EEN DOLENDE ZIEL IN HET VERZET

Onbekwaam in het compromis. Willem Arondéus kunstenaar en verzetsstrijder door Marco Entrop 128 blz., gell., Bas Lubberhuizen 1993, f 22,50 ISBN 90 73978 14 9

Willem Arondéus moet in de jaren twintig en dertig een dolende ziel zijn geweest; aanvankelijk begeesterd van de beeldende kunst en later vervuld van het schrijverschap, maar nergens echt thuis. In een brief aan één van zijn vrienden noemde hij zichzelf een outcast, die zich in het kunstenaarsmilieu schaamde om zijn kleinburgerlijke afkomst (""een milieu dat slechts één ding wist: geld!') en die in de buitenwereld bang was dat zijn homoseksualiteit bekend zou worden. Daarbij was zijn bestaan doordrenkt van twee grote noden: zijn chronische geldnood, die hem vaak elke lust tot werken ontnam, en zijn ""lust-zorg' - de heftige, vaak onbeantwoorde hunkering ""naar makkerschap, een verlangen naar het welbehagen der teederheid'. Soms werd hij op de vleugelen van het romantisch kunstenaarschap verheven tot euforische hoogten, maar meestal was hij ""schuw in het kleine leven van alledag, machteloos in de listen van het eigenbelang en onbekwaam in het compromis.'

Onbekwaam in het compromis is dan ook de titel van een zojuist verschenen, in alle opzichten zorgvuldige monografie die Marco Entrop aan hem heeft gewijd. De indrukwekkende documentaire Na het feest, zonder afscheid verdwenen van Toni Boumans, in 1990 uitgezonden door de VARA-rubriek Impact, vormde daartoe de aanzet en een belangrijke bron van informatie. Het was, na de herdenkingsartikelen van kort na de oorlog, de eerste keer dat er weer volop aandacht aan Willem Arondéus werd besteed. In een artikel van Adriaan Venema, in 1977 in het Cultureel Supplement, heette hij nog - net als Else Berg, Fré Cohen en Henk Henriët - een ""vergeten kunstenaar'.

JONG EN VEELBELOVEND

Gelukkig maakt Entrop niet de bekende biografenfout om zijn hoofdpersoon tot een groter kunstenaar te maken dan hij was. Er is veel te zeggen voor de gedachte dat Arondéus' carrière bleef steken in het stadium van jong en veelbelovend. Hij bewoog zich als maker van muurschilderingen, prenten en boekillustraties in het monumentale genre, hevig leunend op symboliek en voorzien van zware ornamenten. Zijn werk werd veelal welwillend ontvangen, maar steeds in één adem genoemd met dat van de invloedrijke R. N. Roland Holst die zijn leermeester was. Toen hij de beeldende kunst abrupt de rug toekeerde en de literatuur omarmde, waren de kritieken op zijn romans te genuanceerd om ze als een succes te kunnen beschouwen. Alleen zijn uit 1939 daterende boek over Matthijs Maris, een biografie met een zeer aanwezige biograaf, heeft het tot een naoorlogse herdruk gebracht.

Arondéus liet met dat boek een sterk gelijkend zelfportret na. Schrijvend over Maris brak hij een lans voor dromers als hij zelf was. Want: ""Het zijn steeds de droomers in wie, onverwacht en onweerhoudbaar, de geestdrift voor een grootsche werkelijkheid, voor de hevige werkelijkheid van het herosche het hevigst doorbreekt. Het lijkt maar zoo, in het kleine alledag, of de droomers voor het leven vluchten, geen moed tot daden, geen wil tot overwinnen hebben, het lijkt maar zoo - in waarheid zijn droom en heroëk van één bloed, beide kennen zij de diepe vervoering, de wilde romantiek, de dronken overgave aan de Idee.' Het was, in 1939, ook een ontroerend staaltje zelfverdediging, ongetwijfeld gericht tot degenen die hem een slappeling vonden, een man zonder dadendrang.

Nauwelijks twee jaar later hoefde hij zich niet meer te verdedigen. Het was alsof de Duitse inval hem opeens de rug rechtte en een fiere levenshouding bezorgde. ""Nee, ik zie de tijd die komt, de oorlog, niet meer met angst tegemoet,' schreef hij in een brief, op 2 januari 1940. ""Ik ben te lang onveilig geweest om er bang voor te zijn. Want dat krijg je tenslotte: als de zorg van elke dag, de zorg om morgen te eten, zoo altijd weer je gedachten in beslag neemt, dan verliest de toekomst zijn verschrikking.' In het voorjaar van 1941 verspreidde Arondéus zijn eerste Brandaris-brief, waarin hij collega-kunstenaars in felle bewoordingen opriep zich af te wenden van de nazistische cultuurpolitiek. Een jaar later vond hij aansluiting bij het Amsterdamse kunstenaarsverzet. Hij distribueerde de illegale uitkeringen voor ondergedoken kunstenaars en hielp mee aan het maken van valse persoonsbewijzen. ""Dag in dag uit kon men hem, met in zijn actetasch een trommeltje, en in dit trommeltje een inktkussen voor het vervaardigen der vingerafdrukken, door Amsterdam zien loopen,' aldus Martinus Nijhoff na de oorlog.

Hoewel er uit de bezettingstijd weinig persoonlijke aantekeningen meer zijn, valt te vermoeden dat Willem Arondéus in het verzet eindelijk het makkerschap vond dat hij zijn leven lang vergeefs had gezocht. In het illegale werk ontstonden hechte kameraadschappen, al was het maar omdat gezamenlijke geheimen een band schiepen. Zulke vriendschapsbanden waren zelfs hoogst noodzakelijk; zonder onderlinge cohesie kon een verzetsgroep niet bestaan.

De aanslag op het Amsterdamse bevolkingsregister, in het voorjaar van 1943, vormde zijn laatste wapenfeit. Vier mannen leidden die sabotage-actie: Gerrit Jan van der Veen, Johan Brouwer, Willem Sandberg en Willem Arondéus. Van hen was Arondéus de eerste die werd gearresteerd. Tijdens het proces nam hij alle verantwoordelijkheid op zich; hij wenste, volgens een ooggetuige, ""de dood in te gaan voor zijn kameraden, die, naar zijn bewering, slechts op zijn instigatie hadden gehandeld.' In de vroege ochtend van 1 juli 1943 werd hij in de duinen bij Overveen gefusilleerd.

Van der Veen werd in 1946, postuum, geëerd met het Verzetskruis. Pas in het begin van de jaren tachtig was er een Verzetsherdenkingskruis voor Willem Arondéus.