Het wijwater van St. Andries lost alle twijfel op

Kloosters liggen meestal op stille, onherbergzame plaatsen, waar weinigen de monniken en nonnen in hun meditatie en gebed kunnen storen. Of niet? Correspondenten van NRC Handelsblad bezochten een aantal kloosters in de wereld. Vandaag deel twee van een zomerserie: de Benedictijner abdij Sint-Andries bij Brugge.

ZEVENKERKEN, 10 JULI. 's Avonds raak ik even de tijd kwijt - hoe lang zat ik te staren naar de zwaluwen die roekeloos over de binnenplaats van de abdij scheren? Tien minuten, een half uur? In de leegte die er heerst valt alles weg. Op een stoel voor het open raam raak ik me langzaam weer bewust van de omgeving. De kamer is wit, leeg, ruim en nieuw. Er staat een bed, een kast, een wastafel - geen telefoon of radio. M'n koffer staat in de hoek. Een vertrouwd gezicht. Ik ben in de Benedictijner abdij Sint-Andries, vlakbij Brugge - de rust is totaal.

Een uur geleden zat ik in de kapel, bij de avonddienst, vlak achter de monnikenkring, met een psalmboek op schoot. Na de vierde beurtzang durfde ik mee te doen. Zoekend en onwennig. De voorzanger zag ik eerder - de man die aan tafel de karbonades uitdeelde, zingt nu met z'n ziel, subtiel en zeker. De monniken vallen in. Gebed en zang versterken elkaar. “De liturgie is ademen voor ons”, had een pater me verteld. Viermaal per dag een vast ritueel in de kapel. Steeds ging ik er naartoe, om het monniken-bestaan te peilen. Ik zie een kring van 56 mannen, allemaal op zichzelf, maar toch met elkaar. Er heerst een intimiteit die ik niet ken. Er is stilte maar ook kracht en emotie. Het is een ritueel zonder routine. Alles is naturel. Bij de hostie twijfel ik; mag een niet-katholiek daarin delen? Bij het wijwater lost zich dat vanzelf op - de spetters zijn raak.

Die ochtend had ik met moeite een parkeerplaats kunnen vinden. De abdijschool, een internaat voor jongens en meisjes, hield ouderdag. Het had er vol gestaan met betere auto's. De abdijschool is befaamd in België; de zonen en dochters van welgesteld Vlaanderen gaan liefst "bij de paters' op school. Ze slenteren nu nerveus rond, in grijs flanel met stropdas of plooirok en blauw vestje. De spanning is te proeven - pa en ma komen de examenuitslag bespreken met de leraar.

Achterin een Mercedes zit een jongetje onderuitgezakt, het portier open, een been half naar buiten. Gezakt? Z'n ogen staan vol tranen, een stripboek ongelezen op schoot. Het moderne schoolgebouw detoneert niet met het klooster in Italiaanse stijl, de oprijlaan met beuken, het weidse park en de bossen - het is er campus, kerk en klooster tegelijk.

Pater Benot Standaert geeft me een rondleiding. De monniken baten nog een cafetaria plus terras met een paar honderd stoelen uit, een boekhandel, een congreszaal, een modern gastenverblijf en een kampeerterrein. Het klooster werd beroemd (en welvarend) door haar publikaties van het missaal, het gebedenboek, in diverse volkstalen.

De Benedictijnen staan midden in het roerige leven. Menigeen heeft bezigheden buiten de muren. De paters hebben allemaal een pieper onder hun pij. Als het "biep-biep' klinkt, smoren ze het geluid met een geroutineerde greep in het zwarte kleed.

De St. Andriesabdij werd in 1902 gesticht en fungeerde lang als "wereldabdij', een plek waar missionarissen uit heel Europa werden opgeleid voor hun vertrek naar Polen, China, India, Brazilië of Afrika. De voertaal was er tot eind jaren zestig Frans. Nog altijd is de band met de Derde wereld levend - pater Benot is één van de drie docenten aan het Instituut Gaudium et Spes, een theologische opleiding voor pastoraal werkers uit de voormalige missielanden, in één van de abdijgebouwen.

Benot Standaert trad in 1964 in, 19 jaar oud. Hij had zelf de abdijschool bezocht, maar met de jeugd die er nu zit, bespeurt hij “een diepe kloof”. Tegelijk voelt hij zich schuldig: “Omdat ik te negatief denk, kan ik te weinig van ze leren.” Pater Benot ziet in de jeugd van de abdijschool “een kwetsbare, broze generatie”. Als 19-jarige was hij zelf iemand met vaste overtuigingen, die een “roekeloze keus deed die me alleen maar vrijheid, groei en vreugde kon geven”. De jeugd van nu kiest voor veiligheid en rendement, meent hij. “Ze leven genietend en profiterend, zonder dankbaarheid en passie.” Echt "opgaan' in een spel of een bezigheid, ziet hij boven de 13 of 14 jaar niet meer. “De competitie uit de wereld van de volwassenen dringt al heel snel binnen”, constateert de pater. Bij de pubers staan technologie, "de cultuur van de lichamelijkheid' en het amusement voorop. Sport is pure wedijver geworden. Tijd voor zichzelf is er niet meer - wel een "spinneweb' van verplichtingen.

Ooit trok hij met een groepje uit de hoogste klas naar een trappistenklooster om er (op hun verzoek) een weekeinde “door te discussiëren”. Maar pater Benot kreeg het er danig benauwd. Niet alleen omdat de stilte er prompt met cd's en radio's werd verdreven. “Stilte was juist een ervaring die ik ze wilde bieden.” Vooral het gesprek viel tegen. “Op alle paradoxale vragen blokkeerden ze. Ik kreeg alleen retorische ad hominem reacties.” Is het zaliger te geven dan te ontvangen? Wat betekent het woord van Jezus - wie z'n leven verliest, die zal het behouden? Het was allemaal “niet voor ons”. Vragen over arm en rijk werden door de (welgestelde) scholieren vaak bedreigend gevonden. Het verhaal over de "roekeloze' keuze van de pater zelf, werd becommentarieerd met: “Dat zouden wij niet kunnen - daar hebben we al te veel voor meegemaakt.”

En dat is ook waar, verklaart pater Benot. Hij spreekt van een bedreigde, onstabiele jeugd die wordt getroffen door familie-crisissen, agressie, drugs, auto-ongelukken en ook zelfmoord. Het ontbreekt ze aan een “stevige basiservaring, aan vertrouwen, aan geloof en liefde misschien. Ze zijn koel, rap, clever en berekenend geworden. Ze worden overdonderd, ook door alle media van vandaag. Dus ze moeten vroeg kiezen om te kunnen overleven.”

Het "maagdelijke', het "gave' verdwijnt zo rond hun dertiende, zegt hij. Daarna groeit er een "cynische laag', er lijkt iets "verbrand'. Jammer vindt hij het. Als pater Benot met ze voetbalt, “dan voel ik me meer kind dan zij. Ik beleef er ook meer plezier aan”. Ook bij de jonge theologiestudenten van het San Anselmo college in Rome aan wie hij vier maanden per jaar exegese doceert, klopte hij op gesloten deuren. “Ik brand, de meesten branden niet. Ze zitten op hun eigen bootje, denken aan hun vakantie, sluiten zich af voor de armen, de Bosniërs, de Albanezen, de Palestijnen.”

De rondleiding is, met een bocht om het schoolgebouw, tot staan gekomen onder de lindebomen. We gaan zitten op een bankje bij de rododendrons. Er zijn ongeveer tien jaar voor nodig om monnik te worden, meent hij. “Pas dan is er een zekere vrijheid doorgebroken.” Hij omschrijft de vorming tot monnik als “leniger en armer worden, een altijd maar afdalen, het loslaten en afgeven van elke vorm van zelfrealisatie. Het idee altijd maar "aan je trekken' te willen komen, het steeds maar willen doorstoten. Je laat alles los, ook je gekrenkte zelfbeeld.” Het is, weet pater Benot, een pijnlijk proces. “Je gaat door diepe lagen van verdriet.” Maar het resultaat beantwoordt aan de spreuk: "Wie z'n leven verliest, die zal het behouden'. “Je stopt met anderen te veroordelen, met het projecteren van schuld. Je houdt op jezelf te verklaren en te rechtvaardigen. Je verzoent je zo diep met je zwakheden dat je er niet meer aan hoeft toe te geven. En val je toch, dan val je altijd in de hand van God. De kracht waarover je dan beschikt komt heel diep van binnen. Het is ontvangen kracht, geen prestatie-kracht. Er ontstaat een ongedeerd zelf, dat niemand je kan afpakken. Niemand kan meer op je tenen staan, omdat je geen tenen meer hebt. Er komt iets "zeer wijs' voor in de plaats, waardoor ieder bij je naar binnen kan, de duivel incluis, omdat je enorm zuiver in het leven staat.”

Het doet denken aan een oefening in zelfontkenning, werp ik tegen, een afbreken van het ego. “Nee, het ego blijft bestaan, maar wordt ontmaskerd, uitgekleed. Het ego moet breken, als brood. Het moet zich afgeven, een receptief worden voor het grote gebeuren, als in het woord van Paulus - Niet ik leef, maar Christus leeft in mij. De ego als locativus, dus.” De echte "meesters' zijn “bezocht, bewoond, bevrijd - die zijn niet alleen in zichzelf, maar in Christus”.

Leven in een klooster betekent “voortdurend bemind en vertrouwd worden. Dat is veel sterker dan ouderlijke liefde. Het eigene van monastiek leven is dat je niks toegedekt kunt houden. Een jaar of vijf lukt dat nog, leven met gesloten potjes. Maar het is niet zoals in de buitenwereld, waar je afgeschermd kunt zijn. Wij moeten alles tot op de bodem voor elkaar leesbaar maken. Het goede, slechte, zieke en gezonde.”

De volgende ochtend zit ik bij de abt, pater Paul Standaert, een oom van Benot en jarenlang directeur van de abdijschool. Een goed monnik noemt hij iemand die “aandacht heeft, en zorg voor andere mensen. Liefde voor God vloeit daar uit voort. Je ervaart dan dat er iemand ook aandacht heeft voor jou”. Wie dat niet heeft kan het leren, meent hij. “Het is een training in leren kijken en luisteren. In mens zijn met de mensen. Je wordt er gevoeliger door, veeleisender ook en kwetsbaarder. De functie van de abt is de broeders daarin te begeleiden.”

De abt herkent de klacht van pater Benot over de jeugd. Zelf noemt hij die "onstabiel en hyper-emotief”. “Emotioneel zijn ze zeer ontwikkeld, maar ze hebben het niet onder controle. Ze hebben het echt heel moeilijk.” Het valt hem ook op dat ze “zeer rechts” evolueren. Ze zijn kennelijk op zoek naar de "vaste waarden' die ze thuis en in de samenleving niet meer worden geboden. De abt neemt die tendens ook in de kerk waar. “Men zegt mij dat kloosters weer succes krijgen als alles weer in het Latijn wordt gedaan, wij ons weer kaal scheren en nooit meer buiten komen. Er zijn ook al kloosters in Zuid-Frankrijk die zo weer leven; daar gaat zelfs jeugd uit Nederland naar toe.”

Hij maakt zich zorgen over de toekomst van abdijen als St. Andries. “Kennelijk geven wij die waarden niet meer zo evident door.” Er is weliswaar een grote media-belangstelling voor kloosters, “maar niet van een soort die we willen. Men is op zoek naar het cultuur-historische, het esthetische, naar de wortels. Men duwt ons terug in het verleden, terwijl we juist centraal in het heden staan. Wij kennen alle problemen van de samenleving”. Het klooster probeert met zijn toeristische bedrijf “op te pakken”, maar de abt constateert dat de kloof groot is. “Het kloosterleven intrigeert de mensen, maar men kent de geloofstaal niet meer. Er zijn er veel die hier komen, maar weinigen die terugkomen. De vragen zijn vaak oppervlakkig. Het is soms net als bij de schoolexamens; je proeft dat de stof niet is begrepen.” Tegelijk ervaart hij bij voordrachten dat spreken op een evidente, overtuigde manier over het geloof door zijn gehoor niet wordt geaccepteerd. “Hoe durft u zo te spreken, zegt men mij. Men is zelf onzeker en wil dat ook van mij horen. Dat vindt men waarachtiger.”

Vader Abt zoekt nu naar oplossingen, naar een “verbreding van de horizon. We moeten aan reconversie doen. De tijd van de missie is voorbij, misschien moeten we dat werk nu in Europa gaan doen. Een nieuwe evangelisatie van Europa”. Zelf neemt hij op verzoek van de Europese Commissie deel aan een "denkgroepje' van abten van verschillende Europese kloosters. “Jacques Delors heeft de kerken heel direct aangesproken. We zijn nu aan het nadenken over de abdij in het Nieuwe Europa. Hoe kunnen wij die Europese mens leren kennen, z'n ziel, z'n waarden en beleving - Europa is méér dan Maastricht, is het idee.”

Als we de spiritualiteit aan de wereld willen meegeven, moeten we eerst die wereld leren kennen, zegt hij. Dat vraagt een open, leergierige, onbevooroordeelde houding. “De kerk heeft dat niet altijd begrepen. Daar denkt men dat de kerk het weet. Veertien, vijftien eeuwen traditie, dat is een ongehoord gewicht. Dat leidt tot een grote zelfverzekerdheid en dat is onjuist. St. Andries moet een plaats worden waar echt geluisterd wordt naar die wereld.”

's Middags weet ik weer precies hoe laat het is. Het is tijd om weg te gaan. Het schoolgebouw is verlaten. De auto staat nu alleen op de parkeerplaats. Ik versnel de pas. De eucharistieviering van twaalf uur sloeg ik over - de onrust lokt. Terug, de imperfecte wereld in. Ik voel me vreemd opgelucht. Het grintveld geeft mooie stofwolken.