De last van de affaire-Bär was volledig op zijn schouders komen te rusten.

Zijn superieuren van het Militair Ordinariaat schermden hem zorgvuldig af. Mr. drs. H.H.M. Jansen had - vooral buiten legerkringen - geruchten gehoord over homoseksuele contacten van mgr. Bär. De aalmoezenier beperkte zich tot het "doorsluizen' van informatie en sprak zich niet uit over de conclusies die de kardinaal daaraan zou moeten verbinden, zo luidde het persbericht van de dienst Geestelijke Verzorging.

Jansen kreeg van het Ordinariaat een spreekverbod, evenals de hele staf van de zielzorg. Om buiten het schootsveld van pers en nieuwsgierigen te blijven, kreeg hij een half jaar de tijd om in Leuven te studeren. Maar de zwijgplicht drukte zwaar. Verdedigen kon hij zich niet, en zijn rol had nu eenmaal de klefheid van de Judas-kus. ""Ze hebben Herman laten vallen, hij heeft dit helemaal niet gewild'', zegt een goede kennis, die niet wil preciseren wie "ze' zijn.

Mgr. Bär, die legerbisschop was en derhalve Jansens hoogste baas, liet zich eens ontvallen: ""Die jongen moet priester worden.'' De bisschop was verbijsterd toen hij achteraf hoorde dat ""die aardige Jansen'' bij zijn val betrokken was geweest.

Karaktermoord

Maandenlang bepaalde de affaire-Bär de slepende crisis in de rooms-katholieke kerk van Nederland. Zijn vele sympathisanten eisten openheid van zaken over de "karaktermoord' op Bär; in de spelonken van de orthodoxie klonken daarentegen honende geluiden over zijn ""heiligverklaring bij het leven''. Prominente vertegenwoordigers uit het moderne kamp verlangden het aftreden van de hele bisschoppenconferentie en CDA-voorzitter Van Velzen stelde de onmacht van de kerkleiding publiekelijk aan de kaak. Kardinaal Simonis, die volkomen uit het lood geslagen was door de zaak, wist deze aanval met groeiend zelfvertrouwen te pareren. Intussen bleven de gelovigen ""met vele vragen zitten''.

De Nederlandse RK kerk wordt al sinds het begin van de jaren zeventig geteisterd door diepgaande polarisatie. De Nederlandse uitwerking van de besluiten van het Tweede Vaticaans Concilie kon geen genade vinden in de ogen van het Vaticaan. Daarom werden er vanaf 1970 behoudende bisschoppen benoemd. Eerst Simonis in Rotterdam, enkele jaren later Gijsen in Roermond. Deze lijn werd doorgetrokken met de benoemingen van Bomers in Haarlem, Bär in Rotterdam (die zich tot een gematigde bisschop ontpopte) en Ter Schure in Den Bosch.

Om de lege bisschopszetel van Rotterdam duelleerden de eerste maanden na Bärs vertrek dezelfde groepen die al jaren de tegenstellingen in de RK kerk belichamen: de voorstanders van de nieuwe kerk, die hooguit op verre afstand aan Rome is gekoppeld en de traditiegetrouwen die de leer, het gezag en de hiërarchie van de kerk onverkort in tact willen laten. De eerste groep - geconcentreerd rondom de Acht Mei-beweging en de Mariënburggroep - laat zijn opvattingen doorgaans luidkeels horen. De orthodoxen - verzameld in het Contact Rooms Katholieken (CRK) kiezen liever voor actie in de wandelgangen. Deze kruiende krachten in de kerk zijn mgr. Bär noodlottig geworden.

De slag om het middenveld in de RK kerk wordt hard gestreden. De crisis van de kerk hangt nauw samen met de identiteitscrisis van priesters. Het celibaat staat ter discussie. Tegenwoordig houden sommige geestelijken liever in concreto van één mens, dan in abstracto van velen en richten daar hun leven naar in. Openlijk kan dat niet, want dan volgen er repercussies. Het celibaat blijft de basis van het priesterschap en is tegelijkertijd een drukmiddel bij afwijkend gedrag. Het "aangeven' van overtredingen bij kerkelijke autoriteiten is niet ongebruikelijk, hoewel een enkele misstap in de besloten sfeer van biecht en barmhartigheid nog wel wordt getolereerd.

De erosie van het celibaat gaat gepaard met heftige debatten over homoseksualiteit. Problemen rondom "praktiserende homo's' onder geestelijken laaien binnen de rooms-katholieke kerk met regelmaat op. Het Werkverband van katholieke Homopastores klaagt dat de sfeer enger wordt; en juist zij vinden dat homoseksuelen ook in hun "lichamelijkheid' erkend moeten worden. Orthodoxen daarentegen zijn er van overtuigd dat de kerk in handen is gekomen van de "roze mafia'.

Actieve homoseksualiteit door geestelijken is zeker in behoudende kringen zonde in het kwadraat. Het herbergt alle onmogelijkheden in zich: het vroomheidsideaal van het celibaat is in het geding, terwijl homoseksualiteit op zichzelf volgens de leer al geen juiste ordening van de schepping is. Kardinaal Simonis kwam in 1987 in opspraak toen hij meende dat hij een rooms-katholiek die om gewetensredenen homoseksuelen als huurder weigert ""het recht moet laten om zo te beslissen''.

Doofpot

Eind vorig jaar - kort voor het Ad Limina-bezoek van de Nederlandse bisschoppen aan Rome in januari - kreeg Simonis notities overhandigd over mgr. Bärs vermeende homoseksuele contacten. Herman Jansen bood ze aan tijdens de presentatie van het boek In gesprek met Rome van de protestantse theologe drs. Martie Dieperink. Simonis zou het met mgr. Ernst bespreken. Dan verdwijnt het in de doofpot, dacht Jansen. Ernst heeft nu eenmaal niet de meest hartelijke contacten met de orthodoxen, die de bisschop van Breda wantrouwen.

Aanmerkelijk betere contacten hebben ze met het behoudende deel van het episcopaat. Zo praat Herman Jansen geregeld met bisschop Ter Schure van 's-Hertogenbosch over tal van zaken in het bisdom. In Brabant heeft Jansen een soort vertrouwensfunctie. Volgens insiders is aalmoezenier Jansen betrokken bij onderzoeken naar het rooms-katholieke gehalte van kerkelijke instituties, vooral in zijn bisdom. ""De affaire-Bär was maar één van de onderzoeken'', zegt een kennis. De affaire was ook bekend bij enkele kerkjuristen in opleiding; kennissen van Jansen die in Leuven kanoniek recht studeren.

Jansen is huisvriend van het echtpaar Reijnaerdts uit Eindhoven. Het echtpaar behoort tot het actieve, geëngageerde deel van de behoudende rooms-katholieken. Het was de heer Reijnaerdts, die op 12 maart - een dag voordat paus Johannes Paulus II ontslag aan mgr. Bär aanbood en ongeveer drie weken na diens plotselinge vertrek naar zijn Benedictijner abdij in het Belgische Chevetogne - de persafdeling van de bisschoppenconferentie belde: ""U weet net zo goed als ik dat de bisschop niet terug kàn komen. Als de waarheid niet tijdig bekend zou worden, zouden de roddelbladen er zich meester van maken''. Reijnaerdts zei over een ""zeer betrouwbare bron'' te beschikken. Die bron was dus niet ver te zoeken. Mevrouw Reijnaerdts-Dassen is voorzitter van de Vereniging van Vrouwen in de RK Kerk. Zij was al jaren van de geruchten over Bär op de hoogte, maar ze kon dit in verband met haar functie niet in de openbaarheid brengen.

Het telefoontje van de heer Reijnaerdts alarmeerde kardinaal Simonis. Op hem heeft de kardinaal formeel weinig invloed, wèl op zijn echtgenote, die voorzitter van de rooms-katholieke vrouwen is. De kardinaal zit in het comité van aanbeveling van deze 600 leden tellende vereniging. Ook mevrouw Reijnaerdts zegt een "spreekverbod' te hebben en houdt tot dusver haar mond hermetisch gesloten over de affaire. Daags voor de bisschoppenconferentie op 29 en 30 maart - de eerste vergadering na het vertrek van mgr. Bär - was de kardinaal druk in de weer om mevrouw Reijnaerdts te bereiken. Omdat hij haar niet aan de telefoon kreeg, vroeg Simonis aan een prominent lid van de RK Vrouwen de boodschap aan mevrouw Reijnaerdts over te brengen, dat terughoudendheid jegens de pers geboden was. De kardinaal wilde niet dat de vereniging van RK Vrouwen in diskrediet gebracht zou worden. Als er dan toch iets naar buiten gebracht zou worden, zou de heer Reijnaerdts dat maar moeten doen. Deze kon dat niet omdat het "dossier' bij Jansen lag, die een zwijgplicht opgelegd had gekregen.

Mgr. Bär was een verlichte man. Hij was bereid personen, die als homoseksueel bekend stonden, tot priester te wijden. Ook bisschop Ernst van Breda stelt zich in dit opzicht "tolerant' op. De spanningen moeten in Rotterdam soms hoog zijn opgelopen. Want zeker vicaris-generaal dr. W.J.M. van Paassen, rector van de priesteropleiding Vronesteyn in Voorburg, huldigt een traditioneel standpunt over de integratie van homoseksuelen in de kerk. Hij houdt onverkort vast aan een katholieke kerk met celibataire priesters.

""Rotterdam was de afgelopen jaren in de greep geraakt van de roze mafia'', aldus ingewijden. De "aantekeningen' waarover de aalmoe- b,11c4 zenier beschikte, bevatten informatie over homoseksuelen, die door Bär als priesterstudent waren voorgedragen en vervolgens door Van Paassen waren afgewezen.

Volgens de kerkelijke Codex moet een bisschop regelmatig de priesteropleiding bezoeken. Omdat Bär naar het oordeel van de staf van Vronesteyn ""te dicht op de opleiding zou zitten'' zijn vanaf 1990 diens contacten met studenten door statutenwijziging tot een minimum beperkt. Jaarlijks mag op Vronesteyn met elke interne en externe priesterkandidaat slechts een gesprek van één kwartier plaatshebben. In de jaren tachtig zat Bär zelf de adviescommissie voor ambtskandidaten voor, die beoordeelde wie er tot priester werd gewijd. Met de komst van Van Paassen in 1988 werd hem die taak ontnomen en werden priesterstudenten voortaan beoordeeld door rector en staf.

Vuile oorlog

Geruchten kunnen in de hiërarchische en gesloten rooms-katholieke kerk een dodelijk wapen zijn. Berucht is de zogeheten integralistenstrijd in het begin van deze eeuw, waarbij de kerk de strijd aanbond tegen het modernisme dat de ruimte had gekregen. Onder Pius X liep de vuile oorlog tegen het modernisme hoog op; zuiveringen gingen gepaard met verdachtmakingen van het meest onsmakelijke soort. Benedictus XV maakte er in 1914 een einde aan.

Bär wuifde geruchten over zijn privé-leven altijd weg. Hij liet zich niet snel uit het lood slaan. In de jaren tachtig trotseerde hij aanvallen van de vredesbeweging toen hij zich in het ICTO ("bommen-Bär')- de tegenhanger van het IKV - sterk maakte voor tweezijdige ontwapening. Bär stond altijd sterk in zijn schoenen.

In de aantekeningen van aalmoezenier Jansen zouden ""gevallen van onvoorzichtigheden'' zijn genoemd. Zolang "het dossier' niet wordt vrijgegeven, blijven alle verhalen over Bär hangen in de sfeer van verdachtmakingen en achterklap. Eén geval maakte Bär in elk geval kwetsbaar voor "praatjes' in conservatieve kringen: Hij verleende in de jaren tachtig in Den Haag onderdak aan een arts, die verlegen zat om woonruimte en die van zijn homoseksualiteit geen geheim maakt. Toen mgr. Bär naar Rotterdam verhuisde kwam de arts mee omdat hij niet zo gauw ergens anders onder dak kwam. Hij woonde nog maanden in een pand naast het bisschopshuis aan het Emmaplein, dat eigendom was van het bisdom en met de ambtswoning van de bisschop werd samengetrokken. Simonis, die Bär had benoemd tot vicaris-generaal, informeerde wel eens vriendelijk ""hoe de dokter zich voelde in de pastorie'', zo vertelt de arts. Van een relatie met mgr. Bär was volgens betrokkene geen sprake.

In orthodoxe kringen circuleerde ook de geschiedenis van een aids-patiënt uit Zoetermeer. Eind 1991 schreef Bär een sympathieke brief aan de man, die besmet was geraakt met het HIV-virus. De man had in de jaren tachtig een relatie met een priesterstudent - een late roeping van de opleiding de Bovendonk in Brabant - die weer een kennis geweest zou zijn van mgr. Bär. De man uit Zoetermeer had om vriendschap te kopen de priesterstudent een grote som geld geleend en was daarvoor de prostitutie ingegaan. Daardoor raakte hij besmet. De aidspatiënt wilde genoegdoening; zijn vriend had hem verlaten en - nadat hij zijn opleiding had gestaakt - verruild voor een vrouw. In een zeer uitvoerige en gedetailleerd verslag schreef hij in december 1992 aan Bär: ""Ik mocht vooral niet met u in gesprek raken als u H. in Zoetermeer bezocht, omdat ik per ongeluk mijn mond zou kunnen voorbijpraten en de waarheid van het moordende dubbelleven van H. aan het licht zou komen.'' De bisschop zou een oogje hebben toegeknepen toen hij vermoedelijk op de hoogte raakte van de relatie, schreef de aidspatiënt.

Bisschop Bär schreef terug dat hij zich herinnerde de briefschrijver in de omgeving van H. te hebben ontmoet en te hebben gesproken. ""Ik heb hem leren kennen als een zieke priesterstudent. Hij had zorgen en daarin heb ik hem wat kunnen raden. Al heel lang zie ik hem niet meer en bovendien is hij nu getrouwd. Dat was verreweg de beste oplossing.''

De aidspatiënt en zijn familie stuurden copieën van de brieven, waarin zijn noodkreet was vervat, onder andere ook naar de bisdommen Den Bosch en Roermond, de priesteropleidingen Bovendonk en het Utrechtse Ariënsconvict. In orthodoxe kring werd deze briefwisseling onmiddellijk opgevat als het zoveelste bewijs dat Bär over de schreef ging. De naaste medewerkers van Bär hebben hem enkele malen "geattendeerd' op geruchtvorming rondom zijn persoon.

Bovendonk

Priesteropleiding Bovendonk, die onder de jurisdictie van bisschop Ernst van Breda valt, was de RK Vrouwen een doorn in het oog. In 1989 schreven ze een uitvoerige rapportage over de opleiding. ""Uit betrouwbare inside information blijkt dat het voorkomt dat de priesterstudenten, als zij vrijdags aankomen, beginnen in een ontspannen sfeer, met drank e.d. om het gezellig te maken. Dat gaat soms door tot in de vroege uurtjes [...] Ook wat betreft sommige docenten hebben we gegronde reden om grote vraagtekens te zetten. De docent filosofie bij voorbeeld heeft openlijk meegedeeld dat hij homo is en ook zo leeft.''

Op basis van vertrouwelijke gesprekken met studenten en publikaties van docenten kwam er meer informatie beschikbaar. Een greep uit de kritische kanttekeningen: ""de leraar kerkgeschiedenis is zelf een Mariënburger en geeft een vertekend beeld van de Kerk, op de "verleidelijk redelijke' manier - Mariënburg eigen.'' ""Er wordt op Bovendonk veel over homofilie gesproken. Naar de stellige overtuiging van mijn informanten zijn er - althans tussen de studenten onderling - geen homoseksuele relaties op Bovendonk'', aldus de onderzoekster. Over het celibaat leven onder de studenten veel vraagtekens. Er zou, zo stelt de onderzoekscommissie, ten aanzien van het celibaat ""een diepgaande verheldering geboden moeten worden van de theologische fundering om niet te blijven hangen in de sfeer van "het hoort er nu eenmaal op het ogenblik bij'.''

En was het niet Jan van Hooydonk, lid en mede-oprichter van het werkverband van katholieke homopastores zelf die in het boek Priesters en relaties constateerde dat op Bovendonk het aantal homoseksuele cursisten boven het gemiddelde leek te liggen. Het is een bekend fenomeen: nogal wat homoseksuelen voelen zich aangetrokken tot de RK-cultus en spiritualiseren op die manier hun geaardheid. Mgr. Ernst zou volgens de RK Vrouwen de klachten in de doofpot hebben gestopt.

Kardinaal Simonis is gesteld op de loyale Vereniging van Vrouwen in de RK Kerk. Deze vereniging heeft het leergezag van Rome in de statuten opgenomen. Prominente leden van de vereniging onderhouden goede contacten met de kardinaal, met mgr. Bomers, mgr. Ter Schure en de vertrokken mgr. Gijsen.

Mevrouw J.J.M. van den Toorn-Jansen uit Schiedam, eerste voorzitter (tot 1991), is een bekende persoonlijkheid in katholiek Nederland. Zij was onder andere betrokken bij de oprichting van het Katholiek Nieuwsblad en van Rolduc. Daags voordat de paus mgr. Bär ontslag verleende - hij was toen al enkele weken in Chevetogne - kreeg zij een telefoontje van een lid van de vereniging: ""Jo, morgen heb je geen bisschop meer.'' Mevrouw Van der Toorn schrok oprecht, hoewel haar een jaar eerder duidelijk was geworden dat er een onderzoek naar de beweerde homoseksuele contacten van mgr. Bär op gang was gekomen. Bij de vereniging zelf was mgr. Bär altijd een van de meest gevraagde sprekers; zijn charmante, joviale optreden en warme, doorvoelde betogen spraken sterk aan. De vereniging heeft dan ook niets met de affaire-Bär te maken.

Ook andere katholieke insiders wisten van te voren dat Bär zou vertrekken. Het Katholiek Nieuwsblad meldde twee dagen na diens plotselinge vertrek (wegens ""psychische oververmoeidheid'') in een redactioneel commentaar dat Bär feitelijk zou zijn teruggetreden. Omdat in hetzelfde stuk ook de zetel van de herstellende mgr. Möller als vacant werd beschreven, beschuldigde kardinaal Simonis de krant van ""het bewust killen van twee bisschoppen''. De kardinaal, zo vertelt mevr. Van der Toorn was niet op de hoogte van het onderzoek tegen Bär. ""De groep wilde hem daar niet mee vermoeien.''

Orthodox

Ze noemen zichzelf behoudend, of orthodox rooms-katholiek. Velen stemmen op het GPV (""De SGP is anti-paaps'') en duizenden zijn lid van de Evangelische Omroep of de NCRV. Onlangs gaven ze acte de présence op de ontmoetingsdag van het Contact Rooms Katholieken, de tegenhanger van de progressieve Acht Mei-beweging: De Vereniging Vrouwen in de RK Kerk, De Stichting De Toekomst, de Vereniging voor Latijnse Liturgie, Una Voce, Maria Mater Kring, en vele andere. Het spectrum loopt van zeer devote bedevaartveteranen tot intellectuelen die vasthouden aan Rome als geloofscentrum en die in hun periodieken aandacht geven aan historische en exegetische onderbouwing van hun standpunten. Opvallend is dat prominenten uit deze beweging zich meer verwant voelen met orthodoxe protestanten dan met progressieve geloofsgenoten. Een soortgelijke ontwikkeling heeft zich ook in het progressieve kamp voorgedaan. De verzuiling van weleer, die deels langs religieuze scheidslijnen was opgetrokken, heeft plaats gemaakt voor de tweedeling: orthodox versus progressief.

De orthodoxen vormen getalsmatig een beperkte minderheid. Afgaande op publieke manifestaties hebben spraakmakende progressieven binnen de Nederlandse katholieke kerk een overwicht. De meeste gelovigen bemoeien zich überhaupt niet met de "scherpslijperij' van beide kampen.

De Umwertung aller Werten heeft naar het oordeel van de "fijnen' ook in de RK kerk alles op z'n kop gezet: het excentrieke is regel en het ongewone is normaal geworden. Een willekeurige greep uit de opvattingen van individuen: ""De katholieken worden niet meer voor vol aangezien, we zijn schietschijf geworden.'' ""De euthanasiewet is Hitleriaans.'' ""De theologie-opleidingen kunnen beter worden geliquideerd: liever geen priesters, dan slechte priesters, geloven doen we toch.'' ""De KRO is in handen van de homo's, de Acht Mei-beweging en de Mariënburggroep.''

Hun kerkelijke en maatschappelijke oriëntatie ontlenen ze onder andere aan het Katholiek Nieuwsblad, Katholiek Maandblad, Katholieke Stemmen, CDA Koers, RK Koerier, Zaken die God raken en vele internationale tijdschriften. Hun trauma: het Nederlands Pastoraal Concilie (1966-1970), dat de kroon moest worden op de hervoming van de Nederlandse kerkprovincie.

De nieuwe prijsvechter van "rechts' is mgr. Bomers van Haarlem (vanuit Limmen opereert het steuncomité Bomers onze bisschop). Hij verbrak de afgelopen maanden de relatie met het CDA - onder andere om de wet Gelijke Behandeling - werkte mee aan een nieuw, gezagsgetrouw blad voor het bisdom, De Apostel, en gaf medewerking aan een leefgemeenschap van behoudende buitenlandse priesterstudenten te Nieuwe Niedorp. Dat convict wordt gevestigd in een voormalig klooster, aangekocht door Piet Derksen die met zijn Center Parcs-vermogen de Stichting Getuigenis van Gods Liefde financiert. Bomers haalde zich de woede op de hals van dekens en pastoraal werkenden, die zich bij de pauselijke nuntius beklaagden over de ""vastgelopen situatie''.

Mgr. Bomers heeft in het gevecht tegen het modernisme de fakkel overgenomen van mgr. Gijsen, die - moegestreden in de frontlinie van de polarisatie - dit jaar plotseling opstapte. Hij had de schoolstrijd in Limburg verloren - slechts een handvol scholen ondertekenden het door hem opgestelde onderwijs reglement (ARKOR) en de rest van Limburg sloot zich aan bij het "ruimere' reglement van de andere bisschoppen (ARKO). De seksaffaire op Rolduc - door Gijsen ontkend - had zijn prestige ondergraven. En de ziekte van Crone zat hem al jaren op de huid.

Mgr. Bär was onthutst en geschokt toen hij van het plotselinge vertrek van collega Gijsen hoorde. Tegen vrienden zou hij later zeggen: ""Toen bekroop me het gevoel: ik ben de volgende.''

Prominente tegenstanders had mgr. Bär genoeg. Bisschop Ter Schure liet zich ooit ontvallen dat zijn collega Bär ""een ketter'' was. Zijn staf in Rotterdam droeg hem een warm hart toe, maar was soms sceptisch over de vele uren die hij als "society-bisschop' maakte. Mgr. Bär had nu eenmaal een dubbele agenda: was altijd in de weer voor de gelovigen - wat hem zeer geliefd maakte - en onderhield ambtshalve nauwe contacten met de politiek, met het leger.

Zijn tegenstanders hadden zo hun grote ergernissen: hij onderhield het contact met Acht Mei en Mariënburggroep en waagde het eind vorig jaar te pleiten voor het toelaten van gehuwde wijze oudere mannen (viri probati) tot het priesterambt. Zijn no nonsense beleid zat de orthodoxen dwars. Er waren vooral ook kleine irritaties, zoals het "staatsieportret' van Bär in Vrij Nederland van 20 februari met twee meisjes als misdienaar - terwijl de congregatie voor de sacramenten van het Vaticaan zich nu al zes jaar het hoofd breekt over de toelaatbaarheid van misdienettes. Maar de wrevel om de foto deed er niet meer toe; Bär was op het moment van publikatie al overspannen naar Chevetogne vertrokken.

Uitlekken

Het mes was geslepen. Mgr. Bär liep er in. Een handjevol katholieken met een ruime kring sympathisanten beschikte over "aantekeningen' over zijn homo-vriendelijke beleid, over geruchten in de privésfeer en over ""wantoestanden in het leger''. Aalmoezenier Jansen, die het niet langer met zijn geweten in overeenstemming kon brengen dat ook legeraalmoezeniers onder verantwoordelijkheid van Bär de grens van het celibaat overschreden, had in het onderzoek een soort secretariaatsfunctie. Bij hem kwam alle informatie terecht; het groepje is druk in de weer geweest om alle zaken vooral op hun hardheid toetsen.

Geopperd werd om de "aantekeningen' van de aalmoezenier te laten uitlekken. Niet in de Nederlandse pers, maar in een van de Duitse katholieke bladen waarin sommige orthodoxen meer vertrouwen hebben, zoals Der Fels en de Rheinische Merkur.

In de uithoeken van de RK kerk gonsde het volop over Bär. Slechts één vertegenwoordiger van de doorgaans zwijgende achterhoede, durfde dat openlijk toe te geven: de Maastrichtenaar J. Bongaarts, gepensioneerd procuratiehouder en drijvende kracht achter het extreme blad Confrontatie, een klaagmuur voor katholieken die in de moderniseringsgolf ontheemd zijn geraakt. Bongaarts is sinds het Landelijk Pastoraal Concilie in de jaren zestig een geharnast tegenstander van de vernieuwing. De oplage van zijn tijdschrift bereikte ooit een hoogtepunt van 15.000 vooral oudere abonnees, maar ""een niet aflatende stroom sterfgevallen'' heeft het abonneebestand inmiddels gereduceerd tot 750.

Zijn blad heeft geen actieve rol gespeeld in het vertrek van bisschop Bär, maar wel een passieve, denkt hij, door het op gang houden van de kritiek op de Rotterdamse bisschop, die aanvankelijk ""aardig op de lijn van Rome leek te zitten, maar later begon te zigzaggen.'' ""Toen kardinaal Simonis het overleg met de Acht Mei-beweging voor gesloten had verklaard, ging Bär toch nog met die anti-katholieke beweging praten. Dat soort dingen blijft in ons circuit niet onopgemerkt'' , zegt Bongaarts nu.

Aalmoezenier Jansen toog vorig jaar naar mgr. Th. Hendriksen, de oude prelaat, die onder Alfrink hulpbisschop was geweest en die in orthodoxe kring geen onbekende is. Hij wilde bij Hendriksen zijn hart luchten over de wetenschap die in zijn notities lag opgesloten. Daarna bezocht hij kardinaal Simonis, die met deze ""geruchten over geruchten'' niets deed, omdat Jansen anoniem wilde blijven. Begin februari waarschuwde Hendriksen - op verzoek van Simonis - Bär in een ""broederlijk gesprek'' voor ""geruchten''. Hendriksen en Bär kenden elkaar goed van de Vereniging voor Latijnse Liturgie. Bär was dankbaar voor het gesprek en wekte op dat moment niet de indruk de ernst van de dreiging te beseffen. 's Avonds ontmoette hij goed geluimd zijn collega's. Achteraf zou hij tegen vrienden hebben verklaard dat Hendriksen ""vaag was gebleven''.

De ontmoeting met de vroegere Kannunik Wim van der Valk op 16 februari bracht méér duidelijkheid. Bär zou later aan vrienden vertellen dat Van der Valk zo collegiaal was geweest om te zeggen wat er gaande was. De sjieke Van der Valk, die ooit vanaf de preekstoel mgr. Gijsen had aangevallen en vervolgens de wijk had genomen naar Antwerpen, was volledig op de hoogte. Hij heeft met aalmoezenier Jansen in contact gehad om kennis te nemen van de "aantekeningen'.

Op 17 februari kreeg Bär een telefoontje van Van der Valk. Vrijwel zeker heeft deze hem meegedeeld dat "ze' de volgende dag tot publikatie van de geruchten zouden overgaan. Bär vertrok hals over kop naar Chevetogne, waar mgr. Ernst hem drie dagen later ""uitgeput'' en ""kapot'' aantrof. Bär vroeg hem mee te delen dat hij ontslag had genomen. Het Vaticaan willigde het ontslag met opvallende snelheid in. Want de bisschop was zijn goede naam kwijtgeraakt. ""Fama Ruit'' (het gerucht verspreidt zich snel, red.), citeerde kardinaal Simonis Bär later.

Tijdens de ""dienst van woord en gebed rondom de lege bisschopszetel'', op 28 maart, sprak de vroegere vicaris-generaal van het bisdom Rotterdam W. van den Ende de hoop uit dat ""de bewerkers van dit kwaad aan de schandpaal genageld worden'' en hun namen aan de ""verachting'' worden ""prijsgegeven''. In een boodschap aan de gelovigen verklaarden de bisschoppen niet over ""gegevens te beschikken die op een complot tegen mgr. Bär wijzen''. Een enkel telefoontje met mensen uit zijn eigen invloedsfeer was voor de kardinaal waarschijnlijk voldoende geweest om klaarheid te krijgen, maar de codex - die de ene bisschop verbiedt iets tegen een collega te ondernemen - en de mores van de katholieke kerk staan dat kennelijk in de weg.

Oester

Mgr. Bär is weer thuis, in het klooster van Chevetogne. ""De convergentie van ontwikkelingen'' werd hem fataal, zoals dat in het oudste en meest ervaren bestuursapparaat ter wereld beschaafd heet. Te veel wegen leidden naar Rome. Bär, hoewel langzaam herstellend, geniet weer van de Benedictijnse spiritualiteit. Over de affaire is hij zo gesloten als een oester. De bisschop heeft vrienden laten weten niets voor "actie' te voelen, ""omdat er dan nog méér mensen op de brandstapel worden gezet.'' Vrienden en prominente Nederlanders zamelen geld in voor een cadeau ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag eind deze maand. ""In het donker was zwaar geschoten op deze aimabele man'', schrijft het comité van aanbeveling.

De aalmoezenier moet na de zomer weer aan de slag. Van der Valk hield zich lange tijd schuil, maar denkt weer na over promotionele acties op Nederlandse bodem: dit keer moet de St. Liduina/OLV Rozenkrans in Schiedam worden gered. De man van het pauskruisje en andere bevlogen campagnes van moderne geloofsverkondiging, die het zo goed met mgr. Bär kon vinden, weet misschien ook daar wel iets op te vinden. De kardinaal is druk in de weer met de benoeming van drie bisschoppen. En met de verzoening van alle gelederen in de RK kerk.

Na de zomer moet zij er komen: de encycliek over de moraal, Splendor Veritatis, de schittering van de waarheid.