Hans Croisets fascinatie voor het toneel in de taal

"Finale', Radio 5, zaterdag 16.02-17.10u

In augustus 1994 neemt Hans Croiset afscheid als artistiek leider van het Nationale Toneel uit Den Haag. In een mooi gesprek met Loes van Toorn voor het programma Finale verduidelijkt Croiset zijn keuze: het leiderschap van een groot gezelschap verstikt zijn verlangen om te regisseren en toneel te spelen. Croiset: “Een gezelschap is een sterrenstelsel, niet in de betekenis van welke ster hoog boven aan het affiche staat. Maar een stelsel van wegschietende kometen, van ego's die elkaar niet verdragen." Ger Thijs gaat Hans Croiset opvolgen.

De onvervangbare verdienste van Croiset is gelegen in zijn inzet om Nederlandse stukken uit onze eigen klassieke tijd op te voeren. Recentelijk was dat Moortje, eerder mochten de Gijsbrecht, Adam in ballingschap en Lucifer zich in zijn regisseurshand verheugen. Het interview opent met enkele behartigenswaardige uitspraken. Zo ligt Croisets eerste fascinatie voor het toneel in de taal. Met regisseren wil hij de rijke bron van de Nederlandse taal aanboren en aantonen dat het hedendaagse Nederlands zijn wortels heeft in de tijd van Vondel en Bredero. Opmerkelijk ook is zijn uitspraak dat Nederlandse acteurs altijd moeite zullen houden met vertaalde toneelteksten, zelfs die van Shakespeare, door wie ook vertaald: het is of vertaald Nederlands minder toegankelijk is voor de speler, stroever is voor dictie en tongval, dan een zeventiende eeuwse tekst. Uiteindelijk zal de toneelspeler zijn weg in het zeventiende eeuws vinden, en steeds meer door de taal van vroeger gentrigeerd raken.

Toch zou het onterecht zijn de veertigjarige toneelcarrière van Hans Croiset exclusief te verbinden met onze klassieke schrijvers. Hij is bij voorbeeld de eerste geweest die Jean Genet naar Nederland haalde. En voor het Nederlandse toneel herontdekte hij niet alleen Vondel, hij stimuleerde Karst Woudstra tot enkele toneelstukken, waarvan Een zwarte Pool tot nu toe het schitterende hoogtepunt vormt.

Liefde voor vergeten literatuur, daar draait het om in Finale. Jacqueline Bel haalt op animerende wijze enkele vergeten schrijvers uit het Nederlandse fin-de-siècle naar boven. Ze schreef daarover een proefschrift, waarin ze terecht enkele correcties op de zogenaamde officiële literatuurgeschiedschrijving aanbrengt. Zo breekt ze een lans voor de plaats van de Nederlands-Indische literatuur in het exotisme van het einde van de vorige eeuw. Iets waar nauwelijks iemand zich om bekommert, behalve natuurlijk de, in dit geval, uitstekende en onbevooroordeelde lezeres.

Er is één zaak die me niet bevalt in Finale. Dat zijn de uitspraken van H.J. Wesseling. Hij zegt dat er, behalve Couperus, geen grote fin-de-siècle schrijvers zijn. Dat is onzin; Jacqueline Bel kan daarover getuigen. Zij weet waarover ze het heeft. Ook beweert hij dat er op dit ogenblik geen schrijvers zijn die "lijden aan de werkelijkheid'. Meneer Wesseling, heeft u weleens goede hedendaagse boeken en romans gelezen? Ik ben bang van niet. Luistert u nog eens goed naar de twee anderen in hetzelfde programma, voor wie liefde voor toneel en literatuur gekoppeld is aan intellectueel inzicht. En zij beiden, Jacqueline Bel en Hans Croiset, hebben iets te vertellen dat uit het hart komt - en dat is het enige waar het om draait.