Goed nieuws (2)

In het Whitney Museum of American Art is tot 19 september een tentoonstelling van vijfentwintig schilderijen die Edward Hopper tussen 1906 en 1909 in Parijs heeft gemaakt. Hij hoort met Van Gogh tot de weinige schilders wier werk in tienduizenden, of misschien wel honderdduizenden ansichten over de wereld is gegaan en ik zou niet weten wat daar tegen is, maar in zo'n geval is het altijd een kleine selectie uit een heel groot oeuvre, en of je wilt of niet, de hoogtepunten op de ansichtkaarten zetten zich vast in je geheugen. Het is niet verantwoord en het is onrechtvaardig, het is alsof je Beethoven vereenzelvigt met Für Elise, het is een onderdeel van het menselijk tekort maar tegen de ansichtindustrie staan we machteloos. Hopper is dus bijvoorbeeld Nighthawks, het schilderij van drie mannen en een vrouw in een overigens lege bar (Phillies) op de hoek van twee lege straten op een avond die overigens ook door leegheid wordt bepaald. Zelfs het weer is leeg. Zo is er de vrouw in de hotelkamer aan het einde van de wereld, of het schilderij Hotel Lobby, een ruimte bevolkt door drie mensen die onder Hoppers handen niets met elkaar te maken hebben. Hebben de existentialisten hem tot hun schilder uitgeroepen? Het ligt voor de hand. In ieder geval zijn al die doeken ansichten geworden.

De schilderijen die Hopper in Parijs heeft gemaakt laten geen misverstand bestaan: dit is de Franse hoofdstad. De Notre Dame, boten op de Seine, nergens anders wordt het zo aangetroffen. Hij was vierentwintig toen hij daar voor het eerst kwam, zijn werk had nog niet de signatuur gekregen die ik hierboven heb aangegeven. Het werk heeft een vleugje lieflijkheid maar toch is dit niet de stad van een Parijse schilder, of een Europese. Het is het Parijs van Hopper. Dat was voor mij het duidelijkst te zien op Le Pavillon de Flore waarvan het dak door de manier waarop het is geschilderd al zonder veel moeite verplaatst kan worden naar de deprimerende architectuur die hij daarna in Amerika heeft vastgelegd.

Nu was het 4 juli, Onafhankelijkheidsdag, 's avonds om een uur of acht en prachtig weer, een hemel zonder wolken en nog geen hittegolf. Ik zat buiten te eten aan de Tiende Avenue tussen de 22ste en de 23ste straat. Het leek me een punt vanwaar ik het voor die avond aangekondigde grootste vuurwerk aller tijden goed zou kunnen zien zonder eerst met een tocht in het openbaar vervoer veel tijd te verliezen en dan in het gedrang terecht te komen. Daar in de buurt staan geen hoge gebouwen; aan de overkant van de Avenue alleen huizen in uiteenlopende staat van verval, veel onbewoond en verder een Afghaanse delicatessenwinkel, de Khyber Deli, genoemd waarschijnlijk naar de Khyber Pas waar in de vorige eeuw een groot Brits leger op een verschrikkelijke manier tegen de Afghanen ten onder is gegaan.

Aan het tafeltje aan de andere kant van het looppad zaten een ongelofelijk dikke man met heel klein mondje en zeer korte beentjes (ik gebruik heel en zeer niet bij wijze van spreken) met zijn makker die gewoon geproportioneerd was. Omdat de dikke aan veel ijs bezig was werd er gezwegen. Naast me was een druk maar eenzijdig gesprek gaande. De vrouw was bijna voortdurend aan het woord. Ze vroeg zich af wat er die avond aan pyrotechniek zou worden geboden. Het vorige jaar was het al bijzonder mooi geweest, en ze had in de krant gelezen dat de voorstelling die nu op handen was alles zou overtreffen. De man zei af en toe ja of hm. Bij vuurwerk is het meestal andersom, zegt mijn vooroordeel: de man geestdriftig en de vrouw gedistantieerd. Zij verheugde zich als een kind; ik was op haar hand.

Intussen ging aan de kant van de rivier de zon onder. We weten dat de Provence om het daardoor veroorzaakte licht beroemd is. Waarom New York niet? De oude bakstenen muren kregen een kleur waardoor ik wilde dat ik schilder was. De stralen schenen bijna horizontaal onder het roestig viaduct van een jaren geleden opgeheven elevated spoor en vielen op een assortiment van nondescripte rommel, vuilnisbakken en afgebladderde reclameborden; een boom op de hoek van de 22ste straat werd aan één kant provencaals groen geverfd en verderop een benzinepomp fel geel.

De zon daalde verder, de hemel werd rood en daartegen alles zwart silhouet, de hele chaos van hoog en laag, hier en daar een puntdak, en op de platte daken de dikke watertorentjes op hun fragile stellages. Ik verzeker dat het prachtig was: de stad, nergens anders ter wereld zo te vinden.

Juist die ochtend had ik Hopper in Parijs gezien. Waarom, dacht ik, is Van Gogh nooit hier geweest? Hij heeft dat nachtelijk caféterras in Arles geschilderd, zo dat je nu nog kunt voelen hoe warm het toen was. Gesteld dat Vincent achter zijn ezel op de hoek van de 23ste straat en de Tiende avenue had gezeten, wat zou hij ervan hebben gemaakt?

Het vuurwerk begon. Nu bleek dat dit terras om een flauwe bocht lag, zodat de mensen midden op straat gingen staan om het goed te kunnen zien. Aan het einde van Manhattan schoten treurwilgen de lucht in en hoog daarboven ontplooiden zich zee-anemonen. Het verkeer kwam tot stilstand, de mensen stapten uit hun auto's en lieten van verbazing en bewondering hun kin hangen. Hoe verder de kin naar beneden, hoe mooier het vuurwerk, dat is een van de wetten der pyrotechniek. Vuurwerk van dat soort is het enige explosief dat ontwapent.

Er kwam nog een visuele slotfanfare. Het begon alweer een beetje te lijken op een invasie van de marsmannetjes, en toen bestelde de dikke nog een halve liter ijs met slagroom. Wat ik ermee wil zeggen is dat New York ook een naëve en een kinderlijke stad kan zijn.