Professorale verdiensten

Hebben de klassieken ons nog iets te zeggen? Wie deze vraag een halve eeuw geleden gesteld had, zou op een verontwaardigde reactie hebben kunnen rekenen. Ja, natuurlijk hebben de klassieken ons iets te zeggen! Onze hele beschaving komt er vandaan en alle vragen die nu van belang zijn, zijn toen al aan de orde gesteld. Geen betere opvoeding dus voor de jonge mens dan de studie der humaniora. Vandaar dat allen die het zich financieel en intellectueel konden veroorloven, naar het gymnasium gingen om door de studie van Grieks en Latijn meer mens te worden.

Het gymnasium is nog steeds populair maar men kan zich afvragen of het bij de ouderlijke voorkeur voor dit schooltype niet meer om het elitaire karakter van die scholen gaat dan om de klassieke vorming. De waarde daarvan wordt thans immers nogal eens in twijfel getrokken. Is de wereld niet te zeer veranderd om hieraan nog iets te hebben? Sterker nog, was die hele cultus van de klassieken geen ideologische verpakking van een westers cultureel superioriteitsbesef? Tegenover de critici die zulke vragen stellen, staan degenen die betogen dat de vorming van het gymnasium nog altijd van betekenis is, al zullen zij er meestal op wat minder verheven toon over spreken dan vroeger. Hoe dit ook zij, het staat wel vast dat de klassieke cultuur in politiek en maatschapij niet meer de plaats inneemt van vroeger. In het politieke en sociale debat klinkt er niet veel van door. Onze elite lijkt er nauwelijks door te zijn benvloed. Vice-premier Kok heeft zich in Nijenrode ongetwijfeld aan andere bronnen gelaafd dan die der klassieken en van onderwijs-minister Ritzen is bekend dat zijn voorkeur uitgaat naar het Engels en niet naar het Latijn, zo zeer zelfs dat hij de naam van de beroemde Leidse geleerde Scaliger uitspreekt als Skellitsjer.

Scaliger kan trouwens gelden als het eerste voorbeeld van wat in deze kringen waarschijnlijk als "een academische transfer' wordt aangeduid. Om hem naar de jonge Leidse academie te lokken boden de Leidse curatoren bijzonder aantrekkelijk arbeidsvoorwaarden. Dat was in de zestiende eeuw. Wat dit betreft was er dus met de transfer van R. in 't Veld naar Rotterdam niets nieuws onder de zon. Datzelfde geldt trouwens ook voor de recente en kortstondige episode van zijn staatssecretariaat. De klassiek geschoolde waarnemer zal immers in het drama van de onweerstaanbare opkomst en val van de staatssecretaris zonder moeite een kernelement uit de Griekse tragedies hebben herkend: de hubris. Dat woord, zo leerden wij vroeger, kan het beste worden vertaald met "overmoed', al is ook die term niet helemaal adequaat. Diezelfde waarnemer zal voorts in de discussie over zijn gedwongen vertrek een ander belangrijk thema uit die tragedies hebben herkend, namelijk het inzicht dat het tragische niet voortkomt uit het feit dat de een gelijk en de ander ongelijk heeft, maar dat elk op zijn eigen wijze en in zijn eigen waardenstelstel gelijk heeft.

Zo zijn bij de klassieken heel wat wijze woorden en gedachten te vinden die op deze zaak van toepassing kunnen worden gebracht en ik zou dan ook graag erudiet opmerken, dat ik in deze dagen vaak heb moeten terugdenken aan Aeschylus' Prometheus of de Protagoras van Plato. Maar ik mag niet liegen en zal dus maar eerlijk bekennen dat dat niet zo is en dat iemand anders mij attent heeft gemaakt op een fragment uit een dialoog van Socrates dat wel bijzonder toepasselijk is. Het stuk is onder de titel Professorale verdiensten opgenomen in de bloemlezing Plato schrijver, vertaald en samengesteld door Gerard Koolschijn en verschenen bij Bert Bakker.

Het gaat hier om een gesprek tussen Socrates en Hippias, een beroemde professor uit die dagen, uit de vijfde eeuw vóór Christus dus. De desbetreffende passage begint met de constatering van Socrates dat Hippias de laatste tijd nog maar zelden te zien is in Athene. Dat komt, zegt Hippias, doordat hij het zo druk heeft met allerlei zaken. Socrates vervolgt dan: “Ja, zo gaat dat, Hippias, als je zo'n veelzijdige persoonlijkheid bent. U kunt niet alleen veel geld verdienen door jonge mensen onderwijs te geven (....). Ook in het openbare leven kunt u uw land goede diensten bewijzen, en dat is een onmisbare voorwaarde om de achting van het grote publiek te verwerven. Maar Hippias, hoe komt het eigenlijk dat die beroemde geleerden van vroeger, Pittacus, Bias, Thales van Milete en zijn leerlingen, en ook de grote figuren uit later tijd tot op Anaxagoras, zich blijkbaar allemaal, of in elk geval voor het grootste deel, verre hebben gehouden van de politiek?”

Hippias' antwoord is interessant: “Waarom anders, dacht u, Socrates, dan omdat hun capaciteiten te kort schoten en hun intellectuele mogelijkheden niet toereikend waren om beide terreinen te overzien, het maatschappelijk èn het persoonlijk leven.”

Socrates constateert vervolgens dat de wetenschap een snelle ontwikkeling heeft doorgemaakt, waardoor het nu mogelijk is "het eigenbelang te dienen naast het behartigen van staatszaken' en geeft als voorbeeld Gorgias en zijn vriend Prodicus. Deze laatste heeft "met zijn redevoering voor de Raad veel succes gehad en daarnaast als particulier ongelooflijk veel geld verdiend. (...) Die mensen van vroeger hebben nooit gemeend een financiële beloning te moeten eisen. (...) Ze waren zo naëf dat de grote waarde van geld hen ontging. Maar die twee mensen die ik noemde, hebben door hun wetenschap meer geld verdiend dan je in enig ander beroep kunt verdienen. En Protagoras was hen daarin al voorgegaan'.

Hippias, die van het baas-boven-baas-type is, laat dat echter niet op zich zitten en pakt nu pas goed uit: “Dan weet u nog niet wat er op dit gebied allemaal wordt gepresteerd, Socrates. Als u wist hoeveel geld ik zelf verdiend hebt, zou u versteld staan. Om één voorbeeld te noemen, ik kwam eens op Sicilië toen Protagoras daar veel succes had, en daar heb ik toen, hoewel ik toch veel jonger ben dan hij, in korte tijd ruim anderhalve ton verdiend, waarvan meer dan twintig mille in één klein stadje, Inycus. toen ik met dat geld thuis kwam en het aan mijn vader gaf, stond hij perplex, iedereen in mijn land trouwens. Ik heb zo'n idee dat ik zelf meer geld heb verdiend dan willekeurig welke andere twee wetenschappers samen.”

Socrates sluit het gesprek af met een conclusie die nog eens duidelijk maakt waarom hij wel als de uitvinder van de ironie wordt beschouwd: “Een mooi en overtuigend bewijs, Hippias, van het grote verschil tussen uw wetenschap in deze tijd en de wetenschap van vroeger. Uw voorgangers moeten wel erg dom zijn geweest, als je het zo bekijkt. Van Anaxagoras wordt bijvoorbeeld precies het tegenovergestelde verteld. Hij had een groot vermogen geërfd maar heeft dat zo verwaarloosd dat hij alles kwijt raakte, zo naëf was hij met al zijn geleerdheid. En dat soort dingen wordt ook van andere geleerden uit het verleden verteld. Zo hebt u naar mijn idee het verschil tussen de geleerdheid van tegenwoordig en die van vroeger mooi aangetoond. Veel mensen zijn het ook met u eens dat een verstandig man zijn kennis in de eerste plaats voor zichzelf gebruikt. Het criterium is blijkbaar: wie verdient het meeste geld.”