Ritueel van heimwee

De koorts van de Tour: niemand ontsnapt er aan.

De Ronde van Frankrijk is voor renners en volgers wat het feest van de arbeid is voor sociaal-democraten. Die wonderlijke osmose tussen mensen van gewone komaf en heldenlevens. De ambiance ook van: alles wat gebeurt, is voor de glorie van de mensheid.

Er is door de jaren heen veel veranderd in de Tour, en ook weer niet. De hele stoet is verworden tot een reclamezuil, tot een schreeuwlelijke komeet met een te lange staart. Een orgie van kleur en klank. En toch: het mysterie van de Tour is dat het verleden - de oude tijd - blijft meefietsen. De grens tussen sport en mystiek is intact gebleven. Nog steeds zit het weerbarstige van het landschap in de renners. Ik zie talloze antieke gezichten, regelrecht gebeiteld uit de massieve rotsen langs de weg.

Als een keten van röntgenfoto's lopen de persoonlijke levensverhalen door het peloton. Indurain met zijn woeste jukbeenderen, ontheven aan de brandende zon over het aardappelveld en nu een in brons gegoten kampioen. Rominger met zijn hoekige knieen en vierkante handen, al even nors als het land waar het leven zelf stoempen is. Bugno met de ruisende présence van een met de hand gemaakte God. Abdoesjaparov met het gezicht als een slapende steppe waarin geen wenkbrauw opfronst, geen wimper neervalt. Breukink met zijn lamento's, komende uit het land waar alle geluk zeikerig is.

In al haar moderniteit blijft de Tour een ritueel van heimwee. Naar verdwaalde coureurs, de fietsband op de rug gebonden. Naar Jean Robic, altijd geplaagd door aambeien en steenpuisten en toch winnaar. Naar mooie bijnamen als de fietsende monnik, de Engel van de Alpen, de Adelaar van Toledo... Naar de Tour in zwartwit. Heimwee dus.

Ronderenners waren vroeger meestal kleine, magere mannetjes met schrale, roestige koppen. Dat is nu anders. Ze zijn er nog wel, de scheve dwergen met enkels als luciferkopjes maar het atletische gehalte van het peloton is aanzienlijk toegenomen. Er zit ook meer aristocratie op de fiets. In de mollige menigte van het peloton valt dat niet zo op maar bij de start van een rit tegen de chrono zie je dat renners nu van binnen anders verlicht zijn: moderner, mondainer. Zeker de tijdrit-specialist heeft gevoel voor schoonheid. Jacques Anquetil had altijd een haarkammetje op zak. Tijdrijden, zo wist de betreurde kampioen, is voor de adel; rouleren en sprinten voor het voetvolk. Het is een van de vele paradoxen in de wielersport. Juist de rit tegen de chrono is het mes van de wraak. Een exponent van lynchethiek, gekoppeld aan sucidale beschikbaarheid. En daarom eigenlijk een exploot tegen de beschaving in.

Mooier dan welke monsterlijke solo, supersonische sprint of verfijnde kwak zijn de avonden in de Tour. Als de mecanicien de fietsen staat te wassen in de rose modder van het hotelpleintje. Mecaniciens buigen naar de fiets zoals een Afrikaanse moeder naar haar kind. Ze volgen de Tour als zwijgzame zwervers, op een klankkussen van gewijde geluiden: het zachte geknars van de remmen, de zingzang van draaiende spaken, het gesuis van uitgeworpen stuurlint. Niet de renners maar de mecaniciens zijn een met de fiets. Zij denken in millimeters, niet in godheden. Spreek met hen over een buitenblad en ze springen open in een ballet van hete vonken, in de mooiste poëzie. Roestvrij.

Mecaniciens zijn de enigen in de volgerskaravaan die geen last hebben van dwaze euforie en domme pretenties. Geklopt worden met een half wiel: voor een renner in de Tour kan dat de ruimte zijn waar de valbijl valt tussen een leven met champagnerozen of een leven op het klapstoeltje onder de oude eik. De mecanicien weet dat het allemaal weinig uitmaakt in de treurige mars naar het bejaardenhuis.

Hij leeft toch al in het verleden. Met zijn grove handen en zwarte nagelranden bewaakt hij de wielersport als het epos van de kleine luyden. In z'n eentje. Verdroomd door de erotische glans van titanium en carbon.