Calvinistische polderjongen

De Nederlandse sociaal-democratie heeft in de jaren zeventig groot, zij het kortstondig electoraal succes gehad door een bonte stoet van nieuwe gelovigen aan haar borst te drukken en een plaats aan de spijstafel van de verzorgingsstaat te verzekeren. Het was de periode waarin elk maatschappelijk verlangen dat uit de hoek van de progressieve emancipatiebeweging opkwam door de zojuist uit de oppositie bevrijde linkse regeringspartij werd gehonoreerd. Het waren de glorieuze hoogtijdagen van de kennisspreidende en inkomensherverdelende sociaal-democratie, waarin de minister-president Den Uyl tenminste één dag per week zat te broeden op een gepavoiseerde list om zijn heterogene aanhang tevreden te houden. “Leuke dingen voor linkse mensen” noemde hij dat.

De sociaal-democratie werd beheerst door een grenzeloos optimisme en een onweerstaanbare euforie, waaronder alles kon en niemand erover in zat dat ze daar eens een reusachtige prijs voor zou moeten betalen. Dat al die nieuwe klanten de PvdA vroeger of later boven het hoofd zouden groeien, zou pas veel later tot Den Uyl c.s. doordringen. Te laat kwamen ze erachter dat ze in die uitzinnige jaren van ongetemperde welvaartsroes op alle eisen uit eigen kring ja hadden gezegd en het vermogen tot nee zeggen hadden verloren.

Het heeft een kleine vijftien jaar geduurd voordat een socialist weer eens nee zou zeggen, maar dat eerste schaap is nu met staart en al over de dam. In Vrij Nederland van vorige week heeft de aanvoerder van de PvdA Wim Kok de eerste exercities in het neezeggen beoefend en gempliceerd dat de PvdA opnieuw de aansluiting zoekt bij de traditie der vaderen. Kok had al eerder krachtig, misschien wel te krachtig, stelling genomen tegen sjoemelende uitkeringstrekkers en bijklussende hoogleraren, maar dat leek meer incidentele verontwaardiging dan beredeneerde gestrengheid te zijn.

Het gesprek dat Kok met de VN-redacteuren Leonard Ornstein en Max van Weezel heeft gevoerd staat meer in een programmatische toonzetting. Niet alleen de fraudeurs die met het stelsel van sociale voorzieningen op de loop zijn gegaan moeten het ontgelden, ook andere categorieën calculerende burgers. De boodschap is dat de PvdA van Kok - dat is een minder tegemoetkomende partij dan die van Den Uyl - de progressieve kiezers niet meer naar de mond zal praten. De roze driehoek, de anarchistische antimilitaristen en het front van moderne misdeelden zijn gewaarschuwd: ze kunnen niet meer bij voorbaat op het begrip van Kok rekenen. Hoewel de lijsttrekker van de PvdA zijn tirade tegen "uitbundig gebruik' van de sociale voorzieningen in hoofdzaak beperkt tot bijstandsmoeders die de inkomsten van een partner voor de sociale dienst verzwijgen en tot jongeren onder de 27 jaar, wier hand te snel gevuld is, ligt in die laatste uitval toch de aanwijzing voor een mijns inziens fundamentele koerswijziging besloten.

“Ik geloof”, aldus Kok in VN, “dat er onder jongeren een mentale omslag nodig is. Dat hun meer normbesef moet worden bijgebracht. De sociaal-democratie is er om mensen te beschermen, niet om ze te verwennen. Ik weet dat dat streng klinkt. Maar ik ben ook streng voor mijzelf. Dus mag ik het ook voor anderen zijn”. In die volzin zitten twee kenwoorden uit de vocabulaire van het politieke puritanisme, dat van oudsher de traditionele sociaal-democratie heeft gekenmerkt: normbesef en gestrengheid.

Men moet in de geschiedenis teruggaan tot W.A. Bonger om zoveel zedelijke gestrengheid uit de mond van socialistische voormannen tegen te komen (Bonger was geen beroepspoliticus en dus geen "voorman' in de gangbare betekenis, maar wel een theoreticus van de SDAP, wiens intellectuele invloed zich ook nog in de PvdA heeft doen gevoelen). In zijn theoretische beschouwingen (o.m. in zijn klassieke werk Problemen der Demokratie uit 1934) stelde Bonger eenvoudige normen voor politieke participatie: een democratische partij i.c. de SDAP kon naar zijn mening alleen open staan voor "flinke en pientere' leden die hun verstand gebruikten en competent genoeg waren om over lastige problemen te oordelen. Lieden die uit hun nek debatteerden moesten geweerd worden, evenals betweters, querulanten en domoren. Zelfs de "pienteren' vertrouwde Bonger het woord alleen onder bepaalde voorwaarden toe: “De Partij telt vele flinke leden ook onder haar "rank and file', maar dat deze leden voldoende kennis van zaken hebben om b.v. over gemeentefinanciën te oordelen, daar is geen sprake van”. Jongelui moesten eerst het bewijs van hun volwassenheid leveren voordat ze mochten worden toegelaten (en dan nog gedurende een reeks van jaren als aspirant-lid): “Jongelieden, die nauwelijks droog achter de oren zijn, behoren geen invloed op belangrijke politieke kwesties te hebben”. De toelatingsleeftijd van achttien jaar vond Bonger een gruwel. “Dit is uit een selectionistisch oogpunt onverdedigbaar”. Het is niet verbazend dat professor Bonger - de grootste socioloog en criminoloog van zijn tijd - aspirant-leden van het stemrecht en discussierecht wilde uitsluiten.

Interessant is de verklarende toelichting die Wim Kok over zijn persoonlijke achtergrond geeft: Zuidhollandse polderjongen, van het calvinistische type, hard en streng voor zichzelf. Dat is niet zo heel veel anders dan de karakterschets die we van zijn voorganger Den Uyl hebben: Hilversumse dorpsjongen, van het gereformeerde type, ook hard en streng voor zichzelf. Het belangrijkste verschil is dat Den Uyl niet hard en streng voor anderen was, en zeker niet voor het lastige, veeleisende deel van zijn politieke aanhang.

Het is jammer dat Kok zijn Nieuwe Denken slechts in terzijdes heeft geopenbaard, maar dat is de consequentie van de manier waarop de politieke gedachtenvorming in het tijdperk-Lubbers tot stand komt. In een tijd waarin politici hun gedachten niet meer eigenhandig aan het papier toevertrouwen maar tijdens het ontbijt of onder het scheren aan journalisten prijsgeven, moeten de politiek genteresseerden het doen met gedachtensnippers en soundbites. Uitgewerkte denkbeelden en opvattingen zijn antiquiteiten geworden waarvoor de amechtige politieke leiders, zelfs schrijvende politici van het type-Bolkestein, zich de tijd niet meer gunnen. Maar als we Bongers denkbeelden over een hiërarchisch gelede democratie in gedachten houden, dan valt het ons gemakkelijker Koks opvattingen over de jeugd en het nieuwe normbesef in hun diepere betekenis te lezen. Kok is een Bongeriaan, dus zal de appel niet ver van de stam zijn gevallen. Jongeren die nog niet droog achter de oren zijn kunnen hun borst nat maken.