Stenen bloem

Iets zien en tegelijk niet zien, dat is leuk. Het oog is altijd willig om zich te laten bedriegen, hetzij door een elegant kunstje dat dan trompe l'oeuil heet, hetzij door emoties, wegens niet willen zien.

E.H. Gombrich, de grote kunsthistoricus, toonde zondag aan de Nederlandse televisiekijkers een wel heel wonderlijk, bijna magisch voorbeeld van gezichtsbedrog. Wij zijn, zei hij, niet bij machte om een binnenste buiten gekeerd menselijk gezicht waar te nemen. Onze hersens werken niet mee. Hij had zo'n gezicht, misschien een afgietsel van gips om maskers mee te maken, hol als een half meloentje. De binnenkant was beschilderd zodat je ogen en mond goed kon onderscheiden. “Ik weet niet of het op de televisie overkomt”, zei hij voorzichtig. Maar het kwam fantastisch over, je zou zelfs niet geloven dat het effect in het echt zó sterk kon zijn. Je ziet namelijk geen holle vorm, je ziet het bol. Een gewoon gezicht. De schim van het gezicht dat er zou moeten zijn.

Als het voorwerp gedraaid wordt, treedt een vreemde verwarring op, want het gelaat verandert anders dan je verwacht; het wordt smaller, raar. De neus steekt immers niet uit zoals je hersens onverstoorbaar denken, hij is een gat. En toch geloofde je dat pas echt toen Gombrich zijn hand er in stak, één bejaarde vinger in de neus. Inderdaad: hol. Zo machteloos, schijnt het, laten onze ogen zich alleen in het geval van een mensengezicht bedriegen.

Er is iets bijzonders met gezichten, onze blik is erop geijkt, onze ogen smachten ernaar. Hoe komt het toch, heeft Gombrich zelf wel eens eerder gevraagd, dat wij drie, vier willekeurige stippen en streepjes op papier zo gemakkelijk als gezicht interpreteren? Probeer het zelf maar, begin desnoods met de smile!-button. De marge voor afwijkingen is ruim, neus en hoofdomtrek kunnen weg, ogen scheef. Eigenlijk is er ook altijd meteen expressie, een zure mond, verdrietige ogen, alles op basis van niets. Drie krabbels.

Als kind zat ik met mijn broertje in de brede vensterbank van het huis waar wij tijdelijk woonden (het was in Wenen, Gombrich' geboortestad), de gelaatsuitdrukkingen van passerende auto's na te doen. Veel auto's keken boos, met grimmig ontblote tanden. Er waren er ook bij die heel gek keken, zoals de Panhard, met zijn slaperige frons.

Nu zie ik hoe een kind van zeven een huis schildert, een klein huis, voordeur in het midden, twee ramen daarboven, een dak bovenop, en ik denk in stilte: het is een gezicht. Ineens zegt het kind: dit huis kijkt wel vriendelijk hè? Hij wist het ook. Als peuter, toen ik eens (ach, je doet zo gek met kinderen) gevoelens begon toe te dichten aan een levenloos voorwerp, wierp hij verontwaardigd tegen: het heeft toch geen ógen?

Lang in iemands gezicht, in iemands ogen kunnen kijken is een streng criterium voor vertrouwdheid. Met hoe veel mensen kan ik dat? Verliefd zijn is naar elkaar willen kijken, zoveel is zeker. Ik zal nooit vergeten hoe ongelukkig ik was toen ik vaststelde dat ik de man die ik op dat moment als mijn vriendje beschouwde niet onbeperkt bleek te kunnen aankijken en hij mij niet. Zoiets wijst op schaamte en onbehagen, het doet denken aan de automobilisten die in het stadsverkeer nadrukkelijker elkaars blik vermijden naarmate zij elkaar hondser hebben behandeld.

Maar het ware, onbevangen, rustig kijken naar het gezicht van een ander is toch weer kinderwerk. In de metro heb ik het eens gezien. Een vader met een baby die in een wagentje lag. De baby fixeerde het gezicht van zijn vader, roerloos, vredig, en viel daarbij langzaam in slaap. Soms gingen de luikjes nog even open, blik op pappa, alles goed, slapen. Het was alsof die ogen aan het zuigen waren, als op een speen, een visuele borst.

In de oudste lagen van mijn ziel, dicht Vasalis, waar hij van stenen is gemaakt, bloeit als een gaaf ontkleurd fossiel / de stenen bloem van uw gelaat. Ik heb nooit gedacht dat dat gedicht over ouders en kinderen gaat, ik denk het nog niet. Maar het geeft iets weer van de wijze waarop onze ogen hunkeren naar gezichten en ze zien waar zij de kans krijgen. Er is geen leven zonder gezichten.