Het hele universum in een zandkorrel, het leven als een zak vol stro; Materieschilders terug in de aandacht

Tentoonstelling: Meesters der materie. Materieschilderkunst in een internationaal perspectief. T/m 22 augustus in het Noordbrabants Museum, 's-Hertogenbosch. Open di-vr 10-17u., zo 12-17u. Catalogusprijs ƒ 45,-

Het woord materieschilderkunst is sterk verbonden met de jaren vijftig. Het roept een somber beeld op van verweerde muren, woestijnen, gebarsten aardkorsten en maanlandschappen. Omstreeks 1945 begonnen Jean Dubuffet en Jean Fautrier in Parijs te experimenteren met andere materialen zoals zand, lijm, gips, gedroogde bladeren. Hun voorbeeld vond spoedig navolging bij andere Europese schilders.

Wie zich met deze periode in de kunstgeschiedenis bezighoudt, globaal tussen Cobra en "nouveau réalisme', krijgt te maken met een verwarrende hoeveelheid termen die elkaar gedeeltelijk overlappen en naar verwante kunstuitingen verwijzen. Vergeleken met etiketten als lyrische abstractie, abstract expressionisme, informele kunst, art autre, tachisme, école de Paris klinkt "materieschilderkunst' in ieder geval helder en concreet.

Onder deze noemer is in het Noordbrabants Museum in Den Bosch werk bijeengebracht van negen kunstenaars uit vijf Europese landen. De Nederlanders Wim de Haan, Jaap Wagemaker en Bram Bogart (die sinds 1960 in België woont) vormen de kern van de tentoonstelling - Dubuffet en Fautrier uit Frankrijk, Karl-Fred Dahmen en Emil Schumacher uit Duitsland, de Italiaan Alberto Burri en de Spanjaard Antoni Tàpies zorgen voor de internationale context.

De materieschilderkunst zit weer in de lucht, constateert directeur Margriet van Boven van het Noordbrabants Museum. De laatste tijd zijn de veilingprijzen sterk gestegen en ook uit publikaties en exposities blijkt een hernieuwde belangstelling. Haar stelling wordt bevestigd door de retrospectieve van Schumacher die nog deze maand in het Haags Gemeentemuseum te zien is. De organisator van deze tentoonstelling, Rudi Fuchs, heeft inmiddels aangekondigd dat hij ook in het Stedelijk Museum Amsterdam aandacht gaat besteden aan de jaren vijftig. Kortom, er is voldoende aanleiding om je opnieuw in deze materie te verdiepen.

Overigens zijn dit soort "modes' betrekkelijk: Dubuffet en Tàpies zijn in het Stedelijk eigenlijk nooit "weggeweest', bij zomeropstellingen doken ze altijd weer op uit de dépots.

Bij een nadere vergelijking tussen de deelnemers aan de expositie in Den Bosch blijkt echter hoe bedriegelijk die ogenschijnlijke helderheid van de term materieschilderkunst is. De bedoelingen van de kunstenaars zijn vaak heel verschillend en zij hebben zichzelf nooit als groep gemanifesteerd. Zo is er bijvoorbeeld bij Dubuffet en Tàpies eigenlijk alleen sprake van een - letterlijk - oppervlakkige overeenkomst in de aandacht voor materiaal en textuur. Dubuffet, die pas na zijn veertigste besloot kunstenaar te worden, was een groot verzamelaar van art brut, kunstuitingen van primitieven, geesteszieken en andere outcasts van de westerse samenleving. Onze cultuur beschouwde hij als een "dode taal' en deze werken inspireerden hem tot zijn "anti-culturele stellingname', tot een kunst die "rechtstreeks geënt is op ons dagelijks bestaan'. Dubuffets materiaalgebruik is bijzonder en inventief: soms is niet duidelijk of je iets uit de verte ziet of van dichtbij. Het is onzeker of alleen zand is afgebeeld of een hele woestijn. Uit zijn karikaturaal getekende figuren en portretten - de grijzende kop van Francis Ponge op de tentoonstelling is hiervan een mooi voorbeeld - blijkt zijn sarcastische kijk op de mens.

Bij Tàpies is de mens zelf geen motief. Alleen uit tekens op verweerde muren, (voet)sporen of een gesloten deur blijkt zijn aanwezigheid. Tàpies heeft een voorkeur voor materialen als zand en stro, die voor hem de nietigheid van de mens en de diepste overeenkomst tussen mens en natuur symboliseren. In een zandkorrel kun je het hele universum zien, een zak vol stro roept op tot meditatie over de oorsprong van het leven. Een van Tàpies' inspiratiebronnen is het taosme.

Lezing van de afzonderlijke biografieën in de uitvoerige, rijk gellustreerde catalogus brengt de verschillen tussen de kunstenaars wel aan het licht, maar de poging om een eenheid te creëren blijft uitgangspunt. De tentoonstelling krijgt daardoor iets geforceerds. In de catalogus leidt dit tot aanvechtbare uitspraken. Zo zouden de materieschilders, anders dan Dada-kunstenaars niet relativeren, "zij verabsoluteren eerder het materiaal waarmee ze werken en voor alle schilders staat het maken van een goed schilderij voorop'. Maar wat verstonden zij onder een goed schilderij en welke schilder wil dat trouwens niet? Juist deze schilderijen keren zich tegen gangbare opvattingen van goed-slecht, mooi-lelijk. Opvallend is dat wat toen behoorlijk ruig overkwam, zoals het werk van Wagemaker, nu in onze ogen geacheveerd is.

In plaats van dit overzicht was het interessanter geweest om een of twee tentoonstellingen te wijden aan de - relatief - onbekende Nederlanders De Haan en Wagemaker. Maar als de tekenen niet bedriegen zal dat niet lang meer duren: oeuvre-catalogi van beide kunstenaars staan op stapel.