HET MOLUKKENKAMP

Fietsend op weg naar de zoveelste school rook ik het voor het eerst. Vreemd eten!

Landerig Teuge vóór de oorlog, boerderijtjes en landgoederen om een vliegveld met golfplaten hangars. In het voorjaar van 1940 arriveerden de Duitsers die twee Nederlandse aannemers de opdracht gaven een kampement te bouwen, de bunkers kregen het uiterlijk van een boerderij. Tot op de dag van vandaag straalt de bouwkwaliteit eraf: gründlich. Na twee jaar was alles klaar, in 1945 alles voorbij. Begin augustus landde er een legergroene Dakota. De bijna voltallige koninklijke familie liep weer door het Hollandse gras, enkele jaren later gevolgd door een ditmaal tropische verrassing in de gedaante van 400 Molukkers, van wie de mannen dienst deden in het KNIL. De bunkers fungeerden nu als tijdelijk onderdak. Met hun komst verdubbelde het aantal inwoners van Teuge. Het werd passen en meten, Nederland was nog tolerant, het ging. Ontroerend zijn de klassefoto's van het dorpsschooltje waar de verhouding langzaam één op één werd, de eerste fietslessen, men was behulpzaam, nieuwsgierigheid won het van achterdocht.

's Winters zag je ze niet zoveel op straat, maar als het warmer werd wiegden de soepele vrouwen in kleurige wikkelrokken naar de centrale keuken of deden buiten de was. De mannen stookten vuurtjes, rookten, vliegerden of gaven in hun sjofele uniformen marcheerlessen. De nagespeelde loopjes van Jimi Hendrix' "All along the watchtower' klonken tot diep in de nacht over het doodstille vliegveld.

Ik probeerde vriendschap te sluiten, na zéér lang wikken en wegen hunnerzijds mocht ik naar binnen. De jongens waren vaak zeer goed gebouwd, prachtig gekleed en dànsen dat ze konden! Dat wekte de jaloezie op van de boerenjongens. Ze pakken onze meisjes af! Houterige tieners waren het, die vreesden al in verwachting te raken bij de allereerste tongzoen. Massale vechtpartijen volgden, waarin de Molukkers zich als een groep spreeuwen op een kersenboom stortten. De blanda's verdedigden zich met bierflesjes, waaruit ze haastig de bodem sloegen. Gekreun, gevloek en daar bovenuit het sopraan-gegil van hun meisjes.

M'n eerste Molukse vriendinnetje rook naar kaneel en zoethout en kondigde haar komst steevast aan met gefluit en fietsgebel.

Weer moesten ze hun onderkomen verlaten, niet om dan toch eindelijk terug te gaan naar het moederland, maar omdat hun werkgever in zijn eindeloze alwetendheid had bedacht dat het beter voor ze was zich te mengen met de Nederlandse bevolking.

Ik zag haar terug in 1973, staand achter het raam van een Apeldoornse flat, verlegen zwaaiend met een kind op haar arm. Jaar na jaar zijn we elkaar blijven tegenkomen, bij de treinkapingen, ontruimingen, onderhandelingen met papa Van Doorn, bruiloften, liefdes.

Vught, 5 juli 1993. In de stromende regen wacht een groepje journalisten op de komende, misschien hardhandige verwijdering van de laatste oudjes die zich verzetten tegen hun vertrek uit Lunetten. Ze hebben zich in hun wooncontainers verscholen. Een gebrilde agent in korte mouwen komt aanlopen en meldt het kletsnatte groepje dat er vandaag niets zal gebeuren. Een bandrecorder van een populaire omroep vraagt teleurgesteld: ""Waarom niet?''.