Zes voortvarende doktersdochters; Optimistische roman van Elsbeth Keesing

Elisabeth Keesing: Tijd gerekt. Uitg. Querido, 207 blz. Prijs ƒ 37,50.

Het idee dat het in de wereld niet altijd mooi verdeeld is, zat er bij Elisabeth Keesing al vroeg in. In haar autobiografische roman Op de muur (1981) roept zij meer dan eens verontwaardigd uit: ”Het was Onrecht'. Ze beschrijft hoe ze als meisje van jaar of elf voor het eerst meeging naar sjoel, de synagoge op het Jonas Daniël Meyerplein in Amsterdam. Maar anders dan haar broertje Leo mag zij, tot haar verbazing, niet via de fraaie hoofdingang naar binnen, maar moet ze met een tante en een nichtje door een onaanzienlijke zijdeur naar een al even onaanzienlijke ruimte, die afgesloten is met tralies. Haar vrome nichtje schijnt deze gang van zaken heel normaal te vinden en legt haar uit wat de bedoeling is. Maar zij voelt er niets voor om zich te onderwerpen aan rituelen waaraan zij niet werkelijk mag deelnemen. “Jawel. Dank voor de wet; dank voor de openingen van het lichaam; wonen in een loofhut op het dak van een huis op de Weesperzij; op en neer zingen en wetsrollen kussen. Alles heel mooi voor de mannen. En de vrouwen achter de tralies.”

Uit haar strijdlustige memoires valt op te maken dat ”Betty' zich, anders dan haar moeder, nooit met een nederige rol op de achtergrond tevreden heeft willen stellen.

Typerend voor de schrijfster Elisabeth Keesing is dat zij op een studie over Constantijn en Christiaan, de zoons van Constantijn Huygens, een boek liet volgen waarin zij de vrouwen uit Huygens' tijd aan de vergetelheid ontrukte. Zij laat graag wilskrachtige vrouwen in haar boeken optreden, die het meestal niet in alle opzichten mee zit.

Ook de zes zussen die haar nieuwe roman, Tijd gerekt, bevolken, hebben zo hun verdrietigheden. De een treurt om haar eerste en enige liefde, de ander moet zich tevreden zien te stellen met een getrouwde man, de een is dik en ongewenst kinderloos, de ander heeft een mismaakt gezicht, de een verlangt terug naar een jeugdvriendin, de ander zoekt naar een vaderfiguur die haar kan beschermen tegen de grote, boze wereld. Alle zes wonen ze, ondanks hun gevorderde leeftijd, nog of weer in het ouderlijk huis, waarin hun pas overleden vader zijn huisartsenpraktijk dreef. Om die dode vader, een dominante man die zijn dochters geen eigen leven toestond, draait alles. Eigenlijk was aan de jongste dochters zelfs helemaal geen leven toegestaan, omdat zij het ene zoontje niet konden vervangen dat in een Jappenkamp stierf. Terwijl zij tegelijkertijd aan het dode broertje hun leven juist te danken hebben. Dit verwarrende spel met leven en dood is Keesing wel toevertrouwd.

Ontplooiing

De dochters beseffen dat zij gevangenen zijn geweest van hun vader, zoals hun moeder dat was, al hebben ze er begrip voor dat hijzelf op zijn beurt de gevangene was van zijn omstandigheden: de oorlog en het kampleven. Dit lijkt misschien een wat drakerig gegeven: zes dokterskinderen in een provincieplaats, die hun dagen broedend over pappie en het verleden doorbrengen. Maar Keesing is veel te vitaal om haar dames bij de pakken neer te laten zitten, of er duffe types van te maken. Na een inleidend hoofdstuk waarin elk van de dochters haar levensproblemen uiteenzet, gaan ze bepaald voortvarend te werk. Want behalve zwakke punten hebben deze dochters ook zo hun talenten. Ze zijn slim, handig, technisch onderlegd, ze kunnen zingen en schaken. De dood van de vader zet de dochters tot verschillende initiatieven aan: plastische chirurgie, een reis naar India, het exploiteren van een kruidentuin, het vinden van een baan, een zwangerschap en een huwelijk. De koele rekenaar zal vijf maanden misschien wat krap vinden voor zoveel ontplooiing, maar als ik de titel goed interpreteer, dan is er al veel tijd gerekt en moet er nu snel gehandeld worden.

Om nog wat extra leven in de brouwerij te brengen, stuurde Keesing een projectontwikkelaar, met de omineuze naam Jacobus Ritselaar, op haar dames af, die hen het huis voor een appel en een ei afhandig wil maken. Hij denkt dit karweitje wel ”even te fiksen', maar ”de vrouwtjes' blijken taaier dan verwacht. Hij zorgt voor een komische noot in de roman met zijn doorzichtige pluimstrijkerijen en platvloerse gedachten over ”die geëmancipeerde trutten'.

Maar hij maakt geen schijn van kans met zijn perfide plannetjes, want Keesings dochters staan hun mannetje. En niet alleen voor zichzelf, maar ook voor de rest van de wereld. Zij komen op voor het milieu en voor mishandelde kinderen, en demonstreren voor de vrede. “De mensen in de landen waar ze elkaar vermoordden wisten het natuurlijk niet en ze hadden er ook niet veel aan, het leek bijna belachelijk; maar het was gekker je niets van alle onrecht aan te trekken, je moest iets dóén, iets laten zien. Ergens aan herinneren.”

Niet voor niets is 1989 het jaar van handeling: het jaar van de ”fluwelen revolutie' in Tsjechoslowakije en de val van de Berlijnse Muur. Keesing greep deze historische feiten aan om het optimistische slot van haar roman een universeler aanzien te geven. Je zou haar lievigheid kunnen verwijten, een neiging tot sprookjesachtigheid, als haar toon niet zo ongeveinsd vrolijk en was en als zij niet met zoveel verve haar romanfiguren een tweede jeugd bezorgde.

Tijd gerekt is een eerbetoon aan het leven, een innemende poging om de aantrekkelijke kanten ervan te laten zien. Veelzeggend is het motto dat Keesing vooraf laat gaan aan het laatste, opwekkende hoofdstuk. Aan J.C. Bloem, toch een zwartkijker bij uitstek, wist zij deze hoopvolle versregels te ontfutselen:

”Dat het een daaglijks wonder is,

te leven, En elk ontwaken een herrijzenis.'