Onderzoek naar niet-conventionele ondergrondse techniek; "Tunnels hebben de toekomst'

LEIDEN, 8 JULI. Het offshore bedrijf Heerema verwacht over enkele maanden een plan voor het boren van tunnels te presenteren waarin de methode van de Delftse hoogleraar ir. R. van der Hoorn een grote rol speelt. Eerder dit jaar wees de PvdA erop dat de methode van Van der Hoorn “geloofwaardiger” zou zijn geweest als er een aannemer bij was betrokken.

Heerema gelooft dat het mogelijk is met niet-conventionele technieken een tunnel te boren die “zeker niet meer” kost dan bovengrondse aanleg van de Betuwelijn, de tussen Rotterdam en Zevenaar geplande spoorlijn voor goederenvervoer naar het Duitse achterland. Inmiddels hebben de verkeer- en vervoerspecialisten van de Tweede Kamer besloten in augustus niet met vakantie te gaan, maar die maand in samenwerking met het bureau Twijnstra & Gudde te besteden aan onderzoek naar diverse facetten van de Betuwelijn, waaronder ondergrondse aanleg. PvdA-woordvoerder Feenstra noemt het plan van Heerema “een stap in de goede richting”.

Volgens het Kamerlid Leers (CDA) valt over de uitkomst van het eigen onderzoek van de Tweede Kamer “nog niets met zekerheid te zeggen”. Zelf verwacht hij dat de lijn een combinatie van diverse technieken zal worden, waaronder de V-polder van Volker Stevin, tunnels en de aanleg op palen van Grootint. Bij de V-polder rijdt de trein door een vlak onder het maaiveld gegraven kuip die wordt drooggehouden door aan het draineren van een polder ontleende technieken. Leers wijst er op dat volledig ondergrondse aanleg van de Betuwelijn zou betekenen dat er een geheel nieuwe besluitvormingsprocedure in gang moet worden gezet, wat tot ongewenste vertraging zou kunnen leiden.

De provincies Zuid-Holland en Gelderland en de 31 bij de komst van de Betuwelijn betrokken gemeenten staan nog steeds op het standpunt dat ondergrondse aanleg de voorkeur verdient. Zij presenteerden in mei een uit eigen zak betaald onderzoek naar de haalbaarheid van de methode van Van der Hoorn, waaruit bleek dat ondergrondse aanleg van de Betuwelijn ongeveer 5 miljard gulden zou kosten. De kosten van bovengrondse aanleg zijn op 6,2 miljard geraamd. Volgens de Gelderse gedeputeerde De Bondt “is en blijft een tunnel voor ons veruit de beste oplossing”. De studie naar de V-polder van Volker Stevin die Gelderland in juni liet uitvoeren “hebben we laten doen toen we merkten dat in Den Haag weerstand tegen nieuwe technieken bestond”. Volgens De Bondt wil Gelderland met de V-polder “een aanvaardbare variant achter de hand hebben.”

R. Erdbrink, hoofd juridische dienst van Heerema, noemt de methode van Van der Hoorn “technologisch gezien heel interessant”. Net als de meeste andere grote aannemers in Nederland verdiept Heerema zich al een paar jaar in buitenlandse tunneltechnieken. Erdbrink meent echter dat “je op een gegeven moment ook je nek uit moet durven steken”.

Al in de zomer van 1992 ging Heerema naar de NS met een plan voor ondergrondse aanleg van de Betuwelijn dat was gebaseerd op conventionele technieken. De spoorwegen geloofden echter niet dat zo'n tunnel nauwelijks duurder uit zou vallen dan bovengrondse aanleg. De methode van Van der Hoorn kan de kosten volgens Heerema nog aanzienlijk omlaag brengen.

Volgens de Delftse hoogleraar leidt een boormachine die aan de voorkant graaft en tegelijk aan de achterkant een tunnel aanlegt tot een kostenbesparing van enkele miljarden. Bij boortechnieken zoals die al vele jaren worden toegepast in onder meer Duitsland en Japan stopt de boormachine om de 1,5 meter, waarna een tunnelsegment wordt ingebracht. Dit maakt het conventionele boren bijzonder arbeidsintensief. Heerema wil de voordelen van de methode van Van der Hoorn paren aan die van conventionele technieken.

Met zijn plan wordt Heerema de eerste aannemer in Nederland die zich ronduit achter het idee van een geboorde Betuwelijn schaart, die volgens Erdbrink mogelijk in combinatie met de V-polder van Volker Stevin zou kunnen worden uitgevoerd. Toch zijn ook aannemers als de HBG, Ballast Nedam, Volker Stevin en Heijmans er inmiddels van overtuigd dat boren de toekomst heeft. Twee maanden geleden braken Ballast Nedam en de HBG in een vertrouwelijke brief aan het ministerie van verkeer en waterstaat een lans voor het boren van tunnels. Voor delen van de Betuwelijn zou “een geboorde tunnel zeker een passende oplossing kunnen zijn”.

In april van dit jaar kregen de Provinciale Staten van Zeeland van twee consortia van aannemers een aanbieding voor het boren van een tunnel onder de Westerschelde. Het ene consortium was geheel Duits, het andere bestond uit Bredero, Heijmans, Voormolen, een Belgische aannemer en twee Duitse. De consortia hadden de keus tussen het afzinken van tunnelsegmenten, het bouwen van een brug en het boren van een tunnel, en oordeelden los van elkaar dat dat laatste zowel technisch als financieel aantrekkelijker zou zijn.

Toch zijn dezelfde aannemers terughoudend over een geheel ondergrondse aanleg van de Betuwelijn. Zij zijn voor het merendeel van hun opdrachten afhankelijk van Rijkswaterstaat en bij monde van minister Maij-Weggen heeft deze dienst zich tot nu toe voornamelijk laatdunkend over een tunnel van Rotterdam tot Zevenaar uitgelaten. Daarnaast zijn aan een zo groot project risico's verbonden die de aannemers niet kunnen overzien. Bij het ministerie spreekt men in dit verband van het "Oosterschelde-effect', naar de dam die enkele miljarden duurder uitviel dan oorspronkelijk voorzien.

Volgens Erdbrink is Heerema bereid risicofactoren als logistiek, management en de introductie van een nieuwe techniek voor zijn rekening te nemen. “Offshore bedrijven zijn gewend contracten voor werk onder onvoorspelbare omstandigheden te sluiten. Ook voor het boren van de Betuwelijn zou gelden dat onzekerheden erbij horen en dat we die accepteren.”