Cipollini bespaart Tourjury met sprint duik in de cijfers

AMIENS, 10 JULI. In 1923 voerde Henri Desgrange, de stichter van de Tour de France, de zogenoemde bonificaties in. Wie de eindstreep na een etappe als eerste passeerde kreeg twee minuten cadeau, in de bergritten was de beloning aanvankelijk zelfs het dubbele. De opvolgers van de eerste Rondedirecteur hebben het bedenksel van Desgrange in stand gehouden, met dien verstande dat ze de te verdienen tijdwinst aanzienlijk hebben beknot. Op de eerste negen Tourdagen - de tijdritten uitgezonderd - ontvangen de nummers één, twee en drie momenteel een bonificatie van respectievelijk twintig, twaalf en acht seconden.

Om de strijd extra te verlevendigen bedacht de organisatie in 1981 de zogenoemde Catch-sprints. Spurten onderweg, met kleine tijdvergoedingen voor de snelsten. Binnen het peloton groeide het verzet tegen dat idee, met name Bernard Hinault en Greg LeMond waren er zwaar op tegen. Het werd ook wat al te dol. In de Tour van 1985 waren drieenzeventig Catch-sprints opgenomen en twee zogenoemde “vliegende etappes”. Wie ze allemaal won, zo berekenden de cijferaars, zou een voordeel hebben geboekt van precies achttien minuten en veertig seconden. “Mijnheer Lévitan”, riep de Belgische ex-renner Edgar Sorgeloos destijds tegen de Tourbaas, “jammer dat die sprints tijdens de carrière van mijn landgenoot Rik van Looy nog niet bestonden. Anders had de rappe Keizer van Herenthals de Tour vast en zeker gewonnen.”

In de tachtigste Tour zijn de “Catches” beperkt. Tot de tiende etappe zijn er elke dag maar drie in het parcours opgenomen, elk goed voor zes, vier en twee seconden. Desondanks hebben de spurten onderweg deze Tour-editie een ongelooflijk grote invloed op de strijd om de begeerde gele trui. Mario Cipollini en Wilfried Nelissen - het tweetal wisselt stuivertje om het eretricot - fietsen zich bij elke “Catch” dan ook uit de naad. Gisteren, in de door Johan Bruyneel gewonnen zesde etappe, was het héél spannend. Voor de start in Evreux had Nelissen de maillot jaune om de schouders met twee seconden voorsprong op Cipollini. Bij de eerste twee “Catches” had jakkeren voor het duo geen zin, want ontsnapte renners hadden de bonificaties al ingepikt. Bij de laatste echter kaapte Cipollini twee tellen voor de neus van Nelissen weg en dat betekende dat de twee in de algemene rangschikking exact gelijk stonden.

Hoe moest dat nu, wie zou de gele trui krijgen als ze verder bij elkaar in de buurt bleven? “Dan geeft hun stand in het puntenklassement de doorslag”, riep Tourdirecteur Jean-Marie Leblanc vanuit zijn chique volgwagen. Later moest hij zichzelf corrigeren. Artikel 25 van het reglement schrijft namelijk voor dat in zo'n geval (Leblanc: “Zoiets is nog nooit in de Tourhistorie voorgekomen”) wordt gekeken naar de resultaten van beide renners in de proloog. Naar de honderdsten en eventueel duizendsten van een seconde die de computer weliswaar had geregistreerd, maar die werden afgerond. “Wie er dan leider was geworden? Ik kan het U niet zeggen” verontschuldige Leblanc zich. Niemand kon het, en de uitslagendienst zei geen tijd te hebben om het uit te zoeken. De cijfertjes hoefden echter niet uit de kast te worden gehaald, dankzij Cipollini. De Italiaan won in Amiens de sprint van het peloton, werd daardoor tweede en was een bonificatie van twaalf seconden rijker.

Johan Bruyneel kreeg twintig tellen extra en dat bracht de Belg op de derde plaats in de algemene rangschikking. “Nee” zei hij tegen de verzamelde pers, “dat betekent niet dat ik nu ineens naast mijn schoenen loop. De Belgische gazetten hebben me altijd opgehemeld, ze schreven dat ik een groot ronderenner kon worden. Ik ken mijn beperkingen. Meer dan een meesterknecht ben ik niet. Erik Breukink en Alex Zülle hoeven zich geen zorgen te maken. Ik blijf bij Once hand- en spandiensten voor die twee kopmannen verrichten.” Bruyneel, die zeventien kilometer soleerde, sprong weg uit een kleine vluchtgroep met onder meer de Limburger Danny Nelissen. “Het boterde niet meer zo in dat gezelschap”, legde hij uit, “en bovendien voelde ik me beresterk.” 's Ochtends had hij zijn ritzege zelfs al voorspeld.

De 28-jarige ex-student marketing en economie is in zijn loopbaan meer dan eens geplaagd door ernstige tegenslagen. Als amateur brak hij een rugwervel en op 31 mei van het vorig jaar liep hij een bekkenfractuur op in de Spaanse Grote Prijs Alcobendas. Bruyneel stond gisteren met tranen in de ogen op het podium. “De bloemen”, zei hij half huilend, “draag ik op aan mijn vader. Die is een maand geleden gestorven. Hij betekende ontzettend veel voor me. Hij bracht me met de koersen in contact en hij heeft me altijd van goede adviezen voorzien. Ja, door hem ben ik geworden wat ik ben.”