Vieze plaatjes op museumles

De kinderen uit de groepen zes, zeven en acht van de Amsterdamse Montessori School hebben een "Mondriaan' gemaakt voor Dick van Arkel. "Bedankt voor de leuke lessen' staat eronder.

Dick van Arkel geeft ze deze keer namelijk de laatste van hun "kunstkijkuren'. Negen keer per jaar gaan kinderen uit de laatste drie groepen van bijna alle basisscholen in Amsterdam naar de belangrijkste musea van hun stad: het Rijksmuseum, het Stedelijk museum en, sinds 1973 het Vincent van Gogh museum. Museumlessen bestaan al vijfenveertig jaar lang. En deze week stond in een rapport dat veel kinderen die kunstkijkuren hebben gevolgd, later ook vaker naar musea zijn gegaan als het niet van school moest.

Dick van Arkel geeft al zeventien jaar museumlessen en vandaag leidt hij rond in het Rijksmuseum. “Doen we een speurtocht,” vraagt een van de jongens. Niet echt, al valt er veel te speuren in een landschap dat Jacob van Ruisdael heeft geschilderd. Hoe ver weg zou die molen staan? Welke kant zou de wind op hebben gewaaid? En de hele klas, in een halve cirkel op de vloer zittend, denkt hardop mee - sommigen met de duim in de mond.

Ze lopen naar een ander schilderij van Ruisdael, een scheepje op een spiegelgladde zee. En nog een ander, een boot die door de golven bijna uit het schilderij wordt gesmeten. “Die is veel echter,” roept de klas. Dick van Arkel herinnert ze nog even aan de lessen in het Stedelijk museum en de rechtlijnige schilderijen van Piet Mondriaan. “Welk schilderij zou Mondriaan het mooist hebben gevonden?” De handen wapperen eerst alle kanten op maar wijzen ten slotte allemaal beslist naar de kalme zee.

In het Stedelijk museum staat 's middags de Bijlmerhorstschool te trappelen. Zo enthousiast dat een suppoost ongerust vraagt of ze in de klas ook zoveel lawaai maken. In dit museum hangen schilderijen van Mondriaan en andere moderne kunstenaars. Daar vormen niet alle verfstrepen samen een landschap, een bloemenvaas of een portret, zoals in het Rijksmuseum, er staan niet zo vaak molentjes op en het waait er ook zelden. De meeste schilderijen zijn abstract, je kunt niet altijd zien wat het voorstelt.

Met Thea Tolsma, die nog maar net kunstkijklessen geeft, praten de kinderen over ruimte. Ze moeten zelf onderzoeken in welk schilderij ze ruimte zien. Francisca loopt naar een somber doek, zwart met boorgaten erin. “Kunst,” zegt ze met een mengeling van eerbied en afgrijzen in haar stem. Maar dit is vast het schilderij dat Thea bedoelde, denkt ze. Op het bordje ernaast staat de naam: "Ruimtelijk concept'.

Maar niet alle kinderen vinden hetzelfde en dan blijkt dat je het over moderne schilderijen veel minder makkelijk eens wordt dan over een gladde of een woeste zee in het Rijksmuseum. Ze verschillen al van mening over de vraag of een witte streep op een blauw doek, "vóór' het blauw staat, of dat het juist het verst weg is in het schilderij.

Juist omdat je bij moderne kunst soms lang na moet denken over wat het voorstelt, vinden veel kinderen de schilderijen die ze in het Rijksmuseum hebben gezien mooier. Mohammed vindt het Stedelijk mooier omdat je vaak je eigen fantasie kunt gebruiken. Bovendien, “in het Rijksmuseum hangen vieze plaatjes,” vindt hij. Dat waren Adam en Eva, zegt Dick van Arkel. “En er hing toch een blaadje voor bepaalde plekken?”