Trendmatige tegenvallers

NIEUWE tegenvallers, aldus de alarmerende mededeling van minister Kok (financiën) eerder deze week.

Hoewel, alarmerend? De stemming op Beursplein 5 bleef desondanks gematigd vriendelijk. De verkoop van het aandelenpakket van de familie Heijn in het Aholdconcern domineerde dinsdag het gesprek, niet de laatste rode cijfers van het ministerie van financiën. De wereld op het Binnenhof en directe omstreken kan er misschien nog enigszins opgewonden van raken, daarbuiten is men allang opgehouden het nauwgezet te volgen. Ze zijn er het afgelopen decennium te veel geweest: de berichten over tegenvallende tegenvallers, tegenvallende meevallers dan wel meevallende tegenvallers. Ook voor de direct betrokkenen zelf is het overigens nog maar moeilijk bij te houden. Eens zou een minister van een vakdepartement in een balorige bui hebben gevraagd of het ministerie van financiën zo vriendelijk zou willen zijn bij zijn aankondigingen van nieuwe tegenvallers behalve de datum ook het uur aan te geven.

Inderdaad is regeren in Nederland verworden tot laveren tussen de tegenvallers en de meevallers. Kabinetsvergaderingen zijn veelal begrotingsvergaderingen. Ook nu weer hebben de ministers zich voor twee weken "opgesloten' in de Trêveszaal aan het Haagse Binnenhof om te praten over de begroting voor het volgende jaar. En dat terwijl premier Lubbers eind april na een soortgelijke sessie in het kabinet voor volgend jaar al de strengste begroting sinds de Tweede Wereldoorlog had aangekondigd, inclusief een fors deel van de daarbij behorende maatregelen. Het beraad van nu is bedoeld voor nadere invulling van de gemaakte afspraken en niet te vergeten, verwerking van de nieuwste cijfers. Want dat laatste is nu eenmaal de logische consequentie van een kabinet dat regeert bij de gratie van dagkoersen.

Hoe relatief het begrotingsberaad van april is geweest, blijkt als de afspraken over het tekort die het kabinet deze week heeft gemaakt ernaast worden gelegd. Ruim twee maanden geleden werd gemeld dat het financieringstekort dit jaar zou uitkomen op 3,75 procent van het nationale inkomen en volgend jaar op 3,5 procent inplaats van de in het regeerakkoord afgesproken 3,25 procent. Het was het befaamde "tandje' lager van Kok. Maar het kabinet lijkt inmiddels op een heel andere fiets te zijn overgestapt nu het zich na verwerking van de jongste tegenvallers heeft neergelegd bij een tekort dat dit jaar al hoger uitkomt dan de afspraak en volgend jaar zelfs helemaal niet meer daalt.

OP HET MOMENT dat het kabinet zich boog over de nieuwste cijferopstelling (voorlopig wel te verstaan, het jaar is pas halverwege) presenteerde enkele honderden meters verderop de ambtelijke Studiegroep Begrotingsruimte het rapport "Naar een trendmatig begrotingsbeleid'. Op een, zoals het loyale ambtenaren betaamt, fijnzinnige toon wordt het geldende begrotingsproces ter discussie gesteld. Met veel gevoel voor "understatement' concluderen zij dat de “hoge frequentie waarmee aanpassingen van het begrotingsbeleid - noodgedwongen - dienden te worden gepleegd niet bevorderlijk is voor een bestendig en op lange-termijndoeleinden gericht overheidsoptreden”.

In Nederland is de afgelopen jaren permanent ad hoc beleid gevoerd. Het financieringstekort mag dan vanaf 1983 flink zijn gereduceerd, de structurele onevenwichtigheden waarmee de economie aan het begin van de jaren tachtig kampte bestaan nog steeds. Wat dat betreft zijn de in het rapport van de Studiegroep opgenomen internationale vergelijkingen onthullend en onthutsend tegelijk. Meer dan tien jaar bezuinigingsbeleid heeft Nederland niet van zijn koploperspositie binnen de EG afgebracht als het gaat om de belasting- en premiedruk. Sterker nog, terwijl deze in bijna alle EG-landen in de periode 1985-1991 afnam, steeg in het bezuinigende Nederland de lastendruk verder.

Het trendmatige begrotingsbeleid dat de studiegroep propageert biedt ruimte voor een economische politiek die zich meer richt op structurele vraagstukken. Als het tekort - dat feitelijk niet meer is dan een saldogrootheid - over een wat langere periode kan worden beschouwd dan van jaar op jaar, verschuift de aandacht bijna automatisch naar de fundamenten. Maar een beleid dat de overspannenheid gevoed door tegenvallers en meevallers wegneemt kan pas worden gevoerd als het tekort zover is teruggebracht dat de overheid een financiële buffer kan inbouwen voor slechte tijden. Daar zit nu juist het probleem.

VOLGENS berekeningen van de ambtelijke werkgroep kan die toestand in de volgende kabinetsperiode worden bereikt op voorwaarde dat er nog een bedrag van acht tot negen miljard gulden wordt bezuinigd bovenop de bedragen die voortvloeien uit de afspraken die het zittende kabinet al voor die jaren heeft gemaakt. De economische teruggang heeft, getuige het lopende kabinetsberaad, de politieke grenzen van het bezuinigingsbeleid bepaald. Het wachten is dus op een economische opleving, dan kunnen de financiële randvoorwaarden worden geschapen om op een minder hectisch begrotingssysteem over te stappen.

Het klinkt zo vanzelfsprekend: in goede tijden sparen voor slechte tijden. Maar voor de politiek gaat die vanzelfsprekendheid zelden op.