Brave gemeentelijke aankopen bij ICA-expositie

Tentoonstelling: "Amsterdam, een rijke stad'. ICA, Nieuwe Spiegelstraat 10, Amsterdam. T/m 4 sept. Di. t/m zo. 11-17 u. do. 11-21 u.

Met de tentoonstelling "Amsterdam, een rijke stad' sluit het Institute of Contemporary Art - ICA - na een kortstondig bestaan van twee jaar haar deuren. Per 1 januari 1994 zal Stichting de Appel het gebouw aan de Nieuwe Spiegelstraat betrekken.

"Amnsterdam, een rijke stad' is een keuze uit de Gemeentelijke Kunstaankopen uit de periode 1981-1991 gemaakt door Fred Wagemans (Stedelijk Museum, voorheen hoofdconservator van Museum Fodor) en Margreet Monhemius (ICA).

Tot vorig jaar toonde het inmiddels gesloten Museum Fodor de jaarlijkse aankopen van Amsterdamse kunstenaars, die automatisch worden opgenomen in de collectie van het Stedelijk Museum. Met een jaarlijks te besteden budget van een kleine half miljoen gulden kocht deze commissie, aan de hand van ingezonden dia's, per jaar zo'n tachtig kunstwerken van vijftig kunstenaars van verschillende disciplines.

“Na ups (in de jaren vijftig besliste de museumdirecteur - lees: Sandberg) en downs (in de jaren zeventig domineerden direct belanghebbenden de jury) varen de Gemeentelijke Kunstaankopen vanaf 1981 een betrouwbare koers”, verklaren de samenstellers. "Amsterdam, een rijke stad' typeren zij als een tentoonstelling die duidelijk maakt dat "de museale garantie van de laatste twaalf jaar een rijk bezit voor de stad heeft opgeleverd.'

"Betrouwbaar', "rijk', "garantie'; volkomen nieuwe woorden in de hedendaagse kunst. Afgaande op wat de overigens keurig verzorgde tentoonstelling laat zien heeft de kunst zich vooral ontwikkeld van heldere vormen en ideeën naar inhoudsloze etalagekunst en slappe meligheid.

Dat deze mening niet gedeeld wordt door de samenstellers blijkt uit de verdeling van de beschikbare ruimte. Op de minst gunstige plekken hangt of staat de beste kunst. Twee mooie beeldjes van Reinier Lucassen zijn voor de kassa in de hal neergezet. Op een achterwand in het halfduister tegenover een grappige foto van Pieter Laurens Mol - een laken aan de waslijn met een gat waar doorheen een man is gestoken - is "Missing Person-Mantlepiece' (1976) weggemoffeld, een van Ger van Elks sterkste werken, dat werd aangekocht in 1981. Een kleurenfoto van twee voorname heren in een even voornaam interieur die zich geanimeerd met een onzichtbare derde onderhouden. De derde figuur is, net zoals dat Alexander Dubcek overkwam, van de foto "weggeschilderd'. Een min of meer navolgbaar en gelaagd werk dat in schril contrast staat met een reusachtig wit geschilderd doek van W.J.M. Kok, dat op een ereplaats hangt. In zwarte lijnen staat een wekker in Dick Bruna-stijl afgebeeld. Het is drie uur. Nou en? Minstens zo flauw zijn de persiflages op creativiteitscursussen uit de jaren zeventig van Paul Perry; een reusachtige Mexicaanse hoed, een macramé-wandtapijt en een onafgewerkte plank - kijk eens hoe schoon zijn de nerven? Van vergelijkbaar kalibeter is Machteld van Burens portret van Lassie.

Het ICA toont ook een generatie kunstenaars - met Niek Kemps en Arno van der Mark als roergangers -, die het tentoonstellen zelf tot onderwerp heeft verheven. Elke speurtocht naar de bedoelingen van de kunstenaar zal op niets uitlopen. Van deze, alleen vanwege de afmetingen, huiskameronvriendelijke kunst rest niet veel meer te vermelden dan dat ze netjes is uitgevoerd in glimmende materialen.

Opvallend afwezig zijn de de Amsterdamse kunstwereld onveilig makende "naar de natuur'-schilders rond Peter Klashorst en het kunstenaarstrio dat onder de naam Seymour Likely gespierde beeldtaal bezigt.

Evenmin zijn cracks als Pieter Holstein of Sigurdur Gudmundsson van de partij. Ook een serie mooie tekeningen van Anton Heyboer, die de commissie tien jaar geleden kocht, ontbreekt. Heyboer ligt niet zo best op dit moment.

Het beste weten de schilders van de losse pols stand te houden. Marien Schouten met zijn trefzekere streken, Eric Andriesse met een groot doek met rode tulpen en Gerard Polhuis met dromerige lyriek.

Een van de weinige figuratieve schilderijen op de tentoonstelling is gemaakt door Toon Noij (Breda, 1953-1989). "De ontmoeting' is de titel van zijn geëxposeerde doek. Technisch bekeken niet het neusje van de zalm maar zijn boodschap zit vol doordenkertjes; een naakte schilder of schilderes heeft de ezel even met rust gelaten en de blik op zijn onderwerp gericht; een slingerend pad wijst een weg naar de bergen en dalen in de verte. Met zijn uitgestrekte armen, een penseel in de ene hand en een palet in de andere hand, lijkt deze figuur uit te drukken: "Oh wat prachtig, als ik dit toch eens vast kon leggen.' Aan de andere kant zou je zijn gebaar ook uit kunnen leggen als "Maar wat sta ik hier te klooien, hup de lanen in!'