Staat Charlie Parker daar, vraagt-ie je om mee te spelen; Het Kees de Jongen-complex van tenorsaxofonist Hans Dulfer

Hans Dulfer, die morgen op het North Sea Jazz Festival optreedt, ziet zichzelf graag als een querulant, iemand die met zijn tenorsax en zijn pen de Amsterdamse jazzwereld terroriseert. Dulfer vindt dat een jazzmusicus zich met popmuziek moet inlaten. Hij koestert nog steeds de verlangens van een schooljongen: “Als ik op de tribune naar een voetbalwedstrijd kijk, heb ik elk moment het idee dat ze me oproepen om midvoor te spelen en het beslissende doelpunt te scoren.”

North Sea Jazz Festival: Hans Dulfer's Tough Tenors. Zaterdag 10 juli, Den Haag, Congresgebouw.

“Ik speel saxofoon zoals ik praat: Amsterdams, slordig, van de hak op de tak,” zegt de tenorsaxofonist Hans Dulfer (1940). “Bovendien wil ik niet onderbroken worden. Als ik aan het woord ben, blijf ik aan het woord. Dat is net zoals met een solo in de jazz. Soms neem ik daarvoor een half uur, ook weleens twee uur. Ik houd er pas mee op als ik mijn verhaal heb verteld. Jazz spelen is als praten. Met het publiek, met de leden van de band.”

De stem van Hans Dulfer klinkt zachter dan ik verwachtte. Van zijn optredens herinner ik me scheurend geweld op de tough tenor. Het swingt altijd; er heerst vrolijkheid, ritmische uitgelatenheid en vooral een onvoorstelbare energie. Zijn inspiratie ligt bij Armstrong, Ellington, Parker, Coltrane en Shepp. Hij heeft in zijn verleden een verslaving opgelopen aan alles wat met gore, ordinaire, orgelende tenoren te maken had. Moet het altijd snoeihard zijn? Is een tenor niets dan een "scheurijzer'? Hans Dulfer is de eerste om een wijdverbreid misverstand over de jazz recht te zetten: “De wereld wordt te gemakkelijk verdeeld in cultuur aan de ene kant en het banale aan de andere. Klinkt het hard, dan is het ordinair; klinkt het zacht, dan is het cultuur. Het gaat juist om de stilte na de harde klap. Zelfs klassieke componisten als Mozart en Beethoven hebben dat begrepen, die wisten precies wat de mensen wilden horen. Op een luide passage volgt iets wat zacht is, intiem. Het geheim van de jazzmuziek is dat het om die fractionele verschillen gaat. Als je goed luistert dan hoor je dat de muzikant commentaar geeft op het nummer dat hij speelt. Hard is nooit alleen hard. Jazz is een verfijnde taal.”

Tijdens het North Sea Jazz Festival neemt Hans Dulfer de Bird Award in ontvangst, een onderscheiding voor musici die een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de ontwikkeling van de jazzmuziek. Maar noch Hans Dulfer noch het North Sea Jazz weten precies waarom juist hj de trofee krijgt uitgereikt. Hans Dulfer denkt dat het iets te maken heeft met zijn positie als "ambassadeur van de jazz'. Om er meteen met lichte verontwaaardiging aan toe te voegen: “Bij ambassadeur denk je toch vooral aan iemand in het buitenland. Terwijl ik in Nederland speel. Hier geef ik mijn concerten, hier heb ik optredens van jazzmusici gearrangeerd. Ach, die hele Bird Award is eertijds gewoon door Paul Acket ingesteld om zichzelf en dus het North Sea een prijs te geven.”

Goede boeken over jazz zijn zeldzaam. Hans Dulfer schreef er twee, Jazz in China en Dulfer's dumdum. Dulfer ziet zichzelf graag als een querulant, iemand die met zijn tenorsax en zijn pen de Amsterdamse jazzwereld terroriseert. Lezing van die boeken geeft een heel ander beeld. Natuurlijk, er zijn de weergaloze verhalen over de jazzfreaks die zich door elke nieuwlichterij een loer laten draaien, over muzikanten die vergeten dat jazz met "soul' gespeeld moet worden zodat "mooie meiden gaan bibberen' en dat een tenor "dood en verderf' moet zaaien. Als de plaats van alcohol ingenomen wordt door zweverige theorieën, dan is er in het universum van Dulfer iets hartgrondig mis. Achter die wildheid gaat een gevoelig schrijver en muzikant schuil die met door melancholie getemperde passie schrijft over zijn grote heldentenoren.

Mafia

Ik spreek Hans Dulfer in de bar van het American Hotel in Amsterdam. Hij blijkt slecht te spreken over de muziekwereld: “Wie in Nederland talent heeft en een creatieve geest, die gaat niet in de muziek. Daar heerst de middelmaat. De beste plek voor iemand met fantasie is de georganiseerde misdaad. Kijk, ik breng geen cd's uit want ik wil niets met die lui van de platenmaatschappij te maken hebben. Zo vaak heb ik al moeten horen "de platenmaatschappijen, jongen, dat is de mafia.' Was dat maar zo. Was het maar de mafia. Daar kan ik mee omgaan. Wil iemand mij besodemieteren, dan kom ik in het geweer. Voor zo iemand kan ik respect opbrengen. Het probleem is dat de platenmaatschappij géén mafia is. Het zijn lieden die alleen maar naar computers wijzen en die zich te buiten gaan aan technische snufjes.

“Ik zeg altijd: "Je moet de dingen uit de onverwachte hoek bekijken.' Het is allemaal alledaagse gekte wat regeert. Vinden de Amerikanen een satelliet uit die in Moskou een straatsteen kan fotograferen, vergeten ze even dat Sadam Hoessein een leger van vijftigduizend man aan de grens heeft liggen. O, even niet gezien! De eerste cd die ik kocht had een tik. Tienduizend grammofoonplaten zonder tik. Cassetterecorders draaien steevast te langzaam of te snel. Technologie is de grootste onzin van deze tijd. Het is het verhaal er omheen. Mensen laten zich zo verschrikkelijk graag in de luren leggen. En beoordelen iets om andere redenen dan die er werkelijk toe doen, altijd de buitenkant.

“Ik heb succes dus ik ben geen goede muzikant. Ik rijd in de duurste auto die er is, ben al dertig jaar met dezelfde vrouw getrouwd. Dus ben ik geen jazzmusicus. Ik woon in Groot Schermer in een molen, huis ernaast, dus ben ik geen Amsterdammer. Maar ik vind het juist heel Amsterdams. Toen mijn dochter Candy succes begon te krijgen, zei iedereen: "Geen wonder, die heeft een vader die in het circuit zit.' Nu ze echt doorslaand succes heeft, hoor je ze zeggen: "Kijk, dat is haar vader. Daarom trekt-ie volle zalen.' Toen ik achttien was speelde ik voor mensen van mijn leeftijd; nu ben ik drieënvijftig en speel nog voor mensen van achttien. Hoor je ze weer denken: "Wat doet die oude man tussen die jonge mensen.' Ik ben niet oud, zij zijn oud. Ik vind jonge voetballers oud die het erover hebben dat ze financieel "ingedekt' zijn. Het is met een misschien wel kinderachtige gedrevenheid dat ik aldoor maar denk dat anderen ouder zijn dan ik.”

Vette saxofonisten

Er zijn boze tongen die beweren dat een jazzmusicus zich niet met popmuziek moet inlaten, en al helemaal niet met heavy metal groepen als Slayer of rapgroepen als Public Enemy. Dulfer wijst die opvatting streng van de hand: “Mensen die denken dat ze nu nog een beetje moeten boppen als Charlie Parker begrijpen de traditie verkeerd. Die zijn er alleen maar op uit om de ontwikkelingen tegen te houden. Jazzmuziek heeft zich altijd laten inspireren door populaire muziek. Jazz en pop liepen voor de oorlog gelijk. Parker speelde de muziek van die tijd en zette die naar zijn hand. Waarom zou dat nu niet meer kunnen of zelfs verboden zijn? Wie bepaalt dat? Als een van die vette saxofonisten als Willis Jackson The Shadow of Your Smile speelt, dan geeft hij er kleine verdraaiingen aan. Jazz is nooit reproductief, het is creatief. Armstrong en Parker noemen we nu traditie. Maar wat ze deden was in hun tijd nooit eerder gedaan. Het was nieuw. Wat je nu punk zou noemen. Ik gebruik de muziek van deze tijd. En mag ik er misschien aan toevoegen dat ik school heb gemaakt? Luister maar eens naar J.C. Tans of Rinus Groeneveld. Moet ik dan Coltrane spelen en protesteren tegen de oorlog in Vietnam? Het is zinloos stil te blijven staan bij de tijd van toen en de sociale omstandigheden te vergeten. Ik heb een hekel aan nostalgie.”

Een hekel aan nostalgie: dat neemt niet weg dat Hans Dulfer met weemoed kan praten en schrijven over muzikanten van vroeger die charisma hadden. “Mensen hebben geen uitstraling meer. Ik kan aan de manier waarop iemand het podium op gaat of zijn instrument vasthoudt zien of het een goede muzikant is ja of nee. De jazzmusici van nu staan als een gek noten te spelen, maar na afloop van het concert hebben ze niks te zeggen. Nee, het zijn geen rijke geesten. Geen greintje persoonlijkheid. Vanaf mijn achttiende heb ik intensief gespeeld en doe dat nog steeds. Ik ga om vijf uur naar bed en sta om acht uur op. Ik speel vanuit mijn intutie. Weet welk nummer op welk ogenblik goed is. Je moet geen lijst maken en die avond aan avond afwerken. Ik luister ook naar het publiek. Misschien is het wel het Kees de jongen-syndroom. Het idee dat je uitverkoren bent. Als ik op de tribune naar een voetbalwedstrijd kijk, heb ik elk moment het idee dat ze me oproepen om midvoor te spelen en het beslissende doelpunt te scoren. Een beetje fietsen, en ik win de Tour de France. Zo was het ook toen ik voor het eerst in de jazz kwam. Daar staat een van de groten die er toen nog waren te spelen, en ik sta in het halfduister naast het podium. Dan hoop je dat hij zijn blik op jou laat rusten en zal zeggen: "Kom, speel mee.' Ja, Armstrong, Parker, dat zijn helden. Daar kan ik van dromen. Zij hebben met hun muziek de wereld opgetild. Ik weet niet of ik dat met mijn muziek ook kan, de wereld een beetje optillen.”