Geschiedenisschrijven is schilderen

Feit & Fictie. Tijdschrift voor de geschiedenis van de representatie. Westersingel 37, 9718 CC Groningen. Prijs ƒ 20,-; jaarabonnement (4 nrs.) ƒ 80,-.

In het voorwoord van zijn boek Patriotten en bevrijders beschrijft Simon Schama hoe hij in de leeszaal van het Algemeen Rijksarchief in Den Haag een oude envelop opende uit de nalatenschap van een afgevaardigde van de Bataafse Nationale Vergadering. Drie dingen kwamen tevoorschijn: het pasje voor de vergaderzaal, een abonnement voor een concertserie en een kastanjebruine haarlok, samengehouden door een roze lint. Het was, schrijft Schama, W.H. Auden citerend, alsof hij op dat moment rechtstreeks "het brood brak met de doden'. En dat, vond hij, was eigenlijk alles wat een historicus moest doen.

Zo'n historische ervaring, betoogde de Groningse historicus Frank Ankersmit een paar maanden geleden bij het aanvaarden van zijn ambt als hoogleraar in de geschiedtheorie, staat in het hart van de geschiedenisbeoefening. Die ervaring wordt als in een drieluik geflankeerd door enerzijds het historische verhaal, waarin het verleden wordt geordend en op een samenhangende manier gepresenteerd, en anderzijds het historische debat, waarin ervaring en verhaal kritisch worden getoetst.

Dit programma lijkt direct ten grondslag te liggen aan het tijdschrijft Feit & fictie, waarvan onlangs het eerste nummer werd gepresenteerd. "Tijdschrift voor de geschiedenis van de representatie' luidt de ondertitel. De redactie zoekt aansluiting bij een geschiedtheorie die het spreken over het verleden als een vorm van verbeelding (en niet van louter weergave) van de voorbije werkelijkheid beschouwt. De verhalende geschiedenis is daarvan een van de meest uitgesproken vormen, en het is geen toeval dat Hayden White, een van de belangrijkste theoretici van deze stroming, dit eerste nummer met een column mag openen.

Het tijdschrift, mooi verzorgd door de Groningse Historische Uitgeverij, die ook Ankersmits oratie uitgaf, wil zich niet concentreren op theoretische beschouwingen, maar kan daar in zijn eerste, programmatische nummer niet omheen. Het is opnieuw Ankersmit die zich daarvan kwijt met een pleidooi om grote geschiedwerken te beschouwen als afbeeldingen van het verleden, meer verwant met schilderijen dan met analytische beschrijvingen. Die laatste, aldus Ankersmit, vinden we eerder op het vlak van de geschiedvorsing. De geschiedschrijving geeft een interpretatie, een kader dat altijd iets aan de feiten toevoegt en daarom fictie heet.

Het is een plausibele uiteenzetting, maar ze roept een paar belangrijke vragen op: waar komen die feiten vandaan en welke status hebben ze in een geschiedwetenschap die alles onder het licht van de interpretatie en verbeelding plaatst? In Ankersmits model van de geschiedbeoefening lijkt voor de praktijk van de geschiedvorsing geen plaats te zijn, zolang deze niet de gestalte aanneemt van de begenadigde "historische ervaring'.

Natuurlijk kan deze ervaring een historicus diepgaand inspireren - elders in het nummer laat de historicus Jo Tollebeek dat zien aan de hand van Huizinga en Mario Praz - maar feiten levert ze niet op, al was het maar wegens haar persoonlijke karakter. Men is Schama tenslotte minder dank verschuldigd om zijn mooie anekdote, dan om het feit dat hij zijn bevindingen zo fraai heeft opgeschreven en vooral dat hij jarenlang in het Rijksarchief heeft zitten lezen, bladeren en inventariseren - ook al zal dat niet dagelijks tot aangrijpende ervaringen hebben geleid.