Konrad Seitz: Europa blijft mentaal steken in het industriele tijdperk

Europa wordt een technologische kolonie van Amerika en Japan, als het zijn eigen high-tech industrie blijft verwaarlozen. In zijn bestseller Die japanisch-amerikanische Herausforderung richt Konrad Seitz zijn pijlen vooral op Duitsland. De visie van een veelzijdig econoom, annex classicus, filosoof en diplomaat. Zevende deel in een serie interviews met topeconomen over veranderingen in de wereldeconomie.

MILAAN, 10 JULI. Konrad Seitz is boos. In de wereld wordt een economische oorlog gevoerd. Deze keer niet om grond of koloniën, maar om markten en technologie. De winnaar wacht een glansrijke toekomst met aantrekkelijke banen en welvaart. De verliezer kan rekenen op een desastreuze werkloosheid, gewelddadigheid, ja mogelijk zelfs politieke instabiliteit.

Daarom is Seitz boos. Op de politieke en economische elite in Europa. Zij laten het afweten. Ze denken geen strategie uit voor de toekomst, maken geen plannen, durven geen nieuwe wegen in te slaan. Zij zijn niet eens in staat de gewone burger uit te leggen welk drama zich momenteel in de Europese bedrijven afspeelt. Politici, economen en ook te veel ondernemers worden bevangen door angst en dat blokkeert iedere verandering. Het zijn gescheiden elites. De economen bemoeien zich te veel met de theorie en kennen niemand in de bedrijven, de politici zitten gesoleerd in hun hoofdsteden en de ondernemers werken alleen voor hun eigen bedrijf.

Ongezouten spuit Konrad Seitz zijn mening over het politiek-economische klimaat in Europa. Deze politicus en econoom, die momenteel Duits ambassadeur is in Italië, was jarenlang strategisch topadviseur bij het ministerie van buitenlandse zaken in Bonn. Naast de Oost-West politiek was het industriële en technologische beleid in Europa zijn belangrijkste werkterrein. En ook vanuit Rome is Seitz actief als voorzitter van de Toekomstcommissie 2000 van Baden-Württemberg, het zuidelijke Silicon Valley van Duitsland en thuisbasis van Daimler-Benz dat zucht en kreunt onder de hete adem van de Japanse concurrenten.

Seitz, 59 jaar, heeft tal van publicaties op zijn naam staan in Duitse en internationale tijdschriften over internationale economie en politiek. Vooral zijn boek Die japanisch-amerikanische Herausforderung over de overlevingsstrijd van Europese en met name Duitse hoogwaardig-technologische industrieën heeft bij ondernemers en politici het nodige stof doen opwaaien. Allianties van Japanse en Amerikaanse high-tech bedrijven dreigen de Europese industrie genadeloos uit te schakelen. Lang waren de traditionele industrieën in Europa het hart van de economie. Nu zit Europa gevangen tussen de concurrentie uit Azië en in toenemende mate Oost-Europa die de oude industriëen met lage lonen ondermijnen èn de concurrentie van Amerippon high-tech bedrijven.

Zullen Europese en Duitse ondernemingen zich nog tijdig bijeen kunnen rapen om de Japans-Amerikaanse uitdaging te lijf te gaan? Of zal Europa na een lange leidende rol te hebben gespeeld, afglijden naar de periferie van de wereldeconomie, vraagt Seitz zich af, die met een doctoraat in klassieke taalkunde weet hoe grote rijken opkomen en in verval raken. Sommigen zien in deze industriële goeroe een Cassandra die voorspelde dat de Grieken Troje van binnenuit zouden vernietigen. Anderen vinden hem een onheilsprofeet. Toch hebben Seitz' waarschuwingen menig ondernemer nerveus gemaakt en bij Siemens, Bosch en vele middelgrote ondernemingen is zijn boek verplichte lectuur voor het management.

De economische ontwikkelingen lijken de Duitse industriële strateeg gelijk te geven. De Oeso voorspelt voor volgend jaar een recordaantal werklozen in Europa van 36 miljoen; een op de acht Europeanen heeft dan geen baan meer.

“Bij het nieuws dat er weer een Europees high-tech bedrijf is opgehouden ontbreken de dramatische televisiebeelden uit de burgeroorlog in het oude Joegoslavië. Maar de werkelijkheid is niet minder erg”, zegt Seitz in zijn sobere Romeinse werkkamer.

Bij het verschijnen van uw boek heerste er nog enige euforie over de toekomst van Europa. Wat is er mis gegaan?

“Veel industriëlen waren al bezorgd over de hevige concurrentie en hun afkalvende marktaandeel. Maar in een jaar is de stemming omgeslagen en is het debat over de concurrentiekracht, vooral van Duitsland, in alle hevigheid losgebarsten. Op zich heeft Europa een goede uitgangspositie. We hebben goed opgeleide werknemers, breder opgeleid dan in Amerika, er is één interne markt aan het ontstaan. Er liggen ook grote kansen, vooral in Oost-Europa.

“Wij kunnen met Tsjechië, Polen, Hongarije, later misschien Rusland doen wat de Japanners met Zuidoost-Azië hebben gedaan. We kunnen een strategisch industrieel verbond sluiten en alle eenvoudige werkzaamheden daar laten verrichten zodat Oost-Europa de grote toeleverancier wordt van West-Europa. Waarom moet Hoogovens ruwstaal produceren? Dat kan niet zonder de grenzen te sluiten, want de Oosteuropeanen en Koreanen doen het veel goedkoper. Europa gebruikt zijn goede uitgangspositie niet, zelfs niet nu Amerika en Japan met economische problemen kampen, halen we de achterstand niet in.”

Hoe komt dat?

“Er zijn twee ontwikkelingen aan de gang die Europa in problemen hebben gebracht. Zijn concurrentiepositie is in de jaren tachtig fundamenteel veranderd. In de klassieke industriëen was Europa, vooral Duitsland, altijd bijzonder sterk. We domineerden de wereldmarkten met auto's, machinebouw, chemie, elektrotechniek. In de jaren tachtig is West-Europa door concurrentie van snelle groeiers in Azië zijn exclusiviteit kwijtgeraakt en nu verliest het ook de prijsconcurrentie.

“Vooral Duitsland wordt volkomen weggeconcurreerd door de hoge kosten. De topman van Trumpf, een Duits bedrijf in werktuigmachines, klaagde laatst dat ze in hun fabriek in Zwitserland maar 78 procent betalen van het uurloon in Stuttgart, in Frankrijk 68 procent en in de Verenigde Staten 66 procent. En BMW-topman Von Kuenheim zei dat hij helemaal gek wordt van de bureaucratie en de regels. Als ze in München een gebouw willen neerzetten duurt het vijf jaar voordat de plannen worden goedgekeurd. Toen ze in Tokio een flat van elf verdiepingen lieten bouwen duurde het slechts zes weken. De enorme hoeveelheid regels in Duitsland knijpt elke poging tot innovatie af.

“Een andere ontwikkeling die Europa's concurrentiepositie heeft veranderd is de informatierevolutie die sinds 1980 in volle hevigheid is losgebarsten. Alleen doet Duitsland daaraan nauwelijks mee. Mentaal zijn we blijven steken in het industriële tijdperk. De Duitse welvaart wordt nog steeds gedragen door industrieën uit de éérste Industriële Revolutie - die de laatste tweehonderd jaar, 1780 tot 1980, omvat.

Duitse ondernemingen zijn niet innovatief genoeg. Waar blijkt dat uit?

“Er zijn zes sleutelindustrieën en in geen enkele van deze bedrijfstakken hebben we een leidende positie. Sterker, op de meeste gebieden hebben Europese en Duitse ondernemingen afgehaakt. De informatietechnologie, die dit jaar op een omzet van duizend miljard dollar wordt geschat, is de grootste ter wereld.

Maar Duitsers spelen op het gebied van chips, basistechnologiëen, bij computers, zendapparatuur op het gebied van telecommunicatie nauwelijks een rol. De informatietechnologie groeit zó snel dat het in het jaar 2000, op de olie- en autoindustrie na, de grootste industrie ter wereld zal zijn. Japan heeft in zijn Visie op het jaar 2000 bekend gemaakt dat deze industrie 21 procent aan het Japanse bruto nationaal produkt zal bijdragen en 2,5 miljoen banen zal scheppen. Hoe lang zal Europa zijn positie in de industriële automatisering, werktuigmachines, medische- en auto-elektronica nog kunnen houden? Een andere belangrijke industrie is de biotechnologie. Die zit nog in de beginfase. In 1991 bedroeg de omzet zes miljard dollar, in het jaar 2000 wordt die op honderd miljard geschat. Biotechnologie is de snelst groeiende technologie, maar in het Standort Deutschland treffen we niets aan. Dus alle medicijnen tegen aids, kanker, enzymen voor de chemie, milieuvriendelijke landbouwmiddelen zullen we moeten importeren.

“Hetzelfde geldt voor nieuwe materialen zoals hoogwaardige kunststoffen (polymide, aramide), fijnkeramiek, hoogwaardig ultraheldere glassoorten. Deze stoffen zijn de basis van veel nieuwe produkten en wat zien we? BASF trekt zich terug uit de koolstofvezels die gebruikt worden om kunststoffen voor de lucht- en ruimtevaart nog sterker te maken en Hoechst wil af van de hoogwaardige keramiek. De Japanners hebben uitgerekend dat meer dan zestig procent van de technische vernieuwingen de komende twintig jaar alleen ontwikkeld kunnen worden als het lukt om hoogwaardige nieuwe materialen te fabriceren. Daar moet je dus bij zijn. Talloze sleutelcomponenten worden al door de Japanners gemonopoliseerd.

“In de lucht- en ruimtevaarttechniek waren we de Japanners steeds voor, maar nu hebben we geen geld meer en in de zonne-energie, de belangrijkste energievorm in de informatiemaatschappij, heeft Duitsland een goede technologische basis. Maar ook hier gaan de Japanners met niets ontziende vastberadenheid door. In plaats dat we meer investeren in deze hoogwaardige technologieën trekken we ons terug.

U pleit voor een gerichte industriepolitiek door de overheid. Maar stimuleren subsidies innovatie? Sommigen menen dat het ondernemers lui en gemakzuchtig maakt.

“Nee, industriepolitiek is zo'n beladen woord. Ik wil helemaal geen ouderwetse industriepolitiek zoals die nu in traditionele bedrijfstakken wordt gevoerd. Ik vind het belachelijk dat wij de kolenindustrie direct en indirect zo'n 20 miljard mark geven om zeventig- tot tachtigduizend mensen in de meest miserabele banen die je kan bedenken aan het werk te houden. Dat is de ergste industriepolitiek die er is.

“Ik praat liever over een industriële strategie die voorwaarden schept zodat nieuwe industrieën kunnen ontstaan zoals in Japan gebeurt. Daar worden helemaal geen ondernemingen gesubsidieerd, maar speelt de overheid derol van bemiddelaar die toekomstscenario's ontwerpt en bedrijven bij elkaar brengt. Zoiets is ook in Europa, in Duitsland, mogelijk. Maar men komt hier niet eens op het idee. Dan wordt er meteen vertwijfeld geroepen: nee, industriepolitiek, daar voelen we niets voor. Hopeloos wordt ik ervan.

“Dan rolt er één grote gebedsmolen over je heen: 'industriepolitiek leidt tot subsidies', 'dat leidt tot protectionisme', 'wij zijn voor de vrije markt'. Men praat volkomen langs elkaar heen. Het is net een dialoog tussen doven. Al twintig jaar lang.

“Ik beweer juist dat de huidige politiek leidt tot het afsluiten van markten en tot vertwijfeling omdat we de werkloosheid èn de stroom immigranten niet meer kunnen beheersen. Dat kan onze democratie niet aan. Dan krijg je vreemdelingenhaat, gewelddadigheid. De werkloosheid zal buiten controle raken en dan gebeurt waar Balladur al mee dreigde, dan gooit Europa de grenzen dicht en werpt een fort op.

“Momenteel verdwijnen er honderduizenden banen omdat de Duitse industrie nu pas volop bezig is nieuwe produktietechnieken in te voeren - leanproduction, magere produktie wat in Japan en Amerika al veel eerder gebeurde. Hoogmoed komt voor de val. Twaalf jaar geleden zei de topman van een Duits autobedrijf in Japan dat hij niet naar de nieuwe geautomatiseerde fabriek van Toyota hoefde te gaan kijken omdat hij 'niet zag wat hij daarvan kon leren'. Wat een arrogantie!

“Als we de nieuwe groei-industrieën links laten liggen, waar komen dan de nieuwe banen vandaan? Met die vraag houden politici zich niet bezig. Ze worden alleen maar in beslag genomen door de verdeling van het bruto nationaal produkt, maar ze moeten zich eens gaan bezighouden met het ontstaan ervan. Vandaag of morgen komen de Japanners met een motor van keramiek en dan zullen zij ook de klassieke industrieën naar zich toe trekken.”

Bent u niet te optimistisch over de rol van de staat. Nemen bedrijven geen betere besluiten dan bureaucratieën?

“De Duitse economische politiek gaat er nog steeds vanuit dat de staat zich niet met het produktieproces mag bezighouden. Maar ik ben ervan overtuigd dat de opvatting dat de markt vanzelf alles regelt catastrofaal is want de markt regelt het zo dat de hoogwaardige technologische industrieën in Europa worden weggevaagd. De Fransen waarschuwden onlangs voor de snelle afkalving van de Europese elektronica-industrie. Ze willen dat de EG maatregelen neemt. En wat is de reactie van Duitsland? Wij geloven nog steeds in de theorie van het comparatieve kostenvoordeel en dat geldt ook voor high tech produkten, met andere woorden: laat de markt het maar regelen. Maar deze theorie is achterhaald. De econoom Ricardo bedacht dit in de negentiende eeuw toen natuurlijke hulpbronnen landen een aanzienlijk kostenvoordeel opleverde.

“De klassieke theorie is volkomen irrelevant bij de handel in high-tech produkten. Het feit dat Japan de markten voor geheugenchips en LCD's (vloeibare kristallen; red.) domineert of dat Amerikanen een leidende positie hebben in computers en microprocessoren, heeft niets te maken met natuurlijke hulpbronnen. Het gaat om de beschikbaarheid van kapitaal en goed opgeleide arbeidskrachten, onderzoekers, ingenieurs. In dit informatica-tijdperk is de klassieke theorie veel te statisch. We maken een tweede industriële revolutie door en dat vereist een Schumpeteriaanse dynamische benadering.

“De staat kan bedrijven bij elkaar brengen, zodat clusters van ondernemingen ontstaan naar het model van Harvard-econoom Michael Porter. Wat Clinton nu van plan is met die elektronische superhighway waarbij je thuis op de computer een netwerk van diensten kan ontvangen is heel stimulerend.

“Er zijn twee scenario's. Of we gebruiken onze mogelijkheden in Europa om werkelijk op grote schaal door te stoten in deze nieuwe industrieën. Het werkloosheidsprobleem wordt er niet door opgelost, maar het blijft beheersbaar. Of we gaan door zoals nu, zonder toekomstconcept. Dan krijg je een technologische woestenij en zal de werkloosheid zulke vormen aannemen dat Europa politiek instabiel wordt.”