Een plastic paradijs voor een plastic elite

AMIENS, 10 JULI. Terecht komen in een Tour die al begonnen is, is als in een gezin worden geplaatst als jongetje van zeven. Zij kennen elkaar. Zij kennen ook de regels. Ze hebben hun eigen rituelen, hun eigen taal. En je bent de vreemde, de buitenstaander. Ook al ontblootten ze hun tanden voor een glimlach. Ook al ontvangen ze je met een reikende hand.

Wat zij vanzelfsprekend vinden, blijft jou bevreemden. Wat zij doorgonden, kan jij maar niet begrijpen. En jij walgt van wat zij al lang niet meer zien, waarvoor ze blind zijn, waarvoor ze hun ogen sluiten.

Jouw fout natuurlijk. Had je er maar van het begin af moeten bij zijn. Alleen en nog schuldig ook.

Gisteren: alweer de zesde etappe, van Evreux naar Amiens, over 158 kilometer. Een routineklusje voor de renners. Een routineklusje voor de volgers: 3.500 mensen. Een sprinkhanenplaag trekt door het Franse land.

De meeste volgers zien niets van de start, ze zien ook niets van het parcours, ze zien niets van de wedstrijd. Hoogstens op de televisies die bij de finish en in de perszaal en in de hotels staan opgesteld. Ze gaan meteen naar de plaats van aankomst, en niet over de bochtige, smalle wegen die de renners moeten nemen, maar over de autoroutes. Een traject dat gisteren bijna 100 kilometer langer dan de etappe was. Maar zo efficiënt en zo professioneel en zo snel.

Zelfs degenen die wel plichtsgetrouw aan de start verschijnen, verbazen zich niet over de scheiding der klassen die daar plaatsvond. De wereld is er verdeeld in de elite van de kaartbezitters en de grote massa van kaartlozen. En de kaartbezitters - organisatoren, sponsors, pers, genodigden - mogen hun bolides tot vlak bij de start parkeren. Daar worden ze met beleefde gebaren naar het Vip-dorp verwezen, waar de wijn al klaar staat en de kazen liggen uit te lopen. Een dorp, dat er telkens eender uitziet, of het nu in Amiens staat of in Verdun of in Marseille. Met plastic hekjes en plastic kuipstoeltjes en plastic orchideeën en plastic champagneglazen. Plastic paradijs voor een plastic elite.

Renners worden gedoogd in het dorp. Maar het is duidelijk dat ze niet tot de klasse van de kaartbezitters horen. Ze moeten zich een weg banen door een uitgehongerde menigte, die consumeert alsof ook daarmee een gele trui is te verdienen. En als ze hun fietsen even tegen een plastic hekje parkeren, worden die besprongen en betast en beduimeld. Notabene hun fietsen, hun instrumenten. Geen enkel respect.

Maar de renners zijn kennelijk gewend aan die behandeling. Ze vloeken niet, ze slaan niet, ze knipperen niet eens met hun ogen. Zelfs niet als ze volledig worden ingesloten door dit keurcorps van supporters, gewapend met fototoestellen en videocamera's. Ze blijven ook lachen als er weer een lens hun lichaam raakt, als er weer een dame over hun rijwiel struikelt. “Bonjour madame”, zegt Abdoesaparov.

De renners worden behandeld als de lievelingsbeesten in de dierentuin. En zo gedragen ze zich ook. Als openbaar sportbezit. Alleen als ze fietsen zijn ze vrij.

Achter de dranghekken, achter het lint van gendarmes, vergaapt de massa van de kaartlozen zich aan de plastic weelde van het Vip-dorp. Flarden muziek waaien over van het jazzorkest, dat de volgevreten invité's wakker houdt. Luidsprekers melden welke renner daar in de verte net het startregister getekend heeft. En al kunnen die mensen langs de kant geen enkele van de renners onderscheiden, zover is het podium van hen verwijderd, toch klagen ze niet. Toch bestormen ze niet de hekken, toch roept er niemand op tot revolutie. Ze juichen, ze lachen, ze zijn gelukkig. Ze horen er toch bij? Bij die illusie die drie weken lang door Frankrijk raast. Alleen als decor voor de tv-reportages misschien. Voor hen is dat genoeg.

Ook de menselijke erehaag langs het parcours verlangt niets anders dan er bij te mogen zijn. Maar de volgers die al vijf dagen lang in de Tour zijn, hebben daar geen weet van. Ze slaan er geen acht op. Ze vinden het normaal dat al die mensen naar hen zwaaien alsof ze Indurain of Breukink zijn. Ze vinden dat ook wel terecht zelfs. Terwijl die mensen toch niet naar hen zwaaien, maar naar de Tour, waarvan zij alleen de nederige plaatsbekleders zijn.

Ze razen door middeleeuwse dorpen, langs historische kathedralen, alle snelheidsbeperkingen aan hun laars lappend, alle verbodsborden negerend. En dat mogen zij, omdat ze de Tour-nomaden zijn, de vrijbuiters van de Ronde. Drie weken lang staan ze boven de wet.

Ze vinden dat hen dat voorrecht toekomt. Op basis waarvan eigenlijk? En dat de steeds langere sliert van reclame-auto's - wortels op wielen, rijdende flacons met afwasmiddel - het Franse landschap vervuilt met wervend gebral, bedrukt papier en plastic zakken, wie neemt daar nog aanstoot aan? Dat Alex Zülle na de finish met fiets en al omver wordt gelopen door een horde fotografen, dat hoort erbij. “Wat zeur je nou”, krijgt de Zwitser te horen als hij het waagt om te protesteren. De renners mogen al blij zijn dat ze mee mogen doen.

Wie te laat in de Tour komt, haalt die achterstand ook nooit meer in.