De "Post' en de maximale vrijheid van mening

Lezers van het Engelstalige, Israelische dagblad The Jerusalem Post zijn er langzamerhand aan gewend dat deze krant op de nieuwspagina's een redelijk journalistiek niveau handhaaft en in haar redactionele artikelen een zeer rechtse koers volgt. De schijn van onpartijdigheid wordt opgehouden door af en toe een artikel van een niet-Likudlid te publiceren, zonder twijfel te laten bestaan over de politieke kleur van de schrijver. Rechtse medewerkers worden beschreven als auteurs of redacteuren, hun werkelijke politieke identiteit houdt men voor de lezers verborgen.

De problemen begonnen twee tot drie jaar geleden toen de krant nieuwe eigenaars kreeg. Johanna Yehiel, die voor de Post werkte, nam ontslag omdat zij vond dat de verandering van eigenaars kwalijke gevolgen had voor de vrijheid van meningsuiting. Yehiel maakte de zaak aanhangig bij de rechtbank voor arbeidsgeschillen en eiste schadevergoeding omdat zij gedwongen was ontslag te nemen. Rechter Elisheva Barak bekeek de zaak in de bredere context van het openbaar belang, de verplichtingen van werkgevers en werknemers, persvrijheid en de beperkingen voor uitgevers.

Niemand kan, aldus Barak, betwisten dat een eigenaar en manager van een onderneming, fabriek, of een krant, het privilege heeft zijn zaak in overeenstemming met zijn eigen smaak of wil te leiden. Dat is een van de fundamentele rechten van de ondernemer. Hij kan de regels aanpassen - mits die niet in strijd zijn met de wet. Maar als hij ze radicaal verandert en de werknemer onder de nieuwe omstandigheden niet kan blijven doorwerken, heeft de wetgever de noodzaak erkend van de betaling van "ontslagcompensatie'.

Het privilege van het management geldt ook voor het leiden van een krant, zegt Barak. Een uitgever heeft het recht de hoofdredacteur en de journalisten te instrueren. De vraag is waar de grenzen van de uitgever liggen, aangezien de journalisten van een krant geen gewone werknemers zijn - zij hebben ook recht op vrijheid van meningsuiting en op persvrijheid. Deze kwestie voert de rechter naar de driehoek van strijdige belangen, die alle voortkomen uit het recht op vrijheid van meningsuiting, de rechten van de ondernemer en de uitgever, de rechten van journalisten, en het recht van een publiek op objectieve informatie. Verwijzend naar een recente uitspraak van het hooggerechtshof, beklemtoont Barak de verplichting van de staat zich te onthouden van alles wat de rechten van de mens, waaronder de vrijheid van meningsuiting valt, zou kunnen schaden.

Maar hoe kan men even geldige, maar strijdige belangen met elkaar verenigen? Een uitgever heeft het recht te beslissen welke politieke koers zijn krant gaat volgen. De hoofdredacteur en de journalisten hebben het recht te verwachten dat hun vrijheid van meningsuiting geen geweld wordt aangedaan. Het publiek heeft het recht op het hele spectrum van meningen. Volgens Barak hebben de eigenaren en de uitgever het recht een hoofdredacteur te benoemen die hun bevalt. Zij kunnen hem zonodig vervangen. Dezelfde regel geldt als een krant verkocht wordt. De nieuwe eigenaars mogen de oude hoofdredacteur ontslaan en een nieuwe aanstellen. Zij mogen ook journalisten ontslaan.

Wat de nieuwe eigenaars niet kunnen doen is de hoofdredacteur aanhouden, hem de vrijheid geven de krant te leiden, de journalisten verzekeren dat de vrijheid van meningsuiting wordt gerespecteerd, en dan interveniëren, druk uitoefenen en de heilige regels van een krant in een democratische samenleving schenden. Barak concludeert dat journalisten niet slechts recht hebben op het beperkte recht van vrije meningsuiting, maar ook op de "vrijheid van eerdere belemmeringen'.

De doctrine van Barak impliceert dat als de uitgever eenmaal heeft besloten de oude hoofdredacteur aan te houden, hij de volledige vrijheid van handelen van de hoofdredacteur moet respecteren. In dit verband behandelt Barak de kwestie van interventie door de regering en haar mening daarover is beknopt en volgens de beste liberale traditie. De regering heeft slechts het recht te interveniëren in het zeldzame geval van een mogelijke publikatie van geheime informatie die de staat in gevaar kan brengen. Kritiek op de regering kan nooit een reden zijn voor overheidsinmenging. Barak legt verband tussen de interventie van een uitgever bij de behandeling van nieuws, en geeft daarover hetzelfde oordeel als over het gevaar van overheidsinmenging.

De uitgever heeft het recht in te grijpen bij de publikatie van geheimen die de staat in gevaar kunnen brengen, of in geval van grove inbreuk op de privacy, ook een belangrijk principe dat gerespecteerd dient te worden. De functie van de pers is echter kritiek mogelijk te maken op publieke figuren die voorbereid moeten zijn op een zekere inbreuk op hun privacy: zij heben immers gekozen voor de publieke arena. Op grond van "het openbaar belang en het recht op informatie van de bevolking, moeten de hoofdredacteur en de journalisten die de informatie vergaren een maximum aan vrijheid krijgen, en mogen de eigenaars de krant niet gebruiken als orgaan voor persoonlijke opvattingen'. Dit, aldus Barak, waarborgt de twee grondbeginselen van persvrijheid: het principe van vrijheid van meningsuiting en het principe van openbare discussie.

De rechter kende Johanna Yehiel schadevergoeding toe, want zij acht het bewezen dat de nieuwe uitgever van de Post, na de oude hoofdredacteur aangehouden te hebben, de regels geschonden heeft, journalisten benaderd en berispt heeft omdat zij artikelen geschreven hadden die niet in overeenstemming waren met zijn politieke vooroordelen. Dat, zei de rechter, kon niet getolereerd worden, vandaar dit vonnis.