Transparante klanken bij orkest Lille

Concert: Orchestre National de Lille o.l.v. Jean-Claude Casadesus met Didier Braem (orgel). Programma: Claude Debussy, Trois Nocturnes en La Mer, Camille Saint-Saëns, Derde symfonie in c kl.t., opus 78. Gehoord: 7/7, Concertgebouw, Amsterdam. Radio-uitzending: 22/8, Radio 4.

Het eerste dat opviel toen het Orchestre National de Lille gisteravond plaatsnam op het podium van het Concertgebouw in Amsterdam was de gewijzigde opstelling van het orkest. De contrabassen stonden niet, zoals gebruikelijk, achter de celli maar midden achter het orkest. De pauken waren naar rechts opgeschoven en het koper zat samen met de hoorns helemaal rechts op het podium. Door de verplaatsing werd het geluid van de contrabassen als het ware gefilterd door het orkest en ontstond een lichter klankbeeld waarin de hoge instrumenten domineerden.

Al bij de inzet van de Trois Nocturnes van Debussy werd duidelijk waar het dirigent Jean-Claude Casadesus om te doen was: een transparante klank die goed aansluit bij het Franse repertoire waarop het orkest uit Lille zich concentreert. De subtiele harmonische kleurverschillen waarmee Debussy in "Nuages' een wolkenlucht suggereert, klonken in de hoge strijkers mooi zacht als getemperd licht en het contrasterende feestgedruis in "Fêtes' ontwikkelde zich tot een kernachtig hoogtepunt. Omdat er blijkbaar geen vrouwenkoor beschikbaar was om de rol van de sirenen te zingen, bleef de derde Nocturne jammer genoeg achterwege.

Casadesus, die bij Pierre Boulez directie studeerde, heeft een fraaie, aristocratische slagtechniek en liet er geen twijfel over bestaan dat hij klankschoonheid en een perfecte afwerking van onderdelen verkiest boven een zoeken naar structuren. Na de goed gelukte Nocturnes viel de uitvoering van Debussy's La Mer een beetje tegen. Er klonken zo nu en dan merkwaardige onzuiverheden en de heldere klank had de neiging te verschralen. Daar staat tegenover dat het Orchestre National de Lille ook virtuoos ensemblespel liet horen, zoals in het kwikzilverachtige "Spel van de golven'.

Camille Saint-Saëns wisselde in zijn Derde symfonie meditatieve dialogen tussen orgel en orkest af met een wat pompeuze retoriek. Net als bij Debussy benaderde Casadesus de muziek vanuit de details in de instrumentatie. Hij liet zich niet meeslepen door de overbekende thema's en hield de orkestklank rank en open. Didier Braem speelde een bescheiden maar effectvol kleurende orgelpartij. Bij het Orchestre National de Lille viel alles op zijn plaats, maar toch balanceerde Casadesus met zijn hang naar volmaaktheid op de rand van het afstandelijke.