De Blije Terugkeer van het Meisjesboek; Avontuur in de nacht

Waar zijn toch de meisjesboeken gebleven zoals ze in de dagen van weleer werden geschreven en gellustreerd? NRC Handelsblad nodigt deze zomer een aantal auteurs uit op zoek te gaan naar het klassieke meisjesboek en er zelf een hoofdstuk van te schrijven. Vandaag als vierde Carolien Roelants.

(Robbedoes Lotje is bakvis Charlotte geworden, althans naar de mening van Moeder. Mevrouw van Meeteren moet echter keer op keer treurig constateren dat Charlotte geen jonge dame wil worden.)

"Charlotte! Lotteke, kind!” Boos-verschrikt klinkt Moeders stem hoog op. “Kind, wat heb je nú weer gedaan!” Tranen wellen in Moeders ogen, ziet Lot. En ze weet: dit keer heeft ze Moeder ècht pijn gedaan, dit keer is erger, véél erger dan al die andere keren. Maar spijt heeft ze niet, wl ze niet hebben. Koppig schudt ze haar korte krullen. Lèkker, denkt ze, lèkker, dat korte haar. Pas zat ze nog met haar vlechten in het prikkeldraad vast. En ze is ook van dat borstelen af: elke ochtend en elke avond honderd slagen, Charlotte, hoort ze Moeder zeggen.

“Dàg Mevrouw van Meeteren, dàg Char-lot-te”, zingt plots een beleefde stem. “Oh Charlotte”, schrikt de stem, “wat heb je met je bééldige krullen gedaan? Dat u dat goed vond, Mevrouw!” Vals kind, achterbaks wicht, denkt Lot vol afkeer. “Laatste mode”, roept ze uitdagend naar het buurmeisje. “Johan zou het vast dòlletjes vinden als jij ook je haar afknipt”, voegt ze er liefjes aan toe . Ze ziet To - Cateau tegenwoordig - schrikken: niemand mag weten dat ze met hem omgaat. Vieze ouwe vent, denkt Lot, hij is zeker al dertig. En dan die gladde vrienden van hem.

Moeder zucht. Waarom is Lot, haar lang-gehoopte enige dochter, zo'n wildebras? Waarom heeft ze niet wat meer van de onberispelijke Cateau? Na schooltijd is ze altijd bij die wilde tweeling van Franssen te vinden - aardige jongens, maar alléén genteresseerd in modderige speurtochten over de weiden en door het bos. Steeds komt Lot met buit thuis: half-dode vogeltjes die ze in leven probeert te houden, konijntjes soms, en één keer, herinnert Moeder zich rillend, een aangereden slang die ontsnapte en die ze uiteindelijk morsdood tussen haar winterkleren terugvond.

Toen Lotje nog een baby was, had ze gedroomd hoe ze samen naar de stad zouden gaan, gezellig-gearmd, en al die meisjesprulletjes zouden uitzoeken: lakschoentjes, hoedjes, linten. Ze had zich trots voorgesteld hoe Lot later - nú! - in feestelijke japonnetjes van Maison de Vries naar theepartijtjes zou gaan, op zachte dansschoentjes naar soirées, het lange haar los.

“Naar je kamer!” beveelt Moeder. Ze kijkt naar de korte krullen, de gescheurde rok - alweer, noteert ze vermoeid - de geschramde knieën en de zwarte, kort-afgebroken nagels. “Ik wil je voorlopig niet meer zien, Lot. Vader en ik zijn vanavond uit; ik zal Lena zeggen wat voor je klaar te maken. Morgen hoor je wat er verder gebeurt.”

Voorlopig valt het nogal mee, vindt Lot. Ze kijkt haar kamertje door, de wit-gelakte meubeltjes, de gordijnen met de roze roosjes en de bijpassende sprei - de bakken met de zieke vogels, het nest veldmuisjes, de verzameling dode en levende insecten. Ze bedekt het aangereden egeltje met het gehate kapmanteltje, geborduurd onder leiding van Juf: is het nog ergens goed voor! En straks, vergeet ze Moeders reprimande al, straks als het donker is, gaat ze met Jochem en Kees naar het Kasteel. Góed dat Vader en Moeder uitgaan; Lena wordt wat dovig, die merkt niets.

(Lot verzorgt de drie half-lamme vogels die ze momenteel onder haar hoede heeft, vindt de tamme muis Pieps die altijd ontsnapt en Lena de stuipen op het lijf jaagt, eet gezellig met Lena van de boeren-bonte borden in de keuken, en wacht tot het tijd is de tweeling op te zoeken. En dan:)

Handig klimt Lot het raam uit, en glijdt langs de regenpijp naar beneden. Achter het geel-verlichte keukenraam vermoedt ze Lena dommelend in haar stoel. Vlug rent ze het gazon over, naar de bosrand, waar de tweeling wacht. Een half uur lopen naar het Kasteel, hebben ze vanmiddag berekend, een uurtje naar de uilen en de vleermuizen kijken, en een half uur terug: ze zal zeker in haar ledikant liggen voor Vader en Moeder thuiskomen.

In het donker, met alleen het licht van Jochems zaklantaarn, ziet het vertrouwde bos er dreigend uit. Ze schrikken van een tak die met een scherpe knal onder hun voeten knapt. Luguber klinkt het oehoe-oehoe van een uil. Stl, gebaart Jochem, stl! Onbeweeglijk luisteren ze: bladeren die fluisteren in de wind of stemmen in de verte, bij het Kasteel? Het eerste besluiten ze, maar onwillekeurig lopen ze langzamer, voorzichtiger, tot ze bijna slúipen.

Het Kasteel is in werkelijkheid niet meer dan een rune - afbrokkelende muren, half-ingestorte torens, kelders, vroegere kerkers, vermoeden ze. Je kan nog zien waar de slotgracht heeft gelopen, maar die staat nu allang droog, en rondom is het bos hoog opgeschoten in de honderden jaren sinds de de val van het Kasteel en de verwoesting ervan.

In het dorp is al vaak gevraagd om een hek om de rune: er komen stenen naar beneden en de kelders zouden kunnen instorten. Maar tot blijdschap van Lot en de tweeling is het er nog niet van gekomen: pràchtige uileballen vind je er voor hun verzamelingen, en ook herinneringen aan vroeger tijden, scherven waarvan ze een Middeleeuws servies bij elkaar fantaseerden en een keer zelfs een half-verroeste helm.

Tegen de donkere hemel tekenen zich nòg donkerder de contouren van de torens af. Scherp klinkt een fèl-klagende kreet op, die onmiddellijk wordt gesmoord. Wéér schrikken ze, maar met bonkende harten stellen ze elkaar en zichzelf gerust: een konijn zeker, door een wezel overvallen en vermoord.

Dan rolt een steen weg, en heel duidelijk opeens horen ze stemmen. Jóhan, herkent Lot diens stem met een schok, en zijn vrienden, die deden hier vast niets goeds.

“Kijken?” ademt ze naar Jochem en Kees, die vastberaden terugknikken. Behoedzaam schuiven ze in de richting van de stemmen, tot ze achter een muurtje dekking vinden. “Let op die meid!” horen ze Johan snauwen, opeens vlàkbij. Lot en de tweeling kijken elkaar vragend aan. Even is een wit-verschrikt gezicht te zien in een snelle lichtbundel. “Tó”, schrikken ze, “Tó, wat is hier aan de hand?” Achteruit, gebaart Lot, en buiten gehoorsafstand plegen ze snel-fluisterend overleg. Het zou zeker te veel tijd kosten om hulp te halen - “Of zullen we dat stiekeme kind in haar sop laten gaarkoken?” suggereert Kees boosaardig. Maar ze weten: we helpen haar.

(Lot en de tweeling lokken de drie mannen één voor één weg, overmeesteren ze - Lot is blij dat ze niet meer aan haar vlechten kan worden vastgepakt - zetten ze in de Middeleeuwse kerkers vast en bevrijden de onfortuinlijke Cateau. Kees gaat nu hulp halen. En dan:)

Beschaamd zit To op een muurtje te snikken. “Stel je niet aan, To”, zegt Lot rustig. “Je hebt jezelf in de nesten gewerkt. En zeg 'ns, wat is er nou precies gebeurd?”

To wijst, en dan pas zien Lot en Jochem de bultige zakken staan. “Diefstal”, fluistert Lot, “diefstal. Jullie familiezilver, zeker? En de juwelen van je Moeder? Die mooie Johan van je was een ordinaire dief?” Ze schatert het uit. “Maar wat deed jij hier? Wilden ze je naar een harem verkopen? Die lange krullen van je hadden op de blanke-slavinnenmarkt vast een tientje extra opgeleverd”, zegt ze luchtig. “Ze dachten eerst dat ik wel zou meewerken”, stamelt To, “ik wéét niet wat ze met me van plan waren.” Ze huilt nu met gierend-lange uithalen, griezelend wat er had kùnnen gebeuren.

Er naderen nieuwe stemmen, de hulp die Kees heeft gehaald. Vader, Moeder, hoort Lot plotseling verschrikt: wat zullen die nú boos zijn. Maar Moeder omarmt haar. “Kind, kind”, stamelt Moeder. “Kindje, wat heb je nu toch weer gedaan!” Zacht strijkt ze haar dochter door de korte lokken, dolblij dat alles toch weer goed is afgelopen. “Kind, wannéér groei je nu eens op?”

Mòrgen, belooft Lot opgelucht, mòrgen. “En ik ga met je de stad in”, straalt ze. “Desnoods in mijn kapmanteltje.”

(De volgende dag: wanneer Mevrouw Van Meeteren klaar staat om naar de stad te gaan, blijkt Lot verdwenen. Ook de tweeling is weg.)