Armenië na de hongerwinter; Zeven berichten uit de keuken van de Grigorjans

De strijd om Nagorny Karabach is de afgelopen weken in een beslissend stadium gekomen. Terwijl in Azerbajdzjan de chaos met de dag groter wordt, veroverden de Armeniërs twee weken geleden het laatste grote bolwerk van de Azeri binnen de enclave, de stad Mardakert, en afgelopen week doorbraken ze de linies van de Azeri om verder op te trekken, richting Baku. Intussen kunnen de overwinnaars zelf nog nauwelijks het hoofd boven water houden. Na een lange, ijzig koude winter zonder elektriciteit, gas of water, is er voor de gewone man weinig meer dan een stuk grijs brood. De meeste aanvoerlijnen zijn opgeblazen, treinen rijden niet meer, vrachtauto's worden geplunderd en zelfs het vliegverkeer is vrijwel gestaakt door gebrek aan brandstof. Hoe overleeft een moderne, hedendaagse stad met bijna twee miljoen inwoners zo'n isolement? Bezoek aan de familie Grigorjan, in de Pjervy Pere-oelok, de Eerste Dwarsstraat, van de wijk Avan in Jerevan.

I

In Jerevan leert men het lot aanvaarden met lacherige gelatenheid. Het gaat goed met de oorlog en na de gruwelijkste winter sinds generaties krabbelt de stad weer overeind. De terrassen zitten vol, over de trottoirs flaneren de meisjes in hun mooiste zomerjurken, er wordt gezongen en muziek gemaakt, en zelfs de paar bomen die deze hongerwinter hebben overleefd, zijn weer uitgelopen.

Er is niet veel te drinken in de cafés: limonades met duivelse kleuren, zoete wijn en de donkergele cognac van het geliefde merk Ararat. Overal langs de straten staan boomstompen, de restanten van illegale zaagpartijen om de noodkacheltjes te voeden. Parken zijn veranderd in kale velden vol stoppels en de flats daarachter staan er opeens betrapt bij, schaamteloos in het zicht, grof en grijs, met overal grote roetvlekken waar de provisorische schoorsteenpijpen van de noodkacheltjes uit de ramen steken. Op de achtergrond schemeren, gehuld in wolken en sneeuw, de bergen, en de onbereikbare wereld daarachter.

De schikgodin van deze stad heet Electra. Ooit was Jerevan een elegante en welvarende stad. Maar olie is er nauwelijks meer, benzine kost per jerrycan meer dan een weekloon. De elektriciteit flikkert aan wanneer het haar goeddunkt, en even onverwachts verdwijnt ze weer. 's Avonds loop je langs de straat, je bent bij vrienden op bezoek geweest, en opeens vallen alle lantarens uit. Een minuut lang is de stad aardedonker, tot je ogen weer wennen. Bij het licht van de koplampen van passerende auto's moet je dan maar naar huis scharrelen, van de ene kuil langs de andere. Een lange rij geparkeerde trolleybussen tekent zich af tegen het licht van de maan, en in de verte lopen de passagiers, breeduit over de weg, honderden mensen, moeizaam sjouwend met plastic tassen tegen de heuvel.

Binnenshuis is alles ook uitgefloept, middenin het droomzoete kinderkwartiertje van de Armeense televisie. Er worden kaarsen aangestoken, we proberen een vriend te bellen of daar misschien nog stroom is om straks het tv-journaal nog te zien, maar ook de telefoon is dood. Zo gaat het hier bijna elke dag, en het is wel erger geweest.

Ooit was Armenië een van de belangrijkste industriecentra van de Sovjet-Unie. Nu is het een vergeten vlek op de kaart waarvan de bewoners al een jaar in bijna volslagen isolement leven. Het land is omringd door bergen en vijanden. Alle energie is de afgelopen vijf jaar in de oorlog gestoken. En de prijs van het succes is hoog. Een stad als Jerevan, met bijna twee miljoen inwoners, heeft al jaren geen gas meer, en alleen als je boft komt er nog water uit de kraan. Vrachtauto's die via Georgië of Iran het land proberen te bereiken, worden dikwijls halverwege geplunderd, de meeste treinen staan te roesten op de emplacementen, en ook het vliegverkeer is vrijwel gestaakt. Alleen dank zij het initiatief van een groep rijke Armeense emigranten komt nog zo nu en dan een rammelende Iljoesjin uit Los Angeles en Parijs in Jerevan aan. Op de terugweg moet ergens in Georgië worden getankt omdat Armenië zelf de brandstof niet meer heeft voor dat anderhalve burgervliegtuig per week.

Tijdens onze vlucht met "Armenian Airways' bestond de lunch uit een blauw plastic schaaltje met daarop twee dunne plakken donker getint gehakt, een paar sliertjes rode kool, een stuk grijs regeringsbrood en een toetje van taai bladergebak, met daarbij een minuscuul puntzakje kostbare suiker.

Het vliegtuig was uitgewoond als een schip vol landverhuizers, en overal lagen stukken bagage en slapende lichamen. De helft van de passagiers was dronken en bij de landing was er geen klinknagel die niet kreunde of kraakte. Na aankomst moesten de passagiers uren wachten, omdat alle koffers en tassen met de hand moesten worden uitgeladen.

In de hal van het vliegveld waren de ramen van de loketten gebroken of dichtgetimmerd. Hier en daar wapperde een vuil geel gordijn naar buiten. Middenin de menigte stond een familie zwijgend bijeen, alsof er een dode was aangekomen. Een vrouw viel flauw, haar slappe lichaam werd over de hoofden naar een zijkamer getild. In een hoek stond een goederenweegschaal en uit verveling begonnen we ons te wegen, en daarna klom iedereen erop. Van onze vrienden hoorden we dat de Armeniërs de afgelopen winter gemiddeld zeven kilo zijn afgevallen, tenminste, dat schreven de kranten, en iedereen wilde dat wel eens even goed nameten. ""Ja, het waren gezonde maanden,'' riepen de mannen tegen elkaar als de wijzer niet veel verder wilde kruipen dan een kilo of zestig, en lachend klopten ze op de plaats waar eens hun buikje had gezeten.

II

We wonen bij de familie Grigorjan, in de Pjervy Pere-oelok, de Eerste Dwarsstraat, van de wijk Avan. In de keuken snijdt de moeder des huizes kool. Openhalen, het hart eruit, kleinsnijden, haar gebaren hebben de rustige doeltreffendheid van handen die al veertig jaar met witte kool zijn omgegaan, dag in, dag uit.

Naast haar liggen de kruiden die ze vanmiddag buiten de stad heeft gezocht: munt, bepaalde looksoorten, een fris smakend soort gras. Achter haar kwetteren drie kooien vol kanaries en parkieten. Op de grond staat een klein elektrisch kooktoestelletje, een soort stoofje, waarmee zowat alles wordt gedaan, tenminste, als er stroom is. Aan de muur hangt een schilderij van het Laatste Avondmaal en een affiche met twee lachende chimpansee-baby's. Tien kilometer lopen heen was het vanmiddag, en tien kilometer terug.

Hier zaten de Grigorjans de winter uit, rond een zelfgemaakte kachel en met vijfhonderd kilo aardappels in de kelder. Ze verstookten de dieselolie die ze al tien jaar geleden in grote vaten onder hun huis hadden opgeslagen "voor het geval dat'. Voor de rest was het een soort overwintering op Nova Zembla geweest. De stad was pikdonker, op de Amerikaanse ambassade na, die al die tijd als een baken van licht en warmte tussen de koude huizen had gelegen. Veel meer dan een paar geruchten was er tijdens die verschrikkelijke maanden niet in de keuken van de Grigorjans doorgedrongen. De wereld was ver weg. De batterijen van de radio raakten op, en de televisie leek niet meer te bestaan. ""We zaten de hele dag om de kachel, en we wachtten tot het weer donker was, dan gingen we maar naar bed en dan was er weer een dag om,'' vertelt dochter Asja. ""Lezen kon je nauwelijks, want je handen verstijfden. We praatten de hele dag over de lente, dat het toch een keer lente moest worden. We telden de dagen, we telden zelfs de uren.''

Maar nu wandelt de familie weer in de wereldberoemde botanische tuin van Jerevan, vlakbij hun huis. De vogels fluiten, de geliefden flaneren tussen de boomstompen en zelfs de hond des huizes heeft de winter overleefd, maar de kassen staan erbij als een dierentuin na een bombardement. Palmen, varens, de honderden orchideeën, ze zijn allemaal doodgevroren. Langs de paden lijken de verse lindestompen eerder afgeknabbeld dan afgezaagd, alsof een onbekende insektensoort zo'n boom heeft ontleed in duizenden takjes en splintertjes.

Maar laat ik ze eens even voorstellen, de Grigorjans. Vader Grigorjan draagt meestal een glimmend, lichtblauw joggingpak, van het merk Competition. Hij is vrachtwagenchauffeur, al doet hij niet zoveel meer, want door de blokkade ligt zowat alles in Armenië plat. Van zijn zesduizend collega's werken er op dit moment nog maar hooguit tweeduizend, en hoe dat verder moet weet niemand. Moeder Grigorjan is de motor achter het gezin. Ze is stil en grijs, ze heeft een rustig, stevig gezicht, en je kunt nog altijd zien hoe mooi ze ooit was. Dan is er een zoon, Asjot, voormalig "Stootarbeider van de Sovjet-Unie' en nu in levendig handelsverkeer gewikkeld met heren in skaileren jasjes uit Moskou en Mongolië. Dan is er Asja, die op de Polytechnische School werkt, en absoluut de mooiste is, maar ze verstopt zich altijd achter een grote uilebril. Ze heeft drie zusters: Maria, Gajanna en Anna. Over Anna wordt in de keuken veel gesproken. Anna is een zigeuner aan het worden, die loopt rond als een openhangende duster, die is deze lente verliefd geworden, maar niemand mag het weten.

Drie vriendinnen van Asja zijn in een plantsoen bezig een stukje gazon rijp te maken voor een moestuin. Ze lachen en maken grappen. ""Wat maken we ons druk,'' roept eentje. ""Als je de moed laat zakken kost dat je ziel. We hebben toch altijd de zon en de lucht.''

Vanaf een vervallen terreintje rennen twee jongens schreeuwend de straat in, achterna gezeten door een tiental mannen. De jongens zien er bebloed uit, ze roepen dat ze in elkaar geslagen zijn, en god weet wat nog meer, hun tongen zijn rood in hun bleke gezichten.

III

Hoe brengt een moderne, hedendaagse stad met bijna twee miljoen inwoners de winter door zonder elektriciteit en gas? Met dikke jassen aan onder de dekens, vroeg naar bed en laat opstaan, en wat geluk - zo dus. Op de universiteit van Asja deed afgelopen winter het verhaal de ronde van een man en een vrouw die elkaar in Jerevan op straat tegenkwamen. Jaren geleden waren ze geliefden. Gelijk slaat de vlam weer in de pan. Praten, handen vasthouden. Zegt de man: ""Kom, laten we ons aankleden en naar bed gaan.''

""Ik dacht altijd dat een mens zoiets nooit zou kunnen volhouden, maar dat blijkt dus mee te vallen,'' zegt Asja. ""Wassen was bijna niet mogelijk. We deden wat spelletjes, schaakten. En het duurde en het duurde maar. In maart begonnen de vogels wat meer lawaai te maken. Het werd wat lichter. Maar begin april was er een sneeuwstorm, drie dagen lang, onafgebroken. We dachten dat het nooit ophield. Toen, op een dag, deed de telefoon het plotseling weer. En een week of twee later gloeide opeens de keukenlamp weer op, flakkerend en aarzelend. En nog een week later was het eindelijk lente.''

Met oud en nieuw trakteerde Armenië de bevolking op twee dagen elektriciteit. Op oudjaarsavond was er drie uur lang televisie: een concert en een humoristische show. Daarna werd de knop weer op zwart gedraaid.

Armenië staat voor dilemma's op milieugebied die voor westerse begrippen ongekend zijn. Het land heeft een uitstekende industrie, goede vaklieden, het kan van alles, maar het heeft geen grondstoffen. De meeste bedrijven liggen stil omdat de gas- en olieleidingen die het land van energie voorzagen door de Azeri's zijn opgeblazen. Nu kan Armenië zichzelf in redelijke mate van energie voorzien, maar vraag niet hoe. Ooit is er een systeem van waterkrachtcentrales gebouwd en ook hebben de Armeniërs een kerncentrale, bij Medzamor, die in theorie goed is voor éénderde van het elektriciteitsgebruik. Beide projecten vormen voor het land een ware tantaluskwelling. De waterkrachtcentrale blijkt door een misrekening veel meer water aan het centrale Sevan-meer in Armenië te onttrekken dan er via de rivieren bijkomt. Ooit heeft men de centrale een jaar op volle capaciteit laten draaien en toen was het water in het meer een meter gezakt. De - verouderde - kerncentrale is bij de grote aardbeving van 1988 zo zwaar beschadigd dat zij kort daarna is afgekeurd door het Internationale Bureau voor Atoomenergie en gesloten. Desondanks gaf de Armeense premier Bachratian bij een recent bezoek aan Nederland met zoveel woorden toe dat dit potentiële Tsjernobyl binnenkort weer open gaat. ""We moeten wel,'' zei hij tegen een paar journalisten. ""Niemand helpt ons.'' Sinds een paar weken is er in Jerevan weer langer en vaker elektriciteit. Waar die stroom opeens vandaan komt, daarover praten ze in de keuken van de Grigorjans maar liever niet.

Vanaf het dak van hun huis kun je op een heldere dag de berg Ararat zien, groot en massief, en tegelijk onbereikbaar ver op Turks grondgebied. Vadertje Ararat, zeggen ze hier op straat.

IV

De boezemvriend van Asjot heet Kolja. Kolja is de sterke, Asjot is de dromer, en ze zijn bijna altijd samen. ""Onze vriendschap gaat boven alles,'' zegt Kolja, ""we delen alles samen. Als de een problemen heeft, dan is het ook het probleem van de ander.'' ""Onze vriendschap is heiliger dan tussen broers,'' zegt Asjot. Samen zitten ze in de handel. Het afgelopen najaar hadden ze in Moskou goede zaken gedaan met een wagonlading wijn uit Mongolië en een partij dure chemische grondstoffen uit Armenië, en daarvan hebben ze de afgelopen maanden geleefd. Anoesj, hun compagnon, is een mooie, donkerogige weduwe van een jaar of dertig. Met z'n allen gaan we op een avond bij haar eten, op de negende verdieping van een flat.

De etiquette in dit land vereist dat zowat bij iedere slok het glas opnieuw geheven wordt. Een maaltijd bestaat hier dan ook uit minstens een dozijn kleine toespraakjes, een regen van welgekozen woorden. Zo drinken we deze avond op de vriendschap, we drinken op Armenië, we drinken op onze overleden ouders in het paradijs, we drinken op de herinnering, ""want,'' zegt Kolja, ""zonder de herinnering zouden we niet zijn zoals we zijn.'' We drinken op de taal, dat mensen elkaar verstaan. ""Ik drink,'' zegt Asjot, ""ik drink op alle goede mensen in de wereld. Ik ben nooit in het buitenland geweest, maar ik heb de hele Sovjet-Unie doorgereisd en overal wonen goede mensen. Ook in Azerbajdzjan. Ik ben er vaak geweest, ik kende er heel wat. Goede mensen. Ik drink op hen. Dat ze sterk zullen zijn, en met velen.''

Bij kaarslicht eten we gebakken karper, zelfgezochte groente, minuscule geconfijte appeltjes en taart die bij een vriendin met een houtoven is gebakken. Het had die dag geonweerd en er hing nog steeds een drukkende stemming over de stad, We vertelden over ons bezoek die ochtend aan de afgevaardigde Roeben Hakopjan, een van de belangrijkste figuren binnen de Armeense Revolutionaire Federatie. Hij oogde als een jonge Elco Brinkman, maar dan op z'n Armeens. Het gesprek was moeizaam verlopen, via twee tolken, omdat Hakopjan uit principe weigerde een andere taal te spreken dan Armeens. Volgens de opiniepeilingen heeft zijn partij op dit moment een aanmerkelijk grotere aanhang dan de Armeense Maatschappelijke Beweging, de gematigde partij van de huidige president Ter-Petrosjan. Ter-Petrosjan wil de kwestie Nagorny Karabach oplossen door de enclave een speciale status te geven, binnen Azerbajdzjan, net als vroeger. Op die basis is een paar weken geleden ook een principe-akkoord gesloten over een staakt-het-vuren. Onze parlementariër was daar faliekant tegen. ""Wij kunnen, na alles wat er gebeurd is, na de moordpartijen op de Armeense burgers in Azerbajdzjan, niet toelaten dat Nagorny Karabach nog onder Azerbajdzjan blijft,'' zei hij.

Hij deed ons nog eens de hele voorgeschiedenis uit de doeken. Hoe Armenië ooit een groot gebied in bezit had rondom de berg Ararat, met ook flinke stukken van Turkije. Hoe in 1915 de Armeniërs in Oost-Turkije door de Turken letterlijk zijn uitgeroeid - volgens zeggen zijn bij deze genocide meer dan anderhalf miljoen Armeniërs om het leven gekomen. Hoe er in 1920 even een onafhankelijke Armeense Republiek was. En hoe daarna Stalin heel bewust Nagorny Karabach, dat helemaal door Armeniërs bewoond werd, aan Azerbajdzjan heeft toebedeeld om de nieuwe Sovjet-republiek Armenië niet al te sterk te maken. ""Jullie in het Westen, met jullie eeuwenoude, rustige grenzen, jullie vergeten dat de voormalige Sovjet-Unie niet alleen op economisch gebied een geforceerde constructie was, maar ook wat betreft grenzen en nationaliteiten. De hele Sovjet-Unie zat vol met situaties als Nagorny Karabach. Nu dat allemaal uiteenvalt, is het logisch dat ook de grenzen tussen de republieken moeten worden gereconstrueerd.'' ""Dan is wel het eind zoek,'' zeiden wij.

Maar onze afgevaardigde wilde niets weten van het beginsel om enkel het grondgebied als uitgangspunt te nemen bij het bepalen van iemands nationaliteit, en niet zijn etnische afkomst. ""Het lijkt allemaal mooi en het is ook de internationale standaard om niet aan grenzen te morrelen, maar als je die regel toepast in Nagorny Karabach is daar binnen tien jaar geen Armeen meer over.''

""En Joegoslavië?'' vroegen wij. ""Daar leren ze nu ook dat je moet letten op de werkelijke, interne situatie,'' had de parlementariër gezegd. ""De Sovjet-Unie is geforceerd opgezet, nu komen al die innerlijke krachten vrij, hoe pijnlijk dat ook is.'' Het lijkt alsof de vrede, waarover iedereen het op straat had, eerder een lente-illusie was dan de politieke werkelijkheid. ""Nog één zo'n winter, en de meesten gaan weg,'' zegt Asjot. ""Naar Iran, of naar hun familie in Amerika of Europa. Je ziet nergens meer zwangere vrouwen. Het voorjaar na de aardbeving, toen leek het alsof half Jerevan zwanger was. Maar nu: niemand.''

""Wij zijn nauwelijks zichtbaar op de wereldkaart,'' zegt Anoesj, ""maar wij zijn ook mensen die willen leven en een normaal bestaan hebben. Ons volk bestaat al sinds de ark van Noach. We hebben een eigen schrift, een eigen taal, literatuur, muziek, kunst, we zijn al christen sinds het jaar 301. De Assysiërs, een duizenden jaren oud volk, zijn al uitgeroeid. Zijn wij nu aan de beurt?'' Het kan haar niet schelen wie de baas wordt in Nagorny Karabach, als er maar vrede komt. Maar Asja heeft haar strenge bril weer opgezet en zij vindt het maar niks: ""Onze helden in Nagorny Karabach vechten voor een goede zaak. Het recht moet overwinnen,'' zegt ze.

Anoesj begint over haar grootvader, die haar als kind altijd vertelde over het vroegere Armeense deel van Turkije, het land achter de witte Ararat, waaruit haar familie door de Turken was verdreven. ""Hij zei dat de groente er voor het grijpen lag. De vissen kon je zo uit de rivier pakken, zo zuiver was het water. Werken hoefde je er bijna niet. De honing liep er van de bomen.''

V

Wat Armenië drijft is, zoals zo vaak, geen veroveringszucht maar, uiteindelijk, wilde angst. Op een avond gaan we langs bij een naburige studentenflat die nu vol zit met Armeense vluchtelingen uit Baku en andere delen van Azerbajdzjan. We worden binnengehaald door een jonge vrouw, Lilia, die al vier jaar met haar twee kinderen in een kamer van drie bij drie woont. De televisie staat aan - reclamespots van Lucky Strike en Pedegree Pal hondebrokken - en de kinderen eten een kommetje rijst met tevredenheid. Lilia heeft geen cent, ze leeft van de liefdadigheid en een paar voedselpakketten. Haar man, een Rus, is teruggevlucht naar zijn geboortestad, op grond daarvan zijn ze gescheiden.

Het kamertje stroomt intussen vol met buren, die allemaal beginnen over de pogroms van de Azeri, en de moordpartijen in Baku en Sumgait in februari 1988, waardoor ze hier beland zijn. ""Mijn drie broers zijn opgehangen.'' ""Mijn neef ging nog even naar zijn huis kijken, hij is nooit meer gezien.'' ""Mijn zoon is bijna vermoord op zijn werk, de helft van zijn gezicht hebben ze verbrand.'' Een oude vrouw vertelt hoe er, toen ze brood ging halen, door opgeschoten jongens brandende sigaretten in haar gezicht werden uitgedrukt. ""Daarna gingen ze stenen gooien. Toen ik thuiskwam zat ik onder het bloed.'' Een man vertelt hoe ze door hun Azerbajdzjaanse buren zijn gered en het land zijn uitgeholpen. ""In de metro vroegen vier jongens wie ik was. Toen ze mijn naam hoorden sloegen ze me bewusteloos. Mijn vrouw heeft me letterlijk op haar rug het land uitgesleept. Ik heb vier maanden in het ziekenhuis gelegen.'' Later werd hun huis, net als bij veel andere Armeniërs, gemerkt met een kruis. Voor de deur werd benzine gegooid. ""Drie kamers vol import-meubels hebben we achter moeten laten, een tv, onze mooie ijskast, een piano, ik had de piano aan mijn dochter willen geven, mijn dochter speelt piano moet u weten....''

""Bij ons,'' vertelt Asjot op de terugweg, ""bij ons in de straat woonde tot voort kort één Azeri. Hij was getrouwd met een Armeense vrouw. Hij is als een van de laatsten weggegaan. Hij is niet teruggegaan naar Azerbajdzjan, hij woont nu heel ergens anders. Zij woont nog steeds hier in de straat. Nee, ze zijn niet gescheiden, ik geloof dat ze elkaar nog zien. Het was een eenvoudige bouwvakker, een aardige man. Hij sprak vloeiend Armeens. En hij kon fantastisch thee maken, hij schonk glazen met drie kleuren thee bovenop elkaar, net een vlag.''

VI

Anna is nog steeds verliefd. Opgewonden en met rode konen loopt ze door het huis. Ze neemt ons mee naar haar werk, een kliniek voor hersenchirurgie, waar we de middag doorbrengen met drie chirurgen en een stevige fles Ararat. Ze hebben bebloede voorschoten, de anesthesist werkt met een soldatenmuts op en ze zijn vrolijk, want ze zijn net terug van het front. Veel bombardementen hadden ze gehad, naar spul, fragmentatiebommen, dum-dumkogels, moeilijk werk. De Azeri hadden een voorkeur voor plekken waar veel mensen werden verwacht, bijvoorbeeld bij de toelatingsexamens van het pedagogisch instituut. Eén keer bombardeerden ze de kleuterschool vlakbij het ziekenhuis. Tien kinderen stierven onder hun handen, de rest hebben ze erdoor gehaald. Ze hebben uit de tijd van de aardbeving nog altijd een flinke portie medicijnen in de kast, waardoor ze ook in deze barre tijden nog met verdoving kunnen opereren, wat een groot voorrecht is. Maar geen gezeur, we moeten stevig doordrinken uit hun maatbekertjes - "Medisch voorschrift', roepen ze - want straks moeten ze weer aan de operatietafel.

De wereld van Asja is de Polytechnische School. Voor de deur hangen de draden van de trolleybussen in grote bogen naar beneden. Om de paar minuten vliegt in het voorbijgaan de trolley van een van de modderige wagens met veel geknal en gevonk van de draad, vloekend stappen de chauffeurs uit om het wiel weer op de kabel te manoeuvreren, voorzichtig rijdt de bus weer verder, totdat het ding na honderd, tweehonderd meter opnieuw stilstaat en weer een arm van de trolley doelloos door de lucht zwaait.

De grote benedenzaal is vol klanken en gepraat. Tientallen studenten zitten er te roken, te lachen en te musiceren. De zaal was de afgelopen winter een van de belangrijkste vrijplaatsen voor de jeugd, een plek waar tenminste nog iets gebeurde, want er was elektriciteit en gezelligheid. Naarmate het slechter ging met het land, leek de cultuur te bloeien. We maken kennis met het cabaretgezelschap van de school dat ook de oudjaarsvoorstelling op de Armeense televisie verzorgde. "De Club van Vrolijken en Vindingrijken' noemen ze zichzelf. Ze hebben iets ouderwets jongs. In Moskou wonnen ze de grote cabaretprijs van de Sovjet-Unie, maar ze willen pertinent in Armenië blijven. Midden in de winter traden ze in Jerevan op, in dikke jassen, voor een blauwbekkende zaal, nadat ze van het elektricteitsbedrijf drie avonden licht hadden afgebedeld. ""Eet niet te veel,'' roepen ze tegen elkaar, ""het kan een gewoonte worden.''

Asjot leeft een leven waar zijn ouders en zusjes weinig weet van hebben. Er zijn problemen met een lading boter uit Siberië, en hij wil zijn vleugels uitslaan naar het Westen. ""Kunnen we iets uit Holland importeren?'' vraagt hij ons. ""Begin iets met zonnecollectoren,'' zeggen we. ""Of goede elektronica.'' Maar Asjot denkt meer aan grote partijen bier in blik, liefst Heineken, of boter, of Edammer kazen, wekelijks vers overgevlogen met de Iljoesjin van Armenian Airways.

Op een van de laatste dagen heeft hij ons naar Leninakan gereden, de tweede stad van het land, waar op 7 december 1988 driekwart van de gebouwen instortte en waar tienduizenden inwoners omkwamen in het puin. Het regent dat het giet. Asjot had na de aardbeving wekenlang geholpen met het opruimen van puin en lijken, maar daarna was hij nooit meer terug geweest. Hij herkent niets meer. Eindeloos rijden we rondjes, langs de nieuw gebouwde buurten van Leninakan met hun zilverig glimmende daken, langs de puinhopen en de vreemd verschoven huizen van de oude stad, langs de voormalige woonwijken, nu bedekt met krotten en caravans, langs het oude station waarvan de klok voor eeuwig op twintig voor twaalf is blijven staan. We klampen politieagenten aan, en sigarettenverkopers, en vooral oude mensen, die weten nog het meest van hoe het vroeger was.

Uiteindelijk belanden we vlakbij de plek waar hij ooit puinruimde, in de voormalige Teterianstraat. Ooit was het daar een buurt als Bos en Lommer of Overschie. Ruw gebouwde blokken van negen verdiepingen hoog, met links en rechts een betonnen trap, balkons en gaanderijen waar de was hing te drogen en daarachter kleine, maar redelijk comfortabele woningen. De bewoners waren meestal geschoolde arbeiders, vaak jonge gezinnen waarvan beide ouders werkten. Tot de flats op 7 december 1988 als een kaartenhuis in elkaar schoven, met alles wat erop en erin was.

We vinden Asjots Teterianstraat terug in de vorm van een dorp van plastic, karton en blik, een kruising tussen een barakkenkamp en een sloopterrein. De grond bestaat uit een mengsel van puin, afval, wanhoop en modder. Het zijn de restanten van de huizen, de meubels, de glazen en het aardewerk van de bewoners van de Teterianstraat, en daarop wonen de overlevenden, nu al viereneenhalfjaar lang. Het regenwater klettert van de zinken afdaken en loopt in kleine stroompjes langs de huizen. We komen een vrouw tegen met een jammerende kat, die almaar roept dat ze zelfs dat beest niet meer te eten kan geven. Al snel worden we van de ene hut naar de andere gesleept.

""Iedereen is ons vergeten,'' zegt een man. ""De buitenlanders zijn allang weer weg, en de Armeniërs hebben het te druk met de oorlog.'' ""We leven hier als honden'' roept een vrouw, ""maar een hond heeft het beter dan wij. Er is geen hout, er is niks, ook niet in de winkels.'' Een jonge vrouw vertelt dat ze die ochtend naar de markt ging en, omdat de kinderen er zo verlangend naar vroegen, in een impuls voor hen een ijsje kocht, in plaats van eten voor haarzelf. ""Zelfs de koekoek van de klok is deze winter doodgevroren,'' roept een magere man onder geschater van de buurvrouwen.

We worden binnengehaald door de familie Tonnoian; hij ooit bedrijfsleider, zij destijds een goed betaald arbeider, net als de kinderen. ""We hebben de hele winter dit soort varkensvoedsel gegeten,'' zeggen ze, en ze laten een bruine, zurige kool zien. ""Dit is allemaal zo absurd als je het vergelijkt met hoe we vroeger leefden en werkten, met goede banen en vakanties, dat je alleen maar kunt huilen of lachen.'' Van de medicijnen die het buitenland in grote hoeveelheden stuurde hebben ze nooit wat gemerkt. Mevrouw Tonnoian: ""In Leninakan zijn geen regels meer, niemand is meer de baas, iedereen doet maar wat.'' Haar man: ""Je krijgt alleen hulp als je betaalt. De dokter zegt alleen: laat er toch maar wat aan doen, want als je doodgaat is dat nog duurder. En dat klopt nog ook, want een begrafenis kost een fortuin hier, er is helemaal geen ruimte meer op de kerkhoven, ze moeten je doormidden zagen.'' Iedereen begint opnieuw smakelijk te lachen, maar zijn vrouw fluistert: ""Nu lopen we elkaar nog voortdurend moed in te spreken, het komt wel goed, het komt wel goed, maar als het nog een half jaar duurt wordt het een tragedie.'' ""Kom logeren,'' roept hij, ""het is hier een paradijs!''

Naast de Tonnoians woont Tamara Takoe met vijf jonge kinderen, een kat en een dronken man in een grote, lekkende caravan. Er staan een paar bedden, overal lekt het en in een hoek staat een kacheltje van een paar ruw gelaste platen. ""Kijk, hier stook ik mee,'' zegt ze, en ze laat twee binnenbanden zien. ""Het is het laatste wat we nog hebben.'' ""En eten?'' vragen we. Ze haalt haar schouders op. Het kacheltje smeult op een oude krant en een halve fietsband en op de rand van het bed zitten de kinderen nieuwsgierig te kijken. Het zijn alle vijf mooie kinderen, de twee zoons en drie dochters van Tamara Takoe, maar we gaan gauw over op een ander onderwerp, want ze hebben duidelijk flink honger, en of ze nog zo'n winter zullen overleven is maar de vraag.

VII

""De volheid van het leven van de Armeniërs, hun ruwe tederheid, hun edele neiging tot hard werken en hun sublieme vertrouwelijkheid met de wereld van de tastbare dingen - dat alles zei mij: je bent wakker, wees niet bang voor je eigen tijd, wees niet arglistig....'' Deze zinnen noteerde dichter Osip Mandelsjtam in 1933 tijdens een reis door Armenië. Zestig jaar later jagen de Armeniërs duizenden Azeri, simpele boeren, herders, vrouwen en kinderen, op de vlucht. De Azeri bombarderen op hun beurt de grensdorpen van Nagorny Karabach en van Armenië zelf. Op het nieuws bedanken een paar vrolijke Armeense soldaten de Azeri voor hun steun aan de strijd - met z'n twaalven hadden ze in een paar dagen tijd acht tanks buitgemaakt.

In de keuken van de Grigorjans begint de radio een operettelied. De vogels kwetteren. Moeder Grigorjan rolt het deeg uit voor brood. Asjot tobt over zijn handel. Kolja strompelt met een blauw oog rond, maar thuis mag niemand weten dat hij dat aan de kersverse mafia van Jerevan te danken heeft omdat hij geen "beschermingsgeld' voor zijn zaak wilde betalen.

Asja heeft haar bril afgezet en staart eindeloos in de spiegel. Anna komt half slapend binnenzeilen in een verwarde kimono en verdwijnt weer in de meisjeskamer.

Gajanna maakt koffie op een klein brandertje van aluminiumfolie, met daarin een watje met spiritus. Ergens in Georgië schijnt weer een gasleiding te zijn opgeblazen. Er is alweer drie dagen geen stroom, maar de telefoon doet het nog steeds en het is ook opgehouden met regenen.

In samenwerking met Joanka Prakken en de VPRO-radio.