PvdA-brochure is dolksteek voor minister van financiën

In zijn oratie Kerntaken noemt D.J. Wolfson de verzorgingsstaat een brandend huis. “Rechts droomt van een zakelijke bestemming voor het vrijkomende perceel ... en links staat de belendende percelen nat te houden zonder iets aan de brandveiligheid te doen.” De auteurs van de PvdA-brochure over inkomenspolitiek (Tussen vrije markt en cijferfetisjisme) draaien met hun voorstellen een paar brandkranen dicht, waardoor het pand van de verzorgingsstaat in vlammen dreigt op te gaan.

De drie auteurs van de brochure vinden een rechtvaardige inkomensverdeling even belangrijk als het scheppen van werkgelegenheid. Terecht geeft het kabinet voorrang aan werk boven inkomen. Volgend jaar telt ons land bijna driekwart miljoen mensen met een werkloosheidsuitkering. WAO en VUT herbergen nog eens een half miljoen "verborgen' werklozen. Onder deze omstandigheden gaat banengroei vóór alles. Niet onderwijs, maar betaalde arbeid is de sleutel tot vermindering van sociale ongelijkheid.

Een studie van het Centraal Planbureau maakt aannemelijk dat matiging van de arbeidskosten en ontkoppeling van de uitkeringen belangrijk hebben bijgedragen aan de sinds de oorlog niet vertoonde banengroei tussen 1985-'92. De werkgelegenheid nam met 660.000 arbeidsjaren toe. Mede door ombuigingen in de sociale zekerheid werd de inkomensongelijkheid groter. De opstellers van de PvdA-brochure keren zich tegen deze trend. Zij bepleiten de uitkeringen en het wettelijk minimumloon (weer) te koppelen aan de gemiddelde stijging van de CAO-lonen, die op haar beurt wordt bepaald door de mogelijkheden per bedrijf(stak). Wordt dit streven beleid, dan kost dat vele tienduizenden banen. In feite hechten de auteurs meer aan de koopkracht van de laagste inkomens dan aan de kansen op een baan voor deze groep.

De inkomensverdeling in Nederland is - vooral door het uitgebreide stelsel van sociale zekerheid - vergeleken met andere industrielanden nog altijd vrij gelijkmatig. Dit stelsel heeft schadelijke neveneffecten, vooral door de hoge premiedruk op arbeid en het minieme verschil tussen netto minimumloon en de laagste uitkeringen (voor kostwinners).

In de brochure wordt gesteld dat landen met genivelleerde inkomensverhoudingen over een langere periode bezien economisch doorgaans beter presteren. Het omgekeerde is echter het geval. Volgens recent internationaal vergelijkend onderzoek hebben hoge overheidsuitgaven en hoge uitgaven voor inkomensoverdrachten (als percentage van het bruto binnenlands produkt) een negatief effect op de produktiviteit in de marktsector. Industrielanden met een grotere inkomensongelijkheid hebben een hogere produktie per hoofd van de bevolking. Een land dat kiest voor een in verhouding flinke nivellering (door overheidsingrijpen) en een omvangrijk stelsel van sociale zekerheid betaalt daarvoor kennelijk een zekere prijs, doordat een kleinere nationale koek voor verdeling beschikbaar is. Een politieke partij, die op goede gronden kan kiezen voor geringe inkomensverschillen, moet er dan wel rond voor uitkomen dat dit ten koste kan gaan van economische groei. Dit aspect wordt echter verzwegen.

De schrijvers gaan ook geheel voorbij aan de sombere economische vooruitzichten voor de middellange termijn en aan beperkingen als gevolg van de groeiende beleidsconcurrentie tussen EG-lidstaten. Verdere sanering van de overheidsfinanciën en versterking van de nationale economie zijn nu dwingende randvoorwaarden die de budgettaire ruimte insnoeren. Niet het peil van de belastingen, maar dat van de sociale premies is in Nederland te hoog, en moet dus omlaag.

Om de sociale premies en het overheidstekort omlaag te krijgen zijn in de komende kabinetsperiode ombuigingen nodig die - ten opzichte van het uitgavenbeloop bij ongewijzigd beleid - kunnen oplopen tot vijftien miljard gulden in 1998. Willen wij in het belang van onze toekomstige economische groei de produktieve overheidsuitgaven (onderwijs, infrastructuur) beschermen, dan zullen de noodzakelijke ombuigingen hoofdzakelijk neerslaan bij de overdrachten. Verdergaande ingrepen in het sociale zekerheidsstelsel en de nationale subsidiecarroussel zijn dan onvermijdelijk. Die harde waarheid wordt in de brochure eveneens verzwegen.

Wanneer het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen worden losgekoppeld van de trend van de CAO-lonen, levert dat behalve extra banen ook miljarden aan bezuinigingen op, zodat de sociale premies omlaag kunnen. Het kabinet kan proberen de koopkracht van de laagste inkomensgroepen zo goed mogelijk te beschermen, door lastenverlichting. Volgens tegenstanders van een relatieve verlaging van het wettelijk minimumloon is de praktische betekenis van deze maatregel gering, omdat hooguit enkele tienduizenden volwassen werknemers het minimumloon verdienen. Echter, het gaat om de uitstraling van het minimumloon naar andere loonniveaus. De netto minimumuitkering voor kostwinners is vrijwel gelijk aan het netto minimumloon. Uit onderzoek blijkt dat de meeste werkzoekenden 10 tot 20 procent meer dan hun uitkering willen verdienen, voordat zij aan hun loon evenveel tevredenheid ontlenen als aan hun vroegere uitkering. Anders loont werken niet, door bijkomende kosten en ongemakken. Het minimumloon bepaalt dus via de netto-netto gekoppelde uitkeringen en de uitstraling daarvan het verlangde loon en de loonkosten van alle werknemers die circa 28 à 35.000 gulden bruto per jaar verdienen. In dit inkomensbereik vallen tweehonderdduizend werkende kostwinners en vierhonderdduizend niet-gepensioneerde uitkeringsontvangers, die beschikbaar (moeten) zijn voor de arbeidsmarkt.

Ook het tegenargument dat er te weinig banen zijn, klopt niet. Door een lager minimumloon ontstaan namelijk extra vacatures, omdat het voor werkgevers eerder lonend wordt mensen in dienst te nemen. Bovendien dalen de loonkosten over de hele linie, doordat de sociale premies omlaag kunnen. Dat geeft een forse impuls aan de werkgelegenheidsgroei. De dynamiek van de arbeidsmarkt mag niet worden onderschat. Jaarlijks verandert bijna een miljoen mensen van baan. De toestroom naar een baan uit een positie als niet werkende (werklozen, schoolverlaters, huisvrouwen) bedraagt ruim vierhonderdduizend personen per jaar. De mobiliteit van al deze werkzoekenden krijgt een prikkel als het verschil tussen uitkering en loon toeneemt, mede door verlaging van de op het loon ingehouden sociale premies.

Er valt derhalve alles te zeggen voor een lagere vloer in het "inkomensgebouw'. De voordelen van een relatief achterblijvend minimumloon en lagere uitkeringen moeten worden afgewogen tegen het belang dat huishoudens hun basisbehoeften kunnen bevredigen. Ook deze afweging ontbreekt in de PvdA-verkenning.

De auteurs pleiten voor de koppelingswet, dit zou uitkeringsontvangers voor de toekomst grotere inkomenszekerheid verschaffen. Zo'n belofte schept echter slechts valse zekerheid, en versterkt het cynisme over de politiek. Zelfs bij herstel van de koppeling verliezen AOW'ers in de komende kabinetsperiode 1 procent koopkracht per jaar, terwijl bijstandontvangers er tussen 1995-'98 tot bijna twee procent per jaar op achteruit gaan. Dit - zo berekent het CPB - als uitvloeisel van de beleidsvoornemens in de Voorjaarsnota 1993. Ten tweede is het de vraag of de koppeling de komende jaren wel kan worden toegepast, gegeven de steeds verder verslechterende verhouding tussen actieven en inactieven. Ten derde zijn de koppelingswetten WAM en WKA sinds 1980 op slechts vijf van de dertig halfjaarlijkse aanpassingsmomenten daadwerkelijk toegepast. Uit het proefschrift van Vording (Koppelingen in de sociale zekerheid) blijkt dat beslissingen over de koppeling hier en in andere landen altijd pragmatisch zijn, ongeacht de eventuele wettelijke regeling. Omdat de komende jaren in de sociale zekerheid voor vele miljarden moet worden omgebogen, lijkt een uitspraak over de koppeling voorbarig en te grenzen aan kiezersbedrog.

De schrijvers van de PvdA-verkenning over inkomenspolitiek gaan enkele grote dilemma's uit de weg. Nivellering kost vermoedelijk economische groei, waardoor er minder te verdelen valt voor iedereen. Handhaving van het huidige sociaal minimum en de koppeling kost tienduizenden banen en is onbetaalbaar, gezien de noodzaak de collectieve financiën verder te saneren. Het kabinet weet dat en voert terecht een beleid waarin behoud en groei van werkgelegenheid het allesoverheersende doel zijn, terwijl koopkrachtreparatie vooral geschiedt via lastenverlichting. Dat pad moeten we niet verlaten. De verkenning beoogt dat wel, en is daarmee een dolkstoot in de rug van de beste minister van Financiën die Nederland na Zijlstra heeft gehad, PvdA-leider Kok.