CARTOGRAAF IN DIENST VAN DE VIJAND

Gewestkaarten van de Nederlanden door Jacob van Deventer, 1536-1545, met een picturale weergave van alle kerken en kloosters facsimile uitgave met tekst door Prof. Dr.Ir C. Koeman 29 bladen, begeleidende tekst 40 blz., Canaletto 1993, f 200,-- ISBN 90 6469 673 X

De stadsplattegronden van Jacob van Deventer onder redactie van C. Koeman en J. C. Visser 13 mappen (à f. 270,--), Canaletto 1992-1994, (distr. Robas BV, Weesp), f 3510,- ISBN 90 7277 32 3

In of omstreeks 1558 behaagde het Philips II om alle steden in de Zeventien Provinciën van de Spaanse Nederlanden in kaart te laten brengen op schaal 1:8000, nog een slag groter dan de grootschaligste kaarten van de Topografische Dienst vier eeuwen later. Tegenwoordig zouden aan zo'n opdracht minstens vijf ingenieursbureaus te pas komen - toen was één man genoeg. Zowel bij het pas- en meetwerk als bij het tekenen heeft hij vermoedelijk wel eens een assistent ingezet, maar in principe deed Jacob van Deventer (circa 1500-1575) het allemaal alleen. Een 55-plusser die in twaalf jaar 260 steden in kaart brengt: het zal wel tot in eeuwigheid goed zijn voor een vermelding in het Guiness Book of Records.

Van Deventers werk kennen we heel goed maar de man zelf eigenlijk helemaal niet. Hij wordt nergens geciteerd, en er zijn geen brieven van hem overgeleverd - alleen wat jaartallen, wat globale informatie over wanneer hij waar woonde, en hier en daar een contract. Wel is bekend dat hij na voltooiing van de opdracht op zijn oude dag nog nette edities maakte van alle plattegronden. Deze "netkaarten' vormden het produkt dat hij aan de Spaanse bezetter leverde. Ze werden ingebonden tot drie banden van zeker tien kilo elk, die eerst in Brussel, en uiteindelijk in Madrid belandden.

De in het terrein vervaardigde versies, de "minuten', bleven in bezit van de cartograaf, met dien verstande dat in nevelen gehuld is wat er na zijn dood mee gebeurde - tot op 11 april 1859, toen 152 van deze minuten werden geveild in het boekhuis van Martinus Nijhoff te Den Haag. Zeventien exemplaren verdwenen later alsnog, de rest bevindt zich nu in archieven in Nederland en België.

De banden in de Spaanse Biblioteca Nacional waren in die drie eeuwen evenmin voltallig gebleven. In 1875 werden er twee (met 179 plattegronden) ontdekt door de Belgische historicus Gachard (pas negen jaar later werd de relatie gelegd met de opgedoken minuten); maar één band was en bleef onvindbaar.

BEGROTELIJK

""Misschien door een bibliothecaris cadeau gedaan aan een bezoekende kardinaal omdat zijn geboortestad erin stond', oppert C. Koeman, emeritus hoogleraar cartografie aan de Universiteit Utrecht. Samen met de Delftse hoogleraar bouwkunde in ruste J. C. Visser redigeert hij de spectaculaire facsimile-uitgave van alle bewaarde minuten en netkaarten van Van Deventer die dezer jaren verschijnt bij uitgeverij Canaletto in Alphen aan de Rijn, en die ƒ 3510,- kost. Wie dat te begrotelijk vindt, kan voor ƒ 270,- een map met kaarten kopen (Friesland en Zuid Holland zijn al uit) of voor ƒ 29,50 de netkaart of minuut van één stad. Het materiaal van het huidige Nederland zit in acht mappen, van België in drie, van Frankrijk in één, en van Duitsland en Luxemburg samen ook in één map. Het merendeel van de kaarten meet ongeveer 42 bij 55 centimeter en ze gaan allemaal vergezeld van een uitvoerige toelichting door een in die stad gespecialiseerde historicus.

Koeman, die als een van Nederlands toonaangevende historisch cartografen recht van spreken heeft, noemt de landmeter/tekenaar in het voorwoord bij De Stadsplattegronden van Jacob van Deventer ""de grondlegger van de cartografie in Nederland'. Gelet op de kwaliteit en omvang van de Nederlandse kaartproduktie in de 16de en 17de eeuw, is dat een aanbeveling met een mondiale draagwijdte. Maar ondertussen werkte Van Deventer wel voor de vijand. ""Klopt', beaamt Canaletto-directeur A. Vis onomwonden, ""Hij was een landverraaier.'

Koeman stelt zich in dezen wat terughoudender op. Hij wijst erop dat Van Deventer zijn taak aanvaardde toen de beeldenstorm van 1566 niet had plaatsgevonden, daar nog geen Spaanse represailles op waren geweest, en het begin van de Tachtigjarige Oorlog nog tien jaar op zich zou laten wachten. Zeker, de kaarten waren dienstgeheim; en ja, IJlst en Amsterdam werden op dezelfde schaal afgebeeld omdat het bereik van Alva's kanonnen overal even groot was; en het belangrijkste wellicht: Van Deventer had met zijn werk kunnen stoppen, had alle kaarten kunnen vernietigen zelfs, toen de oorlog uitbrak. Maar er zijn ook argumenten die tot op zekere hoogte voor zijn onschuld pleiten.

Koeman: ""Kijk naar de echte legerkaarten. Die lieten de Spanjaarden meestal maken door Italiaanse ingenieurs. Daarop stond alleen de omwalling, met alle bastions, poorten en de slotgracht; de ingewanden ontbraken. Van Deventer tekende ook straten, woningen, kerken, ziekenhuizen. Hij schiep een heel nieuw type kaart dat eigenlijk uitging boven de militaire kaart. Een stadsbestuur zou ook in zijn kaarten genteresseerd moeten zijn.'

MAMMOETORDER

Visser en enkele anderen reisden met subsidie van het Prins Bernhardfonds naar Madrid om alle netkaarten te fotograferen, en de uitgever rapporteert dat ieder spoor van gebruik in het veld ontbreekt. De minuten zijn evenmin beduimeld. Die werden overigens pas in 1575, zeven jaar na het begin van de oorlog en twee jaar na Alva's vertrek, aan de nieuwe Spaanse landvoogd in Brussel ter hand gesteld. Het laat allemaal onverlet dat Alva's opvolgers nog best plezier van Van Deventers inspanningen gehad kunnen hebben - en wij nu in ieder geval.

De mammoetorder werd indertijd natuurlijk niet aan zomaar-een-cartograaf gegeven: Van Deventer was al beroemd. Op een schaal van 1:200.000, dezelfde schaal als nu de Michelin-kaart, had hij eerder in zijn carrière de Bourgondische Nederlanden afgebeeld in een reeks gewestkaarten. Deels in houtsnede, deels in kopergravure, behoorden ze tot de allereerste gedrukte kaarten in Europa. ""Ze hingen goed zichtbaar op allerlei kantoren', aldus Koeman, ""Op die gewestkaarten was zijn roem gevestigd. De weergave van de infrastructuur schiet erg tekort, maar er staan in totaal drieduizend kerken op - niet met een symbool, maar in hun werkelijke gedaante. Uit de kerken die er nog staan, blijkt dat die correct getekend zijn.'

Van deze met de hand ingekleurde kaarten, bereikte één complete serie de moderne tijd, om in de Tweede Wereldoorlog bij een bombardement in vlammen op te gaan. Nu resteren alleen de (overigens uitstekende) zwart-wit opnamen die in 1938 van de laatste gewestkaarten gemaakt werden - een beetje als de botten van een uitgestorven dier. Deze zomer publiceert Canaletto daarvan een uitgave, in zwart-wit dus, zodat iedereen voortaan kan weten hoe de Nederlandse gebedshuizen er vier-en-halve eeuw geleden uitzagen. Koeman schreef er een zeer uitvoerige toelichting bij.

DE TIEN VERSCHILLEN

Zowel met de gewestkaarten als met de stadsplattegronden bewees Van Deventer zijn vernieuwingsdrang. Koeman wijst erop dat Van Deventer daarenboven twee talenten bezat die maar zelden samengaan: hij was een bekwaam tekenaar én hij was een bedreven en nauwkeurig landmeter. Hoe nauwkeurig, blijkt als een transparante afdruk van een van zijn kaarten over een gelijkschalige kadasterkaart van nu wordt gelegd: de tien verschillen zijn nauwelijks aan te wijzen, als het er al tien zijn. Dat betreft dan de bebouwde kom, waar straatlengtes met voetstappen werden gemeten en de zo "afgestapte' straten gebruikt konden worden om te zien of andere afgestapte straatlengtes wel goed waren.

De schaal van 1:8000 was trouwens ook min of meer toevallig bepaald: de grootste stad van de Nederlanden, Brussel, moest nog net passen op het grootste papierformaat dat toen geleverd kon worden. Daardoor staat Sloten als nietig vlekje in een zee van groene weilanden. En daardoor konden Gorichum (Gorinchem) en Worckum (Woudrichem) samen met Fort Loevestein en forse stukken Lingen (Linge), Mosa (Maas) en Vahalis (Merwede) op één blad, dat dan ook nauwelijks voor een stadskaart kan doorgaan: een cartografisch juweel in prachtige pasteltinten en wat je noemt een menselijke beschrifting. Boven "Gorichum' en rechts van "Worckum' heeft Van Deventer of een van zijn leerjongens al wel een kadertje voor het stadswapen getekend, maar kennelijk ontbrak de tijd om het in te vullen. Of hij moest helemaal terug, een week in een brakke paardenkoets, waar hij geen zin in had, omdat hij indertijd bij het landmeten vergeten was te vragen naar die stomme wapens. Druk, druk, druk, ook toen al.