Ricciarelli geeft publiek wat het zo graag hoort

Concert: Katia Ricciarelli en Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Maurizio Barbacini. Programma: Muziek van Rossini, Puccini, Verdi, Cilea, Massenet en Catalani. Gehoord: 8/7, Concertgebouw, Amsterdam.

Gezoend werd er niet, gisteravond in het Concertgebouw. De Italiaanse sopraan Katia Ricciarelli had dan ook niet, zoals bij haar vorige concert, iets goed te maken. In 1988 was ze zonder reden niet komen opdagen, waardoor iedereen vermoedde dat ze een dubbele boeking had gemaakt. Martijn Sanders, de directeur van het Concertgebouw, dreigde met een proces en eiste een schadevergoeding van 110.000 gulden. Een paar maanden later kreeg Ricciarelli de kans de zaak in der minne te schikken, door in te vallen voor de zieke Margaret Price. Zo geschiedde, Sanders werd toen na afloop van het concert op het podium gevraagd, kreeg een zoen van Ricciarelli en iedereen was gelukkig.

Iets van een zoete wraak van de Concertgebouwdirecteur meen ik echter te moeten bespeuren. Hij plaatste de Italiaanse niet zoals de vorige keer in de serie "Sterren van de opera', in één adem te noemen met bij voorbeeld Kiri te Kanawa, maar in de zomerconcerten, tussen verdienstelijke musici als Imogen Cooper, het Brabants Orkest en de Academy of the Begynhof. Het publiek kon nu voor 25 gulden van haar genieten, in de plaats van de 75 gulden van vijf jaar geleden. De zaal was vanzelfsprekend uitverkocht, met volgnummertjes werd gestreden om niet afgehaalde plaatsen.

En waarvoor? Voor misschien wel het meest voorspelbare concert van de hele serie. De avond lag bij voorbaat vast. Eerst was er de ouverture, waarin het orkest alvast een beetje kon warmlopen en de dirigent de zaal mocht uitproberen. Voor het publiek betekent dat altijd afwachten tot eindelijk De Ster naar beneden komt. Daar is ze! Met geroutineerde vriendelijkheid en onder een enthousiast applaus daalt ze de lange trap af, zingt één of twee nummers en krijgt weer even respijt om voor de pauze nog één keer terug te keren. Langer dan tien minuten heeft ze haar strot niet hoeven te gebruiken. Na de pauze wordt hetzelfde patroon herhaald. Tenslotte volgt het spel met het publiek: hoe hard moet er geklapt worden om nog een laatste toegift uit haar te persen.

Artistiek valt er in dit soort concerten vaak niet veel te beleven. De dirigent is meestal van tweede garnituur. Die van gisteravond, Maurizio Barbacini, presenteerde de eerste ouverture meteen al met zoveel geweld, dat angstige voorgevoelens ontstonden over hoe dat straks moest als er een zangeres ging meezingen. Ricciarelli kwam in haar eerste aria O mio babbino caro inderdaad amper boven het orkest uit en ook in de latere aria's, toen de oren zich geleidelijk op de akoestische situatie hadden ingesteld (zoals ogen aan het donker kunnen wennen), bleef de verstaanbaarheid een probleem. De zwierig zwaaiende Barbacini merkte er niets van en het Radio Filharmonisch Orkest deed gewoon wat hen werd opgedragen, zij kunnen in ieder geval veel beter.

En Ricciarelli? Haar dictie viel tegen, gelukkig dat de meesta aria's een beetje bekend waren, want wát ze zong was niet te volgen. Dat Pleurez mes yeux van Massenet bij voorbeeld in het Frans werd gezongen, was alleen aan de titel af te leiden. Het middenregister was wat vlak en in de hoogte zat een klein rafeltje dat haar stem af en toe erg scherp maakte. Maar verder was het prachtig. Ze zong ten minste één ingetogen pianissimo en zeker twee spetterende slotnoten.