Hoe groter geest hoe groter beest

Jean-Paul Sartre kon niet fietsen, schreef Jaap van Heerden eens, maar Sartre kon het wel degelijk. De penoze fietst niet, schreef Jaap van Heerden ook en helaas is ook deze observatie - een veralgemening van de vorige stelling - in strijd met de werkelijkheid. Zoals meer Nederlanders kan Van Heerden niet geloven dat er onder fietsers ook slechte mensen zouden kunnen zijn.

Dit is een specifiek Nederlands aan het fietsen verbonden bijgeloof, waarop ik aan de vooravond van een lange buitenlandse reis, of wanneer het mij niet meer schelen kan gelyncht te worden, nog één keer uitvoerig terug zal komen.

Maar zover is het nog niet en ik zal proberen me hier te bepalen tot Sartre. In een aan hem gewijde documentaire die ongeveer een jaar geleden op de televisie te zien was kwam ter sprake hoe de jeugdige Sartre in Le Havre naar de middelbare school placht te fietsen, en hoe hij op de fiets naar afspraken met een meisje ging. Als er iets is wat Sartre inderdaad niet kon, dan was het vermoedelijk autorijden.

Er waren over Sartre en zijn, ja wat? partner? Simone de Beauvoir al tijdens hun leven opmerkelijke anekdotes in omloop, en sinds ze allebei dood zijn is er geen houden meer aan. In een van de onvergetelijkste wordt verhaald hoe Sartre en Castor (bever), zoals Beauvoir door haar intimi genoemd werd, op reis waren in China. Ze kwamen in hun treincoupé heel democratisch tussen een aantal Chinese arbeiders te zitten, die, o wonder, allemaal uitstekend Frans bleken te spreken en sterker nog, goed thuis bleken te zijn in de werken van de beide Parijse filosofen. Er ontspon zich een levendige discussie over l'en-soi et le pour-soir, over l'Autre, le deuxième sexe en de vraag of l'existence voorafgaat aan l'essence. Sartre en Castor waren diep getroffen en spraken nog jaren later over het hoge niveau van kennis van de Chinese werkende massa's.

Nu is dit verhaal ongetwijfeld apocrief, maar als parabel over de zelfgenoegzaamheid en de grenzeloze naveteit waartoe Sartre en Beauvoir in staat waren is het onovertroffen. Niet dat een dergelijke naveteit nu weer zo iets zeldzaams is: de hier besproken geschiedenis is op zichzelf niet naëver dan sommige andere, die bovendien niet apocrief zijn, zoals het geloof dat slechte mensen niet fietsen, of Churchills mening dat de socialisten, als zij aan de macht kwamen, de koningin zouden vermoorden, of de overtuiging van de Paus dat de Heilige Maagd bij de aanslag op zijn leven de kogels uit hun baan heeft gebogen - merkwaardigerwijze niet voldoende om te beletten dat hij geraakt werd, maar juist genoeg om hem het leven te redden. Zulke limieten aan het wonderbaarlijke zijn iets dat mij, ook als het in sprookjes voorkomt, steeds weer hevig ontroert; zo kunnen goede feeën in sprookjes ook een vervloeking alleen maar minder erg, maar niet volkomen ongedaan maken; het is of daarmee symbolisch tot uitdrukking wordt gebracht dat ook de wereld van het hogere in laatste instantie toch onderworpen blijft aan (natuur-)wetten ("God stond machteloos'), of - hetzelfde in een andere vorm - dat onbeperkte toverkracht een spel is zonder regels en daardoor esthetisch onaanvaardbaar.

Ook Sartre en Beauvoir stootten zich soms aan de tralies van hun eigengemaakte wereldbeeld. In het kortgeleden verschenen Mémoires d'une jeune fille dérangée van Bianca Lamblin (Balland, 1993) wordt beschreven hoe S & B diep terneergeslagen zijn wanneer tot hen doordringt dat zij in de toekomst geen lezers meer zouden hebben wanneer iedereen zich naar hun voorbeeld onthield van kinderen krijgen. Het is niet onmogelijk dat ook dit verhaal apocrief is, maar de kern van wat Lamblin vertelt is dat zeer zeker niet. Zoals de lezer weet (het boek werd al besproken door F. van Marle in CS 2-4-'93) gaat het om een afrekening: het is de autobiografie van een joods meisje dat kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog verstrikt raakte in de netten van Beauvoir, haar lerares filosofie op het Lycée Molière, die haar naar het recept van Les liaisons dangereuses toespeelde aan Sartre.

Egocentrisme

Het is wel het meest ontluisterende beeld van S & B tot dusver en het geeft een luguber inzicht in de wijze waarop bij zowel Sartre als Beauvoir allerlei spitsvondige redeneringen in dienst stonden van een grenzeloos egocentrisme. In het begin van de Japanse internering heb ik iemand in alle ernst horen zeggen: "Niets voor mij, zo'n oorlog'. Degene die dat zei beschouwde het als iets dat hem hinderde in zijn persoonlijke leven en zo was het ook voor Sartre en Bauvoir; onder het motto: "wij hebben gekozen voor het geluk' hielden zij zich blind voor de implicaties van de oorlog, wilden er niet van weten, en lieten Bianca en andere joodse kennissen vallen als bakstenen: "Vanaf eind 1940 tot aan de bevrijding was ik totaal van hen afgesloten, nooit hebben zij zich bekommerd om mijn lot of pogingen ondernomen om te horen hoe het met mij ging.'

Het is jammer dat deze Mémoires d'une jeune fille dérangée niet veel eerder zijn verschenen; nu komen ze op een tijdstip dat het toch al in de mode is om op Sartre af te geven, vooral bij mensen die er een eer in stellen op hoge toon "Links' uit te dagen nu het verslagen is en op het kerkhof ligt. Zo trof het mij dat J.L.Heldring Sartre niet kan noemen zonder zijn naam van scheldwoorden als "verachtelijk' en "weerzinwekkend' te voorzien (22-11-'92): “Raymond Aron, die op alle punten postuum gewonnen heeft van zijn tijdgenoot, de verachtelijke maar lange tijd vereerde Jean-Paul Sartre...” 5-2-'93: “Nog in 1980 liepen duizenden achter de baar van de weerzinwekkende Sartre...” (en ik zal er nog wel een paar gemist hebben): het moet mij van het hart dat mij dat nogal parmantig in de oren klinkt.

Er is op de rol die Sartre heeft gespeeld zware kritiek te leveren en ik heb daar lang geleden, toen Heldring zich er nog niet over liet horen, een bescheiden partij in meegeblazen. Sartre was naëf, onverantwoordelijk en verblind door eigenwaan - maar zo lopen er waarachtig wel meer en wel erger op de wereld rond, wier namen (ten onrechte, zou je haast zeggen) niet van zulke invectieven worden voorzien. Wat Heldring geeft is niet kritiek maar zedelijke veroordelingen van de kansel (Lukas 18:11). Nu is dat niet verboden, alles mag, maar de vraag is hoe; het is duidelijk dat ook Van Heerden van de morele kwaliteiten van Sartre geen hoge dunk heeft, maar als hij daar uitdrukking aan geeft doet hij dat met humor - en met een zekere générosité. Iemand die daar ook blijk van geeft is Karel van het Reve, die misschien iets meer recht van spreken heeft dan Heldring (het zou ook iets aardigs hebben gehad als Heldring nu eens inplaats van Raymond Aron Van het Reve had genoemd).

Zelfs Bianca Lamblin geeft, bij al het ontluisterende dat zij over Sartre te zeggen heeft, ook blijk van het ontzag dat zij voor hem had; ook Renate Rubinstein, die toch moeilijk verdacht kan worden van sympathie voor zijn politieke denkbeelden, had dat en Sartre is dan ook, zelfs als men het filosofische oeuvre (ten onrechte) geen enkele waarde zou willen toekennen, toch maar de schrijver van La nausée en Le mur, van toneelstukken als Les mouches, Morts sans sépulture, Huis clos, Les mains sales, La putain respectueuse, Le diable et le bon Dieu en de film Les jeux sont faits en nog veel meer.

Het is waar dat Sartre in zijn privé leven en in de politiek geen aangename rol heeft gespeeld en ook dat hij een gave had voor het voortbrengen van hete lucht - maar zelfs dat deed hij op een onnavolgbaar briljante manier; Lamblin geeft er een paar schitterende staaltjes van (zie bijvoorbeeld blz. 64). Het is duidelijk dat de goede fee de vervloekingen bij Sartres geboorte ("dit kind zal opgroeien tot een lelijk en slecht mens') maar gedeeltelijk heeft kunnen compenseren met intelligentie en talent; maar hakken op Sartre is een moeilijke sport; wie niet oppast lijkt al gauw op een Brabantse dorpspastoor die Eduard Douwers Dekker afdoet als een moreel diep gezonken athest.

(1) Les mots, L'imagination, vier delen Les chemins de la liberté, drie delen Situations; Flaubert, Baudelaire...