Een parkeerplaats van gebouwen; Weeber en Rijnboutt over architecten, brainparcs en overheidspaleizen

“Er is een groeiende tendens om plompverloren een buitenlandse architect in te schakelen voor grote opdrachten,” vindt Carel Weeber, voorzitter van de Bond van Nederlandse Architecten. Vorige week sprak hij de banvloek uit over Rijksbouwmeester Kees Rijnboutt, die zich sterk had gemaakt voor het aantrekken van de Amerikaan Michael Graves als een van de ontwerpers van het nieuwe ministeriegebouw van WVC. Max van Rooy bracht de hoofdrolspelers van de architectenruzie voor een discussie bij elkaar.

De keuze voor de Amerikaanse architect Michael Graves als ontwerper van een gezichtsbepalend deel van het nieuwe ministeriegebouw van WVC in Den Haag, heeft vorige week voor rumoer gezorgd. Kabaal om de dorpsvijver, volgens cultuurminister Hedy d'Ancona. Maar de voorzitter van de Bond van Nederlandse Architecten (BNA), Carel Weeber, vindt de keuze van een buitenlandse architect voor uitgerekend dt ministerie een cultureel schandaal. "Een slag in het gezicht van de Nederlandse architecten,' zo werd de stap genoemd. En om de verontwaardiging kracht bij te zetten, kreeg de minister te horen dat zij niet welkom was bij het feestje aan de vooravond van de jaarlijkse Dag van de Architectuur waarop zij de BNA-kubus zou uitreiken aan oud-Rijksbouwmeester Frans van Gool. Bovendien verklaarde de voorzitter de oorlog aan de huidige Rijksbouwmeester en BNA-lid, Kees Rijnboutt, die het aantrekken van Michael Graves hartelijk heeft omhelsd. Deze intimiteit kwam de Rijksbouwmeester te staan op Weebers banvloek. Hij kondigde aan een jaar lang niet meer met Rijnboutt te spreken, laat staan zaken met hem te doen. En zo raakte in Nederland de Rijksbouwmeester gebrouilleerd met de voorzitter van de Architectenbond die tevens aan het hoofd staat van de Koninklijke Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst.

In plaats van een jaar, hield de brouille welgeteld vijf dagen stand.

Afgelopen dinsdagmiddag gaven de twee architecten elkaar weer een hand. De heldere, met plattegronden en maquettes beladen kamer van de Rijksbouwmeester in het binnenste van de door Jan Hoogstad ontworpen "Ambtenarenvolière', het spectaculaire ministeriegebouw van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieu, was het decor van de ontmoeting. Weeber vertelde over een fantastisch congres met veertienduizend architecten dat hij dezer dagen in Chicago had bijgewoond. De Rijksbouwmeester attendeerde ons op het bescheiden geluid van de tram die onder het ministeriegebouw doorgaat, op de verhoogde vloer van het serre-terras waar we op uitkeken en op het busje met Brillo dat hij van zijn secretaresse op zijn verjaardag had gekregen, om de inderdaad nogal dofgeworden BNA-kubus die ook hem eens ten deel viel, op te poetsen.

In de loop van het gesprek blijken de technieken van de twee architecten om de ander te overtuigen, sterk van elkaar te verschillen. Rijnboutt gaat luider praten naarmate hij vindt dat hij gelijk heeft en Weeber laat zijn stem juist dalen als hij zijn woorden kracht wil bijzetten.

Gastheer Kees Rijnboutt: “Op een enkel punt heb ik me vorige week behoorlijk gepikt gevoeld. Niet omdat er gebeurde wat er gebeurde, dat is all in the game en daar kan ik heel goed tegen, vind ik. Wat mij erg heeft gestoord, is dat jij, Carel, mij hypocriet noemt. Als er iets is, dat mij zeer doet en dat ik in mijn hele leven tracht te voorkomen, dan is het om hypocriet te zijn. Dat type kwalificatie moet je niet gebruiken. Gisteren zijn we negenentwintig jaar geleden samen afgestudeerd. Op dezelfde middag, 4 juli 1964 in Delft. Bijna een dertigjarig jubileum en wij komen elkaar in het leven toch heel regelmatig tegen. Ik vind dus dat je zoiets niet moet doen.”

Carel Weeber: “Ik vind het jammer dat jij daar zit. Ik praat nou even tegen de Rijksbouwmeester. Ondanks het feit dat wij elkaar regelmatig spreken, heb ik dat van Michael Graves nooit van je gehoord. Dat leek op moedwillig verzwijgen en daarom heb ik je hypocriet genoemd.”

Is het nieuws van de keuze van Michael Graves met opzet tot vlak voor de feestelijke Dag van de Architectuur geheim gehouden?

Rijnboutt: “Ja en nee. De architectenkeus voor Michael Graves is als eerste opgekomen in het hoofd van Tom Meijer, directeur van MAB, de projectontwikkelaar die hier in Den Haag het zogenaamde LaVi-kavel - de naam komt van de ministeries van Landbouw en Visserij - onder zijn hoede heeft. In het najaar van 1992 hebben we overeenstemming bereikt over de vijf basis-architecten die in dit gebied aan het werk gaan, Daan, Dirrix, Drijver en Soeters, naast de Luxemburger Rob Krier die al eerder was ingeschakeld. Uit de definitieve receptuur die uiteindelijk door Krier en Sjoerd Soeters was samengesteld kwam voor het Transitorium-gebouw een bepaalde vorm tevoorschijn. Tom Meijer zag die vorm en deed het voorstel dit gebouw door Michael Graves te laten ontwerpen. Een inhoudelijk argument. Meijer achtte Graves de meest geschikte architect om zo'n soort vorm - allerlei interpretaties zijn natuurlijk mogelijk - aan die verbouwing te kunnen geven. Want meer is het niet. Er komt een nieuwe huls om het gebouw. Tot op zekere hoogte wordt het gehalveerd en het krijgt een taille waardoor het, beter past in de schaal van het gebied. Graves is een architect die zich goed kan inleven in een lokale situatie. Voor Disney wordt het Disney, voor Humana wordt het Humana, voor Den Haag LaVi-kavel wordt het Den Haag LaVi-kavel. Met voorgangers als Krier en Soeters mag dat ook heel nadrukkelijk in die Graves-taal gebeuren. Het heeft geen zin - dat is ook geen seconde aan de orde geweest - om voor deze verbouwing iemand met de taal van Norman Foster te vragen. Naast deze inhoudelijke argumenten, telde ook mee dat dit project in de internationale onroerend-goedwereld als een belangrijk project wordt beschouwd. Dus werd gezocht naar een architect die past tussen de grote namen die hier op het ogenblik aan het werk zijn, Hertzberger, Richard Meier, Kohn Pedersen & Fox, Pelli, een grote internationale naam.

“Op maandagochtend 18 januari ben ik naar de ambtelijke staf van WVC gegaan, naar de minister, de staatssecretaris, directeur generaal Hans de Boer en alle anderen om ze over de plannen voor te lichten. Ik heb ze toen ook verteld dat Graves uitsluitend het Transitorium zal bouwen en Sjoerd Soeters de rest van het ministeriegebouw. De reacties waren onmiddellijk enthousiast. Maar toen dit allemaal plaatsvond, was het nog niet zeker of WVC terug zou komen naar Den Haag. Daarover is het definitieve besluit pas 21 juni gevallen. En op dat moment is afgesproken dat vóór 1 juli - mensen gingen op vakantie - de contracten zouden worden gesloten. Over die architectenkeuze ben ik dus nooit geheimzinnig geweest. Ik had alleen geen enkele reden er ruchtbaarheid aan te geven, omdat er altijd nog een kans bestond dat het allemaal niet zou doorgaan.”

Is er een buitenlandse architect denkbaar tegen wie Weeber géén bezwaar zou maken, als ontwerper van ons cultuurministerie?

Weeber: “Stel dat er op de wereld een architect rondloopt van wie je denkt: jeetje, wat is het nou jammer dat die man nooit in Nederland heeft gebouwd en hij is al zo oud dat hij binnenkort dood kan gaan. Bovendien kunnen we aan Nederlandse architecten duidelijk maken dat het buitengewoon interessant zou zijn om die man te kiezen. Als je aan een Amerikaan denkt, denk ik aan Philip Johnson. Of stel dat Aalto nog had geleefd, of Le Corbusier.

“Maar dit soort bespiegelingen heeft weinig zin. We wilden via dit incident een discussie aanzwengelen. Er is een sterk groeiende tendens om plompverloren een buitenlandse architect in te schakelen omdat in veel opdrachtgevers-ogen een buitenlander automatisch kwaliteit betekent. Niet alleen in Groningen, Maastricht en Eindhoven, maar zelfs ook voor onbelangrijke gebouwtjes in kleinere dorpen. Zo'n tendens wordt dan door de Rijksoverheid met de zorgvuldige keuze van een buitenlander voor het o zo belangrijke ministerie van WVC enorm aangemoedigd. Was het voor Economisch Zaken of Justitie geweest, dan had je mij niet gehoord. Maar uitgerekend dit departement.”

Rijnboutt: “Ik vind dat veel teveel de aandacht wordt gelegd op het gezichtsbepalende karakter van WVC. We leven in een andere tijd. We ontwerpen niet meer een speciaal gebouw voor Sociale Zaken zoals Herman Hertzberger dat heeft gedaan. Of een gebouw voor VROM zoals Jan Hoogstad dit nog recent heeft ontworpen.”

Kees Rijnboutt wijst uit het raam naar de "apenrots', het massale ministerie van Buitenlandse Zaken: “Daar staat zo'n voorbeeld, Buitenlandse Zaken. Dat is waarschijnlijk het kostbaarste departementsgebouw als je het naar de prijzen van vandaag zou opwaarderen. Dat doen we dus niet meer. Overheidspaleizen worden niet meer gebouwd. Niet omdat ik dat nou leuk vind, of niet leuk vind. Ik heb daar eigenlijk geen opvatting over. Althans niet anders, dan dat het passend is in het totale milieu waarin we, op dit moment, in dit land, met elkaar de dienst uitmaken. Maar ik wil het ook niet vulgariseren. We maken een huurkantoor dat in eerste instantie gebruikt gaat worden door WVC. Maatpakken komen alleen nog voor op het niveau van gevangenissen. We zien geen kans om een gevangenis te maken als een jeugdhotel, of een marktconform gebouw.”

Weeber: “Bij mij, en dus niet alleen bij mij, is de krantekop blijven hangen "Buitenlands toparchitect ontwerpt WVC'. Ik constateer dat jullie met grote zorg voor Graves en dus voor een buitenlander hebben gekozen. De BNA vindt dat deze keuze, voor dit ministerie althans, bij de Rijksbouwmeester en bij de minister vragen had moeten oproepen. Deze keuze kunnen wij, de BNA, niet plaatsen in het verlengde van de door jullie uitgebrachte Architectuurnota.”

Heeft de heftige reactie Rijnboutt verrast?

De Rijksbouwmeester: “Ik rolde van mijn stoel”.

De mantel die het troetelkind van de postmoderne architectuur, Michael Graves, voor het Transitorium-gebouw gaat ontwerpen, zal eerst door WVC worden gedragen. Daarna moet hij een andere onderneming even goed staan, een bankconsortium, een warenhuisketen, een belastingkantoor. Raakt de architectuur door de hegemonie van het marktgebouw niet in het karakterloze, cultuurloze slop?

Rijnboutt: “Zo'n vraag is veel te generaal gesteld. Eerst dit. Als er nou één proces is, waarbij ruimte is gegeven aan stedebouw, dan is het wel de ontwikkeling van het LaVi-kavel. Dat gebeurt natuurlijk veel te weinig in Nederland. De afgelopen vier jaar heb ik veruit de meeste energie besteed aan het stadsontwerp, aan het kleine niveau van de stedebouw. Dat geldt voor alle initiatieven die we doen: eerst stedebouw. Al die introverte gebouwen van het rijk - neem Buitenlandse Zaken, daartegenover Landbouw, daartegenover Justitie en hier de Koninklijke Bibliotheek - dragen geen bliksem bij aan het stedelijk milieu. Allemaal 'ontworpen' gebouwen en je maakt er absoluut een dode stad mee. Ik kan er nog dertig zo opnoemen. Gebouwen die allemaal in een traditie zijn ontworpen van: ontwerpen, ontwerpen, ontwerpen. Het zijn paskwillen, allemaal. Het is het beleid en de stedebouw van die tijd. Gebouwen die niets anders doen dan naar zichzelf en naar buiten kijken, net als in Japan. Dat rijksbeleid hebben we de afgelopen jaren heel nadrukkelijk willen veranderen. We gaan nu, ontwerpenderwijs buitengewoon zorgvuldig met al die gebouwen om. Dat heeft niets met "ontwikkelen' te maken, in elk geval niet met de stereotypie die daaraan vast zit. Zoals brainparcs worden ontwikkeld. Dat vind ik het ergste wat er met dit land gebeurt. Ik rijd ongeveer dagelijks over het Prins Clausplein bij Ypenburg. Dan zie je daar die vreselijke ramsj aan de voet van dat spinneweb liggen, die gebouwen van die autobedrijven. Dat is het absolute tenietgaan van de ruimte in dit land. Ook daarbij zijn klaarblijkelijk Nederlandse collega-architecten betrokken. Zij moesten zich de ogen uit hun kop schamen.”

Allemaal leden van de BNA?

Weeber: “Daar gaat het niet om. Sjoerd Soeters is ook geen BNA-lid. Maar ik denk dat Kees gelijk heeft, dat het gebied aan de overkant, met het Transitorium-gebouw onderworpen is aan een ambitieus en zorgvuldig begeleid proces. Maar elders in den lande, daar waar ontwikkeld wordt, is de context voor zorgvuldigheid vaak afwezig. In die gebieden is inderdaad geen enkele aandacht voor stedebouw. Kijk maar naar de plek waar NRC Handelsblad is gehuisvest, de Rotterdamse Alexanderpolder. De omgeving van het gebouw is veel erger dan het gebouw zelf.”

Rijnboutt: “Ik ben er vorige week voor het eerst van mijn leven geweest, in die Oosterflank. Vreselijk, vreselijk.”

Weeber: “De cultuur van de stadsperiferie heeft in Nederland merkwaardig genoeg geen traditie. Men weet hier niet hoe stedebouw moet zijn aan de randen van de stad. In Amerika zijn brainparcs parkachtige milieus waarin gebouwen staan. Hier heet het brainparc, maar is het geen park. Hier is het een parkeerplaats voor gebouwen.

Hoe kon het zover komen? Er is al weinig ruimte in Nederland en dan gaat er nog eens zoveel kostbare ruimte verloren aan ergerlijke parkeerplaatsen voor ergerlijk ontwikkelde gebouwen?

Weeber: “Dat komt omdat we geen negentiende eeuw hebben gehad. De traditie van de grote stad is hier niet ontwikkeld. We kennen de achttiende-eeuwse stad, maar niet de negentiende-eeuwse. De stad ontbreekt hier zoals hij wel bestaat in Parijs, Wenen, Boekarest, Boedapest, Berlijn, Rome, Milaan en gek genoeg ook in Antwerpen. In die tijd is de kennis en de traditie opgebouwd, hoe je met steden om moet gaan. De groei van de randen is te verklaren, omdat we tot voor kort geweigerd hebben de binnensteden aan een tweede dynamisch proces te onderwerpen. Wat hier, in deze omgeving in Den Haag gebeurt, is vrij uniek. En dat zonder zo'n rigoureus bombardement als in Rotterdam.”

Rijnboutt: “Ik ben het maar ten dele met je eens. Na de wederopbouw is er een periode geweest waarin niet werd ontworpen. Van grofweg 1965 tot 1980 stond ontwerpen nauwelijks in de belangstelling van het onderwijs. Je kon afstuderen op een mooie scriptie. Stedebouw was een volstrekt administratieve aangelegenheid waarin spelregels werden gedefinieerd en plannen werden vastgesteld, maar geen ontwerpen werden gemaakt. Stedebouw is op onze universiteiten teloorgegaan. Er is al geen stedebouw in Eindhoven en stedebouw in Delft is ook lange tijd zonder hoogleraar geweest.”

Weeber: “Onze stedebouw is volkshuisvesting. Wij zijn goed in het creëren van voorbeeldige woonmilieus. Daarbij hebben wij altijd veel ambitie vertoond. In volkshuisvesting als stedebouw zijn we veel overtuigender dan in stedebouw in de binnenstad. Kijk maar naar de binnenstad van Rotterdam, het Weena. Dat is net als al die nieuwgebouwde, glimmende dorpsranden, geen consistent stadsbeeld geworden. De binnenstad van Rotterdam is uit de hand gelopen. Wat je ziet is eigenlijk een Belgisch beeld, onsamenhangend, willekeurig, niet gelijkmatig. Alleen, in België stoort zo'n beeld niet, hier wel. De vraag is of we daar iets aan moeten doen.”

Met deze kwestie in het hoofd maken de gespreksgenoten een kleine rondgang door de verbazingwekkende, exclusief voor het ministerie van VROM ontworpen creatie van Jan Hoogstad. Hoog in de lucht, vanaf een van de loopbruggen, wordt aangekeken tegen het volstrekt stijlloze Transitorium-gebouw, dat in deze erbarmelijke staat in Beiroet niet zou opvallen. Onder die morsige gevels schuilt het gebeente van ons nieuwe ministerie van WVC dat straks door de classicistische vormpjeskunstenaar Michael Graves zal worden omgetoverd tot een letterlijk oppervlakkig sprookjesgebouw. En als het is verwezenlijkt, zullen we tegen elkaar zeggen: "kijk, dat is nou het ministerie van WVC. Het is ontworpen door de Amerikaanse ster-architect Michael Graves en de minister vond het prachtig'.