De schurken van de nieuwe wereldorde; John Le Carre na de Koude Oorlog

John Le Carré: The Night Manager. Uitg. Hodder & Stoughton, 352 blz.

Prijs ƒ 49,30. Nederlandse vert. De ideale vijand. Vert. Rob van Moppes. Uitg. Luitingh Sijthoff, ca 400 blz. Prijs ca. ƒ 34,90. Verschijnt in september.

Heeft John Le Carré de Koude Oorlog overleefd? In zijn laatste twee romans, The Russia House en The Secret Pilgrim varieerde Le Carré behendig op zijn eigen thema's, zonder dat hij het Oost-West terrein hoefde te verlaten. Maar handhaaft hij zich als schrijver in een nieuw landschap, zonder de vertrouwde herkenningspunten uit zijn beste boeken?

Ja en nee. The Night Manager speelt in het milieu van de internationale wapenhandel, met zijn werelds cynisme, onberispelijke executives, eindeloos subtiele banktransacties en illegale vertakkingen in de Europese en Amerikaanse politiek. Deze schaduwkant van de zogenaamde nieuwe wereldorde wordt door Le Carré in kaart gebracht met een overtuigingskracht die adembenemend is. Het is een decor dat hem duidelijk inspireert; in scherp, sarcastisch proza legt hij het netwerk bloot waarin zijn schurk, de gentleman-wapenhandelaar Roper, zich beweegt. Le Carré is altijd al een meester geweest in het beschrijven van de verdorven dubbelhartigheid van het establishment van het Verenigd Koninkrijk. In The Night Manager beschrijft hij het morele deficit van die conservatieve orde met zoveel verve, dat het de eigenlijke intrige dreigt te overschaduwen.

Daar zit ook meteen het probleem. Zo nieuw en overtuigend als de wereld achter de politieke retoriek van de wapenembargo's aandoet, zo sleets is de intrige die de roman moet dragen. Wat hij in The Night Manager doet, heeft Le Carré eerder gedaan. En beter.

Het gegeven lijkt al te sterk op dat van The Little Drummer Girl: de Engelsman Jonathan Pine, een typische Le Carré-held, een jongeman met oude waarden in een verdorven wereld, wordt geronseld door een gedreven agent in een van de lagere echelons van de Britse geheime dienst. Pine, night manager in een Zwitsers hotel, speelt de rol die hem wordt toebedeeld, niet zozeer uit patriottistische overwegingen, maar uit een diepgeworteld schuldgevoel: ongewild is hij medeplichtig aan de dood van zijn vriendin, die in Cairo uit de weg is geruimd door handlangers van Roper.

Minnares

Het verhaal van The Night Manager draait om Pine's uiterst geraffineerde infiltratie in de kring rondom Roper. Deze handelaar ruilt wapens voor drugs en doet goede zaken met de drugskartels van Colombia, zonder zijn handen echt vuil te maken. Le Carré besteedt veel pagina's aan de subtiele manoeuvres van de mannen achter Pine om Roper zand in de ogen te strooien, en nog meer aan Pine's getourmenteerde verhouding met zichzelf, zodat de spanning lang op zich laat wachten. Bovendien raakt Pine gefascineerd door een oppervlakkige, maar mooie luxe-minnares van Roper, een passie die maar niet echt wil overslaan op de lezer.

Wanneer Pine eindelijk het vertrouwen van Roper heeft gewonnen, verplaatst het zwaartepunt van het verhaal zich vrij onverwacht naar de rivaliteit tussen de afdelingen van de Britse geheime diensten onderling en met hun "cousins', de Amerikanen; eigenbelang gaat voor landsbelang. Pine blijkt niet meer dan een pion in een akelig machtsspel. Le Carré laat hem nadrukkelijk de getourmenteerde drager zijn van zijn eigen eervolle idealen en hem even nadrukkelijk ten onder gaan door het cynisme van de machthebbers. Niet voor niets siert een tekening van de Engelse heilige bij uitstek, St Joris, het omslag van The Night Manager: Pine staat alleen in een wereld vol draken.

The Night Manager laat vooral een vermoeide indruk achter, ondanks de fascinerende couleur locale: de scènes op Curaçao, bijvoorbeeld, waar Pine als stroman van Roper schimmige transacties verricht, maken weer eens pijnlijk duidelijk wat voor prachtig materiaal Nederlandse thrillerschrijvers laten liggen.