De eugenetica is opnieuw in de mode

Eind jaren zeventig werd professor Buikhuisen nog publiekelijk nagewezen toen hij een verband durfde te suggereren tussen erfelijkheid en misdadigheid. Nauwelijks vijftien jaar later is de afkeer van dergelijke theorieën veel minder luidruchtig. Deel vijf in een serie: biosociaal onderzoek naar criminaliteit.

ROTTERDAM, 10 JULI. “Hoe vertel ik mijn zoon dat-ie een serie-moordenaar is?” Met die opgeruimde binnenkomer begon de bekende Amerikaanse talkshow van Phil Donahue op 25 februari. Gesprekspartner was een psychiater van de Rochester Universiteit, die de kijker vertelde dat mannen met een extra Y-chromosoom een verhoogd risico lopen zich in de toekomst asociaal en gewelddadig te gaan gedragen.

Toevallig had de psychiater juist een man met een extra Y-chromosoom onderzocht, die elf vrouwen en twee kinderen had gewurgd. Met het aloude adagium in de psychiatrie, dat “bijna iedereen tot bijna alles in staat is” werd door zenuwarts voortvarend afgerekend. Maatschappelijke verontwaardiging was er nauwelijks. “Kennelijk heeft de burger zich erbij neergelegd dat zijn heil niet meer in de stand van de sterren moet worden gezocht, maar in het menselijke genoom”, zei James D. Watson, de mede-ontdekker van de dubbele helix, die het DNA vormt.

Met grote regelmaat doen wetenschappers - meestal psychiaters of psychologen - tegenwoordig uitspraken over de relatie tussen defecte genen en manische depressiviteit, schizofrenie, alcoholisme, homoseksualiteit, intelligentie en niet in de laatste plaats crimineel gedrag. De aversie tegen de veronderstelling dat deviant of afwijkend gedrag mogelijk mede een biologische oorzaak heeft, lijkt vrijwel verdwenen.

Zo bracht de afdeling Antropogenetica van het academisch ziekenhuis Radboud in Nijmegen eind vorige maand voorzichtig naar buiten dat zij een gendefect had gevonden dat waarschijnlijk mede oorzaak is van agressief gedrag. Alweer: geen woord van protest tegen de onderzoekers. “Geen ingezonden brieven, niets”, zegt klinisch geneticus, drs. H. Brunner. “Dat zal wel iets over deze tijd zeggen.”

Een gen vormt de biologische eenheid van overerving en bestaat uit een bepaald gedeelte van het DNA in de celkern. Vergelijk het met twee tegen elkaar draaiende wenteltrappen, dan bestaat een gen uit een groep treden (necleotiden). De groep in Nijmegen heeft het gen zelf overigens nog niet gelokaliseerd.

Het in Nijmegen ontdekte defect werd vastgesteld bij acht mannen binnen één familie. Ze zijn allemaal zwak begaafd en barsten af en toe uit in agressie. Een van de mannen heeft TBS opgelegd gekregen omdat hij zijn zuster heeft verkracht. De familie wordt, op eigen verzoek, sinds eind jaren zeventig gevolgd door de afdeling die klinisch onderzoek doet ten bate van patiënten. Bij alle acht is een zeldzame stofwisselingsstoornis opgemerkt die het gevolg is van dat "foute' gen. Dat gen behoort te zorgen voor de produktie van een enzym, dat op zijn beurt bepaalde neurotransmitters afbreekt. Neurotransmitters brengen in het zenuwstelsel boodschappen over, zodat iemands nagels bijvoorbeeld op zijn hoofd gaan krabben als de hersenen dat willen. Dat ingewikkelde proces van het heen en weer brengen van boodschappen is delicaat en uitgebalanceerd. Een kwestie van prikkelen en remmen, zodat iemand hard genoeg krabt, maar ook weer niet te hard. Als de neurotransmitter die betrokken is bij agressie niet voldoende wordt geremd, omdat van het genoemde enzym niet genoeg aanwezig is, ontstaan excessen.

In de mode

Eugenetica is opnieuw in de mode, concludeerde het blad Scientific American vorige maand. De grondlegger van de theoretische verbetering van het menselijk ras, de Brit Sir Francis Galton (1822-1911) die in 1904 in Londen zijn laboratorium voor eugenetica stichtte, zou in zijn handen wrijven. Ook zijn tijdgenoot, de Turijnse psychiater Cesare Lombroso (1835-1909) zou de ontwikkelingen met meer dan gewone aandacht volgen. Van Lombroso komt de theorie rond de geboren misdadiger, die zowel lichamelijk als psychologisch afwijkt van de niet-crimineel. In zijn belangrijkste werk "L'uomo delinquente' typeert hij de misdadiger met een asymmetrische gelaatsuitdrukking, achterover hellend voorhoofd en vooruitstekende jukbeenderen. Zeker als die uiterlijkheden gepaard gaan met zwakke zintuiglijke gevoeligheden, een hogegevoelsdrempel voor pijn - vandaar vaak die tatoeages - en wispelturigheid.

Lombroso's denkbeelden, die varieerden op de evolutie-theorie van Darwin, werden vooral onderuit gehaald doordat het door hem beschreven uiterlijk van de crimineel onmogelijk kon worden gestaafd. Tegenwoordig staan zijn denkbeelden, die ooit alom als revolutionaire doorbraken werden gezien in de "criminalistiek', model voor alles wat binnen de wetenschap vies en vuns is.

Gebrek aan vrees

Een deel van de wetenschap is sedertdien op dat "biologische spoor' blijven zitten, in een vrijwel voortdurend noodweer van maatschappelijke kritiek. In Nederland werd in de jaren zeventig en tachtig vooral de Leidse criminoloog prof. dr. W. Buikhuisen op de korrel genomen. In 1989 capituleerde de suf gebeukte Buikhuisen voor zijn tegenstanders hier te lande en koos hij voor de VUT. Hij wees er in zijn afscheidsrede nog één keer op dat straffen nauwelijks zin heeft bij recidivisten, omdat de oorzaak van hun gedrag moet worden gezocht in de erfelijkheid of in een moeilijke geboorte die blijvende invloed hebben op het functioneren van het centraal zenuwstelsel.

Daarin stond Buikhuisen internationaal gezien verre van alleen. Zo meende de Amerikaanse criminoloog professor dr. S.A. Mednick al halverwege de jaren tachtig op grond van een studie naar criminele antecedenten onder 14.427 geadopteerde Deense kinderen, dat naast sociale factoren ook erfelijkheid een rol speelt.

In 1983 nog verdedigde Buikhuisen een proefopzet, waarbij hij wilde nagaan of "gebrek aan vrees gekoppeld aan slechte cognitieve functies en hardnekkige recidive bij chronische delinkwenten' te verklaren valt uit "avoidance learning'. Deze groep maakt voor vijf procent deel uit van het totaal aantal delinquenten en is verantwoordelijk voor meer dan de helft van alle misdaden, maar "leert niet van een negatieve ervaring als gevangenisstraf'. Buikhuisen voerde hiervoor 41 argumenten aan, gebaseerd op tientallen, merendeels buitenlandse wetenschappelijke publikaties.

Het niet willen leren van vrijheidsstraffen, zoals volgens Buikhuisen bij die kleine groep het geval is, heeft een biologische oorzaak. "Vreesgevoeligheid' speelt daarin een centrale rol, zo is uit dierexperimenteel onderzoek gebleken. Dieren waarbij in de hersenen, dat deel was verwijderd waar die vreesgevoeligheid zetelt, waren niet meer in staat tot "avoidance learning'. En dat heeft weer te maken met een gebrek aan door de hypofyse afgescheiden hormonen en daarvan afgeleide neuropeptiden. De tegenwoordige antiquair Buikhuisen wil niets meer over zijn vorige vak zeggen. Alleen zijn vrouw wil nog wel opmerken dat hij, naar nu blijkt, toch gelijk heeft gehad.

Nature versus nurture

De strijd tussen wetenschappers die crimineel gedrag verklaren uit sociale omstandigheden en milieu en aan de andere kant degenen die uitgaan van een biologische aanleg - nature versus nurture - duurt al meer dan een eeuw. Zo kreeg Lombroso sterk tegenspel van de Fransman Lacassagne, die verklaarde dat elke samenleving "de misdadigers kreeg die zij verdiende'. Beide scholen konden zich rond de eeuwwisseling wel vinden in de formulering van Baron Garofalo, die stelde dat “niet de gelegenheid de dief maakt, maar dat de gelegenheid maakt dat de dief steelt”.

Van een brede maatschappelijke discussie over de vraag of het wel zo wenselijk is dat op grond van genetisch onderzoek lichamelijke afwijkingen, laat staan toekomstig gedrag van mensen kan worden voorspeld, is het nooit gekomen. Die discussie werd halverwege de jaren tachtig stevig ingeleid door de reeks VPRO-televisie-programma's Beter dan God over genetische manipulatie. “Maar”, zo schreef de directeur van het Instituut voor Gezondheidsethiek in Maastricht toen, “de afstand tussen de medisch-technologische mogelijkheden enerzijds en het ethisch oordeel daarover anderzijds is zo groot geworden dat de traditionele ethiek machteloos is.” Arts, microbioloog en auteur van een aantal boeken over DNA-onderzoek, dr. H. Schellekens gaf bij die gelegenheid nog een verklaring voor het feit dat de politiek zich volledig onbetuigd laat: “Dat soort onderzoek wordt hevig gefinancierd, want dat betekent dat misdaad niet het gevolg is van slechte sociale omstandigheden, waar de overheid iets aan zal moeten doen, maar dat het iets is wat in de mensen zelf zit en waar de overheid dus niet gedwongen is om die sociale omstandigheden te verbeteren, maar bijvoorbeeld zal afkondigen dat die mensen gesteriliseerd moeten worden.”

Feitelijk voorbij

Het wordt de verdedigers van het zuivere nurture-standpunt ook wel erg lastig gemaakt wanneer een redacteur als Daniel E. Koshland van het hoog aangeschreven wetenschappelijke tijdschrift Science schrift dat de discussie omtrent biologische aanleg, dan wel invloeden van buitenaf "feitelijk voorbij is'. En daar aan toevoegt dat “erfelijkheidsonderzoek de moeilijkste maatschappelijke problemen kan oplossen, zoals drugsgebruik, dakloosheid en geweldsdelicten.”

De Leidse professor dr. L.F. Bernini (biochemische antropogenetica) is niet zo enthousiast als de Amerikanen: “We kennen nu zo'n 5.000 genen, terwijl we er tussen de 50.000 en de 100.000 hebben. Als je ze allemaal zou hebben gedentificeerd, moet je nog bekijken wat voor invloed ze op elkaar hebben en wat ze met elkaar doen. Natuurlijk gaat de ontwikkeling hard, maar ik ben er van overtuigd dat nooit afdoende zal worden aangetoond voor hoeveel procent het waarschijnlijk is dat iemand bepaald gedrag gaat vertonen of hoe intelligent hij wordt.”

Brunner: “De interesse is enorm. Maar het grote probleem is hoe je onderzoek doet. Wij hadden geluk met die ene familie, omdat je daar een heel homogene groep hebt. Wil je groter onderzoek doen, dan moet je ook proefpersonen hebben die volkomen met elkaar vergelijkbaar zijn, dus bijvoorbeeld dezelfde genetische eigenschappen hebben. Daarnaast moet je dan kunnen uitsluiten dat omgevingsfactoren invloed hebben. En dan moet je nog eens heel scherpe definities hanteren. Wat is crimineel gedrag, bijvoorbeeld. Of: wat versta je onder agressief gedrag? Het gecompliceerde in zo'n onderzoek is dat het gaat om genen die in de hersenen stoffen aanmaken. Maar om welke stoffen precies? Want alles staat met alles in verband. En zelfs bij onze groep zie je dat er soms tijden overheen gaan voordat zo'n agressieve aanval weer komt. Spanning speelt een rol, het weer, de voeding. Nee, ik ben ervan overtuigd dat genen een rol spelen bij gedrag, maar ik ben er even zeker van dat het een zaak is van natuur én omgeving.”