Nederlanders verwachten dat de Duitsers het boetekleed aanhouden; Ambassadeur Klaus Citron

De Duitse ambassadeur in Nederland Klaus Citron onderging als kind in de Tweede Wereldoorlog een persoonlijke tragedie. Hij klom na zijn studie Franse letterkunde en een aantal reizen op tot diplomaat in een lange reeks steden. Na tweeëneenhalf jaar Nederland ziet hij veel verschillen, maar nog meer overeenkomsten tussen de beide landen. De afgelopen periode, met toenemende uitingen van vreemdelingenhaat in zijn land, is minder plezierig voor hem geweest. "Iedere maatschappij heeft een beperkte belastbaarheid en de Duitse is op dit moment überstrapaziert.'

Minister Genscher had hem gewaarschuwd. ""Het is niet makkelijk om Duits ambassadeur in Nederland te zijn'', zei hij tegen zijn planningschef Klaus Citron, toen hij hem vroeg die post te gaan vervullen. ""Ik wist dus waar ik aan begon'', zegt Citron (64) nu, na tweeëneenhalf jaar Den Haag. Zijn korte, bedachtzame lachje verraadt een ruime ervaring met de vaak ongemakkelijke Nederlandse houding tegenover Duitsers. ""Het was dus een uitdaging, in dubbele zin eigenlijk, want ik moest ook nog de grote Otto von der Gablentz opvolgen, die tijdens zijn zeven jaren hier erg is gewaardeerd.''

Citron schetst vervolgens het voor Nederlanders herkenbare beeld, dat iedere Duitser hier eerst zeer kritisch wordt bekeken. ""Men wil het liefst ook zo snel mogelijk weten wat hij in de oorlog heeft gedaan. Na zorgvuldig getest te zijn, wordt hij daarna meestal wel geaccepteerd en zegt men over hem dat het wel een goede man is. "Eigenlijk helemaal niet zo'n Duitser', dat is het grootste compliment dat je daarbij kunt krijgen.''

Er klinkt niets door van verbetenheid in zijn woorden, evenmin van gelatenheid. Hij constateert slechts feiten en die heeft hij geaccepteerd. Als ambassadeur wordt hij ook minder openlijk aan een dergelijk onderzoek onderworpen dan zijn landgenoten. ""In mijn functie heb je natuurlijk veelal met leidinggevende mensen te maken en die hebben in Nederland hun eigen vrede met Duitsland. Je merkt dat ook heel duidelijk in het parlement; daar hebben ze minder problemen met Duitsers en met Duitsland. Premier Lubbers en kanselier Kohl kunnen uitstekend met elkaar opschieten, bellen elkaar geregeld op. Politieke partijen in beide landen hebben intensief contact, er zijn voortdurend parlementsleden bij elkaar op bezoek, regio's aan beide zijden van de grens werken op steeds grotere schaal met elkaar samen.

""Mijn voorganger heeft eens gezegd dat de relaties tussen Nederland en Duitsland zo goed zijn als een diplomaat zich kan wensen. Dat is politiek gezien juist; er zijn weinig landen in de wereld waar de politieke en economische verstrengeling zo groot is als tussen onze beide landen. Er zijn simpelweg geen grote politieke problemen, in de Europese Gemeenschap zijn we het over vrijwel alles met elkaar eens en behoren we beide tot de drijvende krachten'', zegt hij in zijn zorgvuldig geformuleerde Nederlands, waarin nog slechts af en toe een Duits woord voorkomt. ""Het kan eigenlijk allemaal niet beter. En toch blijft dat andere aanwezig in Nederland.''

Tot dat "andere' behoren vooroordelen bij Nederlanders over hoe Duitsers zijn en de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog. Citron: ""Vooroordelen bestaan er natuurlijk niet alleen tegenover Duitsers. Mensen sluiten zich instinctief wat af voor hun buurlanden, zeker wanneer die groter zijn. Dat hoort erbij. Misschien zijn wij Duitsers op dat punt ook wel eens wat te gevoelig. Er bestaan in Nederland ook vooroordelen over Fransen en Belgen en je kunt hier ook mensen horen zeggen dat Italianen onbetrouwbaar zijn. Anderzijds, uit een onlangs gepubliceerde studie bleek toch duidelijk dat Duitsers onder schoolgaande jeugd het minst populair zijn.

""Ook die zeer begrijpelijke gevoeligheid over alles wat met de oorlog te maken heeft, vormt blijkbaar geen echt obstakel voor een uitermate goede relatie en voor die unieke politieke, economische en culturele verstrengeling. Dat heeft iets paradoxaal, iets dubbels.'' Klaus Citron spreekt deze woorden behoedzaam uit, zonder stemverheffing of emotie. Elke indruk van kritiek wil hij vermijden.

Ergert hij zich dan nooit aan de houding van morele arrogantie van Nederlanders tegenover Duitsers, heeft hij nooit de behoefte fel te reageren? Zijn antwoord is diplomatiek: ""Dat zouden Nederlanders niet zo goed vinden. Nederlanders verwachten toch dat Duitsers nog een beetje het boetekleed aanhouden en de verantwoordelijkheid voor de nazi-tijd met zich blijven meedragen. Maar morele arrogantie verwerp ik uiteraard, die is contraproduktief.

""Het mag geen verwondering wekken dat een achttienjarige in Duitsland geen persoonlijke schuld voor Auschwitz voelt. Hij heeft er ook geen begrip voor dat anderen dat wel vinden; hij moet nu toch ook als soldaat naar Somalië of deelnemen aan andere, gevaarlijke VN-vredesacties. Hij moet er zich, vind ik, vanzelfsprekend van bewust zijn dat Auschwitz iets is dat Duitsland ernstig belast, maar hij hoeft geen persoonlijk schuldgevoel te hebben. Ik heb de indruk dat Nederlanders dat gevoel soms toch bij elke Duitser willen aantreffen, ook bij degenen die niets met oorlog en holocaust te maken hadden.''

De ambassadeur zwijgt even, staart in zijn kamer in de kanselarij voor zich uit. Hij weegt zijn uitspraken nog eens zorgvuldig en komt dan, wat heftiger, met een relativering: ""Wij Duitsers geven natuurlijk zelf vaak het voorbeeld; wat dat betreft zijn we ook een beetje masochistisch. De meest kritische artikelen over Duitsland vind je in Duitse kranten. Een Nederlander die Die Zeit of Der Spiegel leest, heeft alle aanleiding om bezorgd te zijn. Er is natuurlijk ook reden om kritisch te zijn op ons verleden en op de vreemdelingenhaat van dit moment. Maar Bonn is niet Weimar en alleen met zelfhaat kun je geen stabiele politiek ontwikkelen.''

Welke verschillen tussen zijn land en Nederland zijn hem in de afgelopen tweeëneenhalf jaar het meest opgevallen? ""Ik geloof dat je ten eerste kunt zeggen dat Nederland stabieler is. Als je de jaren 1940-'45 wegdenkt heeft Nederland al heel lang een tamelijk rustige geschiedenis, eigenlijk sinds 1813. Het koningshuis vormde daarbij een stabiele modelfactor, evenals de verzuiling, waarbij binnen elke zuil stabiele regels golden. Die zuilen bestaan deels nog, bij de omroep en in de sport bij voorbeeld. Die zuilen hebben in feite ook een traditie van tolerantie tegenover andersdenkenden bevorderd.

""Het tweede verschil met Duitsland dat ik in mijn Nederlandse jaren heb gezien, is de grote coalitie van CDA en PvdA. Politieke problemen die er op grote schaal zijn, worden daardoor minder hard uitgevochten dan bijvoorbeeld in de Bondsdag. Meer algemeen geldt natuurlijk dat het in de Tweede Kamer veel vriendelijker toegaat dan in de Bondsdag, veel gelatener, geen gebrul, men spreekt er juist met zachte stem. De oppositie gaat ook veel minder agressief te werk, Bolkestein en Van Mierlo zijn gentlemen.''

De traditie is anders in Duitsland, constateert de ambassadeur. ""Harde politieke discussie is natuurlijk soms nodig, maar in problematische situaties, bijvoorbeeld bij noodzakelijke, grote bezuinigingen ten behoeve van werkgelegenheid, is meer nodig dan confrontatie. Dan moeten de politici met elkaar om de tafel. En dan merk je dat dat in Duitsland heel moeilijk is. Het heeft heel lang geduurd, voordat het Solidarpakt er kwam, een pakket van loon- en belastingmaatregelen. Het is gelukt, maar heel laat en met een bij-effect van Politikverdrossenheit, een afkeer van de politiek.

""Wellicht is de burger in onze maatschappij ook te verwend geraakt; hij verwacht gewoon te veel van de politiek: ieder jaar moet het beter gaan, moet hij meer hebben, dat is hij gewend. Intussen is Duitsland het land met de langste vakanties en het laagste aantal werkuren. Nu moeten we terug, en dat is moeilijk. Helmut Kohl zegt nu openlijk dat we in plaats van minder, méér uren moeten werken. De politieke partijen zouden hun achterban duidelijk moeten maken, dat we pas op de plaats moeten maken. We moeten als het ware terug naar de mentaliteit van de jaren zestig, toen iedereen bereid was meer te doen.''

De afgelopen periode, met toenemende uitingen van vreemdelingenhaat in zijn land, is minder plezierig voor hem geweest, zegt Citron. ""Niet dat Nederlanders mij slechter behandelen, maar ik leef mee met wat er in mijn land gebeurt en ik lijd als het misgaat en er dingen gebeuren die je niet meer kunt verklaren.'' Klaus Citron, geboren in mei 1929 in Berlijn-Schöneberg, denkt als hij dit vertelt aan de naoorlogse jeugdgroepen, die hij actief heeft helpen oprichten en die tot doel hadden een nieuw perspectief voor de toekomst te ontwikkelen. Onlangs is een conferentie georganiseerd voor leden van deze voormalige groepen. ""De bedoeling was dat we over die naoorlogse periode zouden praten. Ik heb voorgesteld, dat we het beter over het heden konden hebben, over wat we nú kunnen doen. Thuis, op school, in politieke partijen, in de vakbonden, op sportclubs moeten we erover praten en ons keren tegen vreemdelingenhaat. De mensen moeten zeggen: dat kan niet meer, dat aanvaarden we niet. Het overgrote deel van de mensen in Duitsland verzet zich tegen de brandaanslag in Solingen, maar het duurt even voordat ze echt actief gemobiliseerd zijn.''

Van de jeugdgroepen in de periode na 1945 komen we bij de oorlog en de nazi-tijd, die een aantal verwarrende ervaringen voor Klaus Citron met zich meebracht. De eerste was dat zijn vader, rechter bij het Oberverwaltungsgericht, de hoogste administratieve rechtbank in Pruisen, direct na de machtsovername door Hitler in januari 1933 werd ontslagen en tevens een schrijfverbod kreeg opgelegd. Hij was lid van de Republikanische Richterbund, die zich tegen de opkomst van het nationaal-socialisme keerde. Dat leverde problemen op voor de jonge Klaus Citron, die op de lagere school werd geconfronteerd met nazi-propaganda en niets over de situatie thuis kon vertellen. Zijn vader was "gepensioneerd', zei hij.

Nog voordat de oorlog losbrak, kon zijn vader de situatie niet langer verdragen: hij pleegde zelfmoord, in 1938. Citron: ""Ik vertel dit met enige schroom, want ik wil niet de indruk wekken dat mijn vader een man van het verzet was. Hij was meer een slachtoffer. Toen hij lid werd van de Republikanische Richterbund dacht hij geen moment dat dit ooit nog eens tot zijn ontslag zou kunnen leiden.''

Nadat de bombardementen op Berlijn begonnen waren, werd Klaus Citron met zijn school naar Silezië overgebracht, in het tegenwoordige Polen. Korte tijd terug in Berlijn, nogmaals op het land, totdat in 1944 de Russen dichterbij kwamen. In het dorp waar hij verbleef, Züllichau, nabij de Oder, moest hij met zijn klasgenoten maandenlang tankgrachten graven in weilanden. Een volkomen nutteloze bezigheid, want toen de Russische tanks kwamen, namen ze gewoon de weg, die men intact had gelaten. Vlucht naar Berlijn, waar de bombardementen nu zo sterk waren, dat Klaus Citron met zijn moeder en zijn zuster - een oudere broer was bij de Wehrmacht - in februari 1945 naar familie in Sleeswijk-Holstein vluchtte, in het stadje Schleswig. Daar maakte hij het einde van de oorlog mee.

In 1948 ging hij studeren in Kiel, aanvankelijk zwart, want er waren niet genoeg studieplaatsen. Hij wilde zeven talen tegelijkertijd leren, maar dat was te veel, zodat hij zich op Italiaans en Frans concentreerde en na een beurs voor Lyon en Parijs in de Franse letterkunde promoveerde op het thema ballingschap in de gedichten van Victor Hugo. Hugo had tijdens zijn zeventienjarige ballingschap op het eiland Guernsey met gedichten gestreden tegen Napoleon III. Naderhand werkte Citron korte tijd als leraar, vervolgens doceerde hij - in de hoop ooit een diplomatieke post te bemachtigen - Duits; een jaar in Parijs en drie jaar aan de universiteit van Bologna. Uiteindelijk ging zijn wens in vervulling: voor de Duitse buitenlandse dienst zat hij achtereenvolgens in San Franscisco, New Delhi, Kuala Lumpur, Rome, Brussel, Stockholm, Wenen en diverse malen in Bonn, dat hij en zijn vrouw Karin (twee kinderen, 30 en 27 jaar oud) inmiddels als hun thuishaven beschouwen. Als ontwapeningsexpert onderhield hij al voor zijn benoeming in Den Haag dertien jaar intensief contact met Nederland.

Op zijn laatste post, Den Haag, heeft hij al zijn diplomatieke training nodig, nu de activiteiten van een kleine minderheid in zijn land veel tact en uitlegkunde vragen van de ambassadeurs. De problemen waar Duitsland mee kampt, zegt hij, zijn ook bijzonder groot, veel groter dan in Nederland. De hereniging van de beide delen van Duitsland gaat met grote wrijving gepaard, er is een economische depressie en het land stroomt vol met asielzoekers uit vele landen in de wereld, vluchtelingen uit Joegoslavië en uit de voormalige Sovjet-Unie en etnische Duitsers ("Aussiedler') uit Rusland, Roemenië en Polen.

""In nog geen vier jaar tijd heeft Duitsland ruim drie miljoen mensen moeten opnemen. Op dit moment zijn het per jaar 440.000 asielzoekers, 79 procent van alle binnen de EG, en Aussiedler. In totaal hebben we 300.000 Joegoslavische vluchtelingen opgenomen, andere landen slechts enkele duizenden. Waarom laten de andere Europese landen ons daarmee zitten? Daarnaast heb je dan nog de illegalen, waar we alleen maar naar kunnen gissen hoeveel het er zijn.'' In Nederland zijn het afgelopen jaar 20.000 asielzoekers binnengekomen, staatssecretaris Kosto schat het aantal voor dit jaar op 30.000.

Burgemeesters, schetst Citron de situatie in veel Duitse gemeenten, weten niet meer waar ze de mensen moeten onderbrengen. ""Er is bijna geen sporthal meer beschikbaar voor sportbeoefening, omdat ze bezet zijn met asielzoekers en vluchtelingen. Trams, bussen, metro's zijn vol met buitenlanders. De kleine man zonder auto merkt dat, praat er thuis en met zijn vrienden over. Er ontstaan irritaties, ruzies met de omwonenden rond de asielzoekercentra. Normaal is dat niets bijzonders, maar in de situatie zoals die sinds de gebeurtenissen in Rostock bestaat, krijgt zoiets een explosieve lading.

""Daarbij moet bedacht worden, dat je in deze zaak twee volledig met elkaar verschillende werelden hebt. Aan de ene kant heb je Berlijn, een multiculturele stad als Amsterdam, internationaal, met nauwelijks problemen als het om vreemdelingenhaat gaat. Daar tegenover staat een kleine stad in Oost-Duitsland, met 30 tot 35 procent werkloosheid, en elke week komen er meer Roemenen binnen, zigeuners, die op de pleinen in de stad kamperen. Ik zeg dat niet om de gebeurtenissen in Mölln, Rostock, Solingen of waar ook te verontschuldigen. Maar ik denk wel dat iedere maatschappij een beperkte belastbaarheid heeft en de Duitse is op dit moment überstrapaziert.''

Als Nederland in dezelfde verhouding asielzoekers zou opnemen, kwamen er 123.000 asielzoekers per jaar bij, 100.000 meer dan nu het geval is. ""Als ik eerlijk ben'', zegt de ambassadeur, ""vrees ik dat Nederland bij een dergelijke instroom van buitenlanders ook problemen zou krijgen. Een aantal maanden geleden werd een groep van veertig zigeuners in Nederland nog van de ene naar de andere plaats doorgeschoven, totdat ze uiteindelijk het land werden uitgestuurd. Niemand wilde ze hebben, zo'n kleine groep. In Duitsland komen elke maand 7000 tot 8000 Roemenen binnen, voornamelijk zigeuners.''

Drie, vier jaar geleden, toen de instroom in Duitsland niet zo massaal was, aldus Citron, kwam geweld tegen buitenlanders nauwelijks voor. ""Niettemin heeft er iets in ons sociale systeem gefaald. Voor de bewoners van Rostock waren die flatgebouwen met buitenlanders, op straat kamperende Roemenen, bijna een cultuurschok. Dat die vluchtelingen na de belegering door grote groepen jongeren zijn weggevoerd, was nu precies het verkeerde signaal aan allerlei andere dorpen en steden. Aha, zo gemakkelijk gaat dat dus, dachten velen: gebruik van geweld heeft succes. Een falend stadsbestuur, een falende politie die met haar nog resterende Stasi-mentaliteit bang was om zelf te beslissen.''

We komen op een derde verschil, dat Klaus Citron in zijn periode tot nu toe in Nederland als verschil met zijn eigen land heeft ervaren: de media zijn naar zijn opvatting veel terughoudender en omzichtiger met de berichtgeving over geweld tegen buitenlanders. Citron is ervan overtuigd dat hierdoor een imitatie-effect wordt tegengegaan. Het brandende huis in Solingen was in Duitsland dag in dag uit op alle tv-journaals. ""Dat kan niet anders dan een imitatie-neiging opwekken bij wat labiele mensen. Jonge mensen in Rostock waren er trots op, dat ze op tv te zien waren geweest: Heb je me gezien? Het Herostratus-effect: de tempel aansteken om beroemd te worden. Het zijn niet allemaal rechts-extremisten of neo-nazi's voor wie zoiets verleidelijk is.

""Nederlandse media zijn veel voorzichtiger, gaan veel behoedzamer om met gedetailleerde beschrijvingen van criminele daden en met de motieven van de daders. De kans dat daardoor labiele mensen op een zelfde idee worden gebracht is daardoor een stuk kleiner. Aan de andere kant: in de misdaadberichtgeving vermelden de meeste kranten hier niet eens of de daders Turken, Marokkanen of gewoon Duitsers waren. Ik vind dat heel goed. In Duitsland wordt veel geschreven over criminaliteit door buitenlanders en dat werkt allerlei reacties in de hand.''

Klaus Citron is ook wat de berichtgeving over Duitsland betreft tevreden over de Nederlandse media. ""Meestal genuanceerde artikelen over deze uitbarstingen in Solingen en Rostock en over de gevolgen. Wat ik ook goed vind, is dat als er kritische artikelen over Duitsland in staan met koppen als "Het land waar ze mensen verbranden', er altijd na enkele dagen een artikel verschijnt dat dat weer in balans brengt.''

Iets soortgelijks gebeurde onlangs ook bij de door de KRO-radio op touw gezette actie met de "Ik ben woedend'-briefkaarten, waarvan er ruim een miljoen op de kanselarij van Helmut Kohl werden overhandigd. Voor de Duitse ambassadeur een onaangename ervaring, wellicht ook belastend voor de relaties tussen de beide landen, temeer daar de actie veel aandacht kreeg in Duitsland. Maar ook nu verscheen er in Nederlandse kranten een reeks artikelen waarin de actie werd aangevallen en de motieven van de organisatoren werden bekritiseerd.

Klaus Citron gelooft beslist niet dat Duitsers brutaler zijn of sneller bereid tot het gebruik van geweld dan Nederlanders. ""Wat ik wèl denk, is dat wij misschien een beetje te liberaal in onze opvoeding zijn geweest. Na de ervaringen met de nazi-tijd wilden we onze jonge mensen absoluut vrij laten opgroeien, zonder belemmeringen. In deze tijd is dat geworden tot een soort absolute vrijheid als levensdoel. Maatschappelijke regels tellen niet meer: wetten zijn er om overtreden te worden, zegt men niet alleen in kringen van de 6000 tot 7000 militante skinheads in Duitsland, maar in veel bredere kring.'' Politici hebben naar zijn mening veel te lang gewacht met maatregelen om de stroom buitenlanders in te dammen, door de grondwet op dat punt te wijzigen. ""Nu dat wèl gebeurt, is niet meteen alles opgelost, maar het is een noodzakelijke stap. Onze maatschappij kan die enorme stroom niet meer aan, die werkt destabiliserend.''

Waar Citron zich tegen verzet, is een te sterke koppeling van de nazi-tijd en de huidige gebeurtenissen. ""De herinnering aan die periode blijft uiteraard. Maar de Bondsrepubliek is al vele jaren een betrouwbaar partner, die heel sterk heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van Europa. Ook Helmut Kohl wordt op dat punt in Nederland steeds meer erkend. Kapsel ons in, zegt Kohl zelf, nu er nog een generatie de politiek bestuurt, die weet wat er toen is gebeurd. Dat moet niet, omdat men voor een soort herhaling zou moeten vrezen, maar ten behoeve van de problemen die op ons wachten in Oost-Europa. Die oplossen, dat kan niemand alleen, ook Duitsland niet. Als we ons nu uit elkaar bewegen in Europa, gaat alles kapot wat we hebben opgebouwd.''