Hoe het verleden poogt te overleven; Karol Sidons herinneringen aan Praag

Karol Sidon: Droom van mijn vader. Vert. Edgar de Bruin. Uitg. Wereldbibliotheek, 160 blz. Prijs ƒ 29,50.

De loop van de geschiedenis heeft ervoor gezorgd dat het naoorlogse Tsjechoslowakije het land bij uitstek was, waar men verzekerd was van een bizarre levensloop. Een journalist werd jarenlang stoker om vervolgens tot minister van buitenlandse zaken benoemd te worden. Een secretaris-generaal van de communistische partij werd boswachter en daarna voorzitter van het parlement. Een schrijver werd gevangene en vervolgens president. Maar dergelijke levenslopen steken toch nog bleekjes af tegen die van Karol Sidon. Hij was achtereenvolgens dramaturg voor animatiefilms, romanschrijver, hulparbeider bij de waterleiding, verkoper in een krantenkiosk, balling in West-Duitsland en sinds vorig jaar rabbijn van Praag en opperrabijn van de Tsjechische Republiek.

Onlangs verscheen in Nederlandse vertaling zijn in 1968 in Praag verschenen Droom van mijn vader. Het is een boek met drie verhalen over een joods gezin in Tsjechoslowakije, met een sterk autobiografische inslag. Enkele maanden geleden zei Sidon in een interview dat er volgens hem een verschil is tussen de joodse en niet-joodse literatuur in wat vroeger Tsjechoslowakije heette: “De Tsjechische literatuur is goed in de omschrijving van het leven, van het levendige. De Tsjechische literatuur is poëtisch en verbaal heel mooi. Ze kan bijvoorbeeld op heel veel verschillende manieren beschrijven hoe een vogel zingt: daar klinkt echt iets van binnen. Maar de Tsjechische literatuur stelt er zich mee tevreden om dat innerlijke als echo te horen. De joodse literatuur gaat de diepte in. Dat is heel wat anders. Die probeert op die manier die vogel echt te laten horen, en niet zijn echo. Dat is een wezenlijk element dat de Tsjechische literatuur mist. Volgens mij is dat geen kwestie van filosofie maar van een verschil in geestelijke instelling.”

In het laatste en beste verhaal van het boek doet Sidon een poging af te dalen naar de diepten van het woord nostalgie. Vanuit het vertelperspectief van een opgroeiend joods jongetje in het naoorlogse Praag - Sidon zelf werd geboren in 1942 - slaagt hij er in de klippen kitsch en weegheid die bij nostalgie opdoemen, te omzeilen. De nostalgie hecht zich aan oude voorwerpen en aftandse gebouwen, waarin het leed getrokken is, als inkt in vloeipapier. De schemer, oud licht, is het schijnsel waarin de sfeer van melancholie en voorbije tijden zich ophoudt.

Wanneer de kleine Karol met zijn stiefvader - zijn eigen vader is vermoord in Theresienstadt - op speurtocht gaat in het voor afbraak bestemde krot van het ouderlijk huis van de stiefvader, verdwijnt de melancholie zodra de vader het elektrische licht aandoet en "dat wat net geheimzinnig was, was nu slechts droevig.'

Weemoed

Het gruwelijke verleden, een bijna geheel uitgemoorde familie, berooft Karols kinderziel van zijn kinderlijkheid. In plaats daarvan verbindt de weemoed om het verloren verleden zich met de tijd en de dood, die onverbiddelijk niet alleen mensen, maar ook hun omgeving vernietigt: “Op het verleden, platgewalst en platgetrapt, rijzen betonnen gebouwen op. Geprefabriceerde labyrinten van bouwplaten zonder verleden en zonder adem, nog niet bezoedeld door urine en bloed en dood en gebrandmerkt door leegte. Onvoltooide kathedralen van betonnen huurkazernes.”

Onafwendbaar wordt zo het verleden van de aardbodem weggevaagd en poogt het te overleven "daar waar het uitsluitend hoort, ergens ver weg achter gesloten oogleden, in het donkere rijk van bepaalde beelden, herinneringen en onbeschrijfbare ontroering, in het rijk dat voor eeuwig, zolang we leven, tot aan onze laatste ademtocht, ons zeker eigendom zal blijven, onze laatste rust en redding.'

Wegens het verdriet dat hem geen enkele herinnering rest aan zijn eigen vader, vereert hij hem als een heilige. In een groot conflict met zijn onbuigzame, strenge moeder, waarin Karol haar hardnekkig bedriegt met het vervalsen van zijn rapportcijfers, blijft de foto van zijn vader, die als een ikoon in de kamer hangt, zijn laatste toevluchtsoord.

Door het vermijden van een moralistische toon slaagt Sidon er in overtuigend te beschrijven hoe een jongetje onder het hardvochtig bewind van zijn moeder tot een pathologische leugenaar wordt. Naarmate het verhaal vordert, dringt zich de metafoor op van een stalinistisch showproces, waarin de moeder als openbare aanklager de verdachte, haar zoon, dreigt met deportatie, een kindertehuis. Alsof de aangeklaagde zoon zijn rechtlijnige moeder niet uit kan leggen waarom hij de idealen van de revolutie, een in alle opzichten geslaagde opvoeding, verraden heeft. In zijn gewetensnood roept hij de overleden en dus onbevlekte vaderfiguur, Lenin, aan. Gelukkig is de ontknoping van het verhaal niet stalinistisch, maar joods.

Sidon is in dit boek diep afgedaald om de wortels van zijn nostalgie, weemoed en kinderleed bloot te leggen. Wat de lezer daarbij hoort is inderdaad het vaak schrille zingen van een vogel en niet de echo ervan.

Hij slaagt daar in omdat hij het verhaal schrijft op een paradoxale wijze: als een nuchtere romanticus en een rationele mysticus. Vroeger als schrijver en nu als rabbi beseft Sidon dat het leven zelf de combinatie van deze tegenstrijdigheden inhoudt. Volgend jaar zal de vertaling van zijn tweede boek uit de jaren zestig verschijnen, Droom van mijzelf. Vooralsnog is dit Sidons laatste boek. Zijn levensloop leidde uiteindelijk naar de synagoge. Praag zal er een goede rabbi aan hebben, maar het is een verlies voor de literatuur.