Staalfabriek houdt met eigen geld Zenica in leven; Directeur is vooral bankmanager en voedseltransporteur; Fabrieksbataljon is "het beste in het Bosnische leger'

ZENICA, 9 JULI. Nog altijd domineren de vijftig meter hoge schoorstenen van het gigantische complex van de Zeljezara staal- en ijzerfabriek het aangezicht van de Centraalbosnische stad Zenica. Maar de produktie van staal en ijzer behoort al lang tot het verleden, nu de spoorverbindingen met Servië en Kroatië zijn verbroken, de aanvoer van kolen en onderdelen tot stilstand is gekomen en het door moslims gedomineerde Zenica bijna geheel is afgesneden van de buitenwereld. Op de fabrieksterreinen zelf zijn nog overal de sporen zichtbaar van Servische aanvallen, toen fragmentatiebommen en raketten grote delen van het complex in een ravage veranderden. Toch is de bevolking van de industriestad meer dan ooit afhankelijk van de fabriek.

Tot het begin van de oorlog verschafte Zeljezara - de grootste staalproducent van de Balkan en een van de belangrijkste ter wereld - 22.000 mensen werk. De fabriek bezit nog altijd de helft van alle appartementen in Zenica, twee berghotels, het grootste stadshotel, een ziekenhuis, diverse scholen, een sporthal, een zwembad, het voetbalstadion en het warmwaterbedrijf van de stad.

Een van de belangrijkste bezittingen vormt het vijfsterrenhotel Zenit, een toeristencomplex met vierhonderd bedden aan de Adriatische Zee. Dat complex, vertelt ir. H. Kulovic, directeur van de staalfabriek, is nu in handen van het Bosnisch-Kroatische leger. “Ze hebben de hele boel in beslag genomen. De laatste keer dat we er vertegenwoordigers ter inspectie heen stuurden, werden ze bijna vermoord”, aldus Kulovic.

Nu biedt Zeljezara nog slechts werk aan 4.500 werknemers. De meeste van hen zijn volgens Kulovic belast met “onderhoudswerkzaamheden en reparatie van schade”. Zijn collega S. Nedzad, directeur onderhoud, laat met nauwelijks verholen woede de ravage zien. Op de gevels van de fabriekshallen staan nog hamers en sikkels, socialistische leuzen en wijze spreuken van Tito. Overal liggen stapels schroot: geen oude voorraden maar de restanten van kapotgebombardeerde produktiehallen, daken en machines.

“Die was drie miljoen dollar waard”, zegt Nedzad, wijzend op een Tsjechische machine vol kogelgaten. Elders bevindt zich een 5.100 ton zwaar gevaarte. “Op de hele Balkan was dit de grootste machine in zijn soort, goed voor een jaarproduktie van 70.000 ton staal. Tijdens de Servische aanvallen niet getroffen maar nu toch rijp voor de schroothoop. Het dak is door een explosie weggeblazen waardoor deze machine maandenlang in de buitenlucht heeft gestaan.”

Hier en daar zijn nog mensen aan het werk. Zo produceert de fabriek elektriciteit en zuurstof voor het ziekenhuis en 's winters heet water voor het centrale-verwarmingssysteem van de stad. Met grote passen beent Nedzad door een hal waar duizenden blinkende granaten liggen opgestapeld. “Natuurlijk maken we nu wapens en munitie. We moeten vechten om te overleven, we hebben geen keuze.”

Volgens directeur Kulovic zijn honderd werknemers met de wapenproduktie belast, gebruik makend van “technieken uit 1934”. Omdat de strijdende partijen vrijwel alle toevoerwegen naar Zenica hebben afgesloten, zijn de wapens alleen voor plaatselijk gebruik. “Maar we leveren alle soorten wapens. Daarom verblijft een aantal van onze ingenieurs in de heuvels, om ze daar in mobiele units te fabriceren.”

Tot voor kort beschikte de staalfabriek over een eigen militaire macht, het "Staalfabriek-bataljon'. “Het was een multi-etnisch bataljon dat uitsluitend uit fabrieksarbeiders bestond. Ik was er zelf eerste commandant van”, zegt directeur Kulovic. Inmiddels is het bataljon opgenomen in het leger van Bosnië-Herzegovina waar het volgens Kulovic “de beste eenheid” vormt. Van de 22.000 werknemers zijn er vierduizend de stad ontvlucht, voornamelijk Serviërs. Zij vechten hoogstwaarschijnlijk mee in Servische milities. 7.200 werknemers van de fabriek dienen aan het front als soldaat van het leger van Bosnië-Herzegovina. Wat dat in de praktijk kan betekenen, blijkt uit de tientallen overlijdensberichten die in de centrale hal van de fabriek zijn opgehangen.

Inmiddels is vrijwel de hele bevolking van Zenica - 145.000 inwoners en 40.000 vluchtelingen - afhankelijk van Zeljezara. Om te beginnen besloot de directie gezien de dramatische situatie geen huur meer te vragen voor de tienduizend appartementen die de fabriek bezit, evenmin als voor de levering van heet water. Toen er voor de meeste werknemers geen werk meer was, ontvingen ze aanvankelijk hun normale salaris. Maar al snel viel de Bosnische dinar ten prooi aan een gierende inflatie en was er op reguliere wijze bovendien bijna geen voedsel meer te koop.

De kas van de Zeljezara-staalfabriek bevat nog ruim een half miljoen mark. De directie overwoog het personeel daarmee te betalen. “Dat was geen slim idee”, zegt directeur Kulovic. “Er zou plotseling veel geld im omloop komen. Gezien de voedselschaarste zou een enorme prijsopdrijving het gevolg zijn en we zouden alleen maar de zakken van speculanten spekken.” Vandaar dat de fabriek er toe overging voorraden staal aan Kroatië te verkopen, met dat geld voedsel aan te schaffen en dat met eigen vrachtwagens naar Zenica te vervoeren.

Iedere werknemer kreeg voortaan geen salaris meer maar een levensmiddelenpakket, berekend op een gezin van vier personen. De inhoud bestond uit bloem, rijst, suiker, zout, vlees in blik, zeep, tandpasta en waspoeder. In de praktijk stuitte dat op problemen. Zo kreeg een gezin bijvoorbeeld twee kilo suiker, terwijl het juist liever extra olie had willen hebben. Directeur Kulovic en zijn collega's bedachten een uniek plan dat er uiteindelijk toe zou leiden dat ze controle zouden krijgen over een groot deel van de stadseconomie. In november 1992 huurden ze een aantal winkelpanden in de stad. Vervolgens lieten ze eigen geld drukken: de "staalfabriek Zenica'-dinar, waarvan ze er in eerste instantie vijf miljard in omloop brachten. De werknemers van de fabriek kregen voortaan hun salaris uitbetaald in "staal-dinars', waarmee ze in de "staalfabriek-winkels' konden betalen. “In principe is het een sluitend systeem”, zegt Kulovic. “Want iedere maand krijgen we het meeste geld dat we aan salaris hebben uitbetaald weer via onze winkels terug.”

De (ex-)werknemers van de fabriek zijn begonnen ook de schoenmaker of de kapper met het fabrieksgeld te betalen. In recordtijd steeg de waarde van de "staal-dinar' tot vier keer die van de Bosnische dinar en groeide de nieuwe valuta uit tot een algemeen betaalmiddel in Zenica. “Natuurlijk wordt er gespeculeerd met ons geld, evenals met onze voedselvoorraden”, zegt Kulovic. “Maar wat moeten we anders?”

En zo is ingenieur Kulovic behalve algemeen directeur van een staalfabriek buiten bedrijf tegenwoordig voornamelijk werkzaam als voedseltransporteur, bankdirecteur en wapenproducent. “Ik de machtigste man van Zenica? Invloedrijk ben ik misschien, maar rijk niet.” Kulovic beklemtoont dat hij slechts probeert zijn werknemers en hun familieleden te ondersteunen. Hij weigert Servische of Kroatische personeelsleden te ontslaan, wat hem in radicale moslim-kringen niet geliefd maakt.

“De nationalistische moslims in Zenica hebben alles geprobeerd om me weg te krijgen. Ik zou de vijand helpen omdat ik ook Kroatische gezinnen van voedsel voorzie.” Onder druk van radicale politici besloot burgemeester Spahic van Zenica Kulovic zelfs te ontslaan. “Maar ik weigerde op te stappen. Gelukkig bleek niemand de macht te hebben mij daadwerkelijk uit mijn kantoor te slepen. Want iedereen weet dat het "Staalfabriek-bataljon' en een groot deel van de bevolking achter mij staan.”

De halsstarrige houding van Kulovic leidde er uiteindelijk toe dat Zenica een gematigder stadsbestuur kreeg en dat hij in functie kon blijven. Alleen het portret van Tito dat pontificaal in zijn kantoor hangt, bezorgt hem nog problemen. “Ik kreeg onlangs het bevel dat schilderij weg te halen. Ik weigerde en zei dat het kunst is en dus niets met politiek te maken heeft. Sindsdien heb ik er niets meer over gehoord.”