Nieuw IJzeren Gordijn tussen arm en rijk Europa; Westen laat het Oosten met onmenselijke onverschilligheid in moeras wegzinken

Een nieuw IJzeren Gordijn zakt over Europa, met aan de ene kant een relatief rijk maar niettemin tobberig Westen, en aan de andere kant een arm Oosten, dat wegzinkt in oorlogen, verpaupering, criminaliteit, chaos, etnische conflicten en steeds fellere ruzies. Met een mengeling van schaamte en machteloosheid ziet dat rijke Westen toe hoe in het Oosten landen zijn uiteengevallen en volkeren slaags zijn geraakt, en hoe in republieken waarvan we tot voor kort de namen niet kenden duizenden doden vallen in meedogenloos gevoerde oorlogen die in alles, behalve in het gebruikte wapentuig, doen denken aan middeleeuwse stammenvetes.

De val van het socialisme heeft in het Oosten een vacuüm geschapen, dat steeds sneller wordt opgevuld door de woordvoerders van een rabiaat en xenofoob nationalisme: soms eeuwenoude grieven worden opgediept en de eigen bevolking voorgeschoteld. En die bevolking luistert, ze is na de verdwijning van de overkoepelende ideologie met haar vaste regels en codes verward, stuurloos en bang. En boos: boos over de beloften die zijn gebroken, boos omdat de bevrijding van het socialisme uiteindelijk niets anders bleek in te houden dan verpaupering. De overgang van het plansysteem naar de vrije markt werd uiteindelijk de overgang van een relatieve economische veiligheid naar een woest kapitalisme, naar extreme bestaansonzekerheid. Alles is mega geworden: de werkloosheid, de inflatie, de tekorten, de verpaupering, de machteloosheid van de staat, de criminaliteit, het gevoel kwetsbaar en bedreigd te zijn. Volgens een recente peiling is in Hongarije 74 procent en in Polen 71 procent van de bevolking "teleurgesteld' tot "zeer teleurgesteld' over de ontwikkelingen in haar land. De Oosteuropeanen zijn depressief en verloren, apathisch. Teleurstelling en angst zoeken hun uitweg, de voedingsbodem voor - vooral - etnische en rassenconflicten.

En zo woeden in het Oosten, vier jaar nadat het socialisme vreedzaam ten val werd gebracht, vier volwassen oorlogen. In Kroatië heerst een gewapende vrede: de oorlog is hier ingevroren, na 50.000 doden, maar de oorlogsdreiging blijft, een dreiging “die als stroop om ons heen klontert en van alles één dikke brei maakt”, zoals Slavenka Drakulic het uitdrukte. Voor Moldavië geldt hetzelfde. Maar Bosnië wordt herschapen in een kerkhof: 150.000 doden, twee miljoen weerloze vluchtelingen. Iets verder weg, in Abchazië, zijn in een jaar duizenden doden gevallen in de strijd tussen de Georgiërs en de Abchaziërs. Het is een oorlog die elk moment kan escaleren als de Tsjetsjenen en Balkariërs en Kabardijnen zich ermee gaan bemoeien. In Azerbajdzjan zijn de Armeniërs bezig hun strijd om Nagorny Karabach naar Azerbajdzjaans grondgebied te verplaatsen; ook hier zijn duizenden mensen gedood en ook hier is internationalisering van het conflict niet denkbeeldig meer. En in Tadzjikistan woedt in het verborgene een wrede burgeroorlog, compleet met bloedbaden en etnische zuiveringen en de lijken die 's ochtends om de hoek worden gevonden.

Niet overal is oorlog. Maar wèl overal is de zee van misère, die overal leidt tot een groeiende instabiliteit. Er zijn eilandjes van economische successen in die zee: Polen doet het, na drie jaar waarin de broekriem steeds strakker werd aangehaald, wat beter, landen als Estland en Hongarije kunnen trots zijn op wat in korte tijd is bereikt. Maar dat succes is wankel en niet geconsolideerd: het kan verloren gaan, en het zàl verloren gaan als die instabiliteit niet tot staan wordt gebracht.

Elders is de economische situatie nog slechter - en zonder de kleinste successen. Tsjechoslowakije is uiteengevallen - of beter: Tsjechië heeft zich met een mengeling van opluchting en harteloosheid ontdaan van het armere Slowakije, dat zich economisch niet kan redden en zijn toevlucht zoekt in felle ruzies met Hongarije over de Hongaarse minderheid. De Roemenen krijgen het regelmatig te kwaad met hun minderheden. Het "beschaafde' Griekenland is een Balkanstaat van de ergste soort geworden: na eerder een economisch bijna-doodvonnis over Macedonië te hebben uitgesproken, doet het nu hetzelfde met Albanië door in één geweldige zwaai tienduizenden Albanezen de grens over te zetten, een deportatie die drie miljoen inwoners van Europa's armste land aan de rand van de afgrond brengt. Het straatarme Macedonië, met zijn grote Albanese minderheid, en het even straatarme Kosovo, met zijn grote Albanese meerderheid, zijn kruitvaten die wachten op een vonk. Bijna alle oude en nieuwe Oosteuropese landen hebben ruzie met hun buren. In de voormalige Sovjet-Unie zijn meer grensconflicten dan grenzen.

Er is geen land meer zonder radicale extremisten die wind zaaien en wachten op de oogst: zo is ook de desintegratie van Joegoslavië begonnen, door de meest schaamteloze van alle manipulators, Slobodan Milosevic. Ze zijn het vuile schuim van de chaos, mensen als de bankrover Zeljko Raznjatovic alias Arkan en Vojislav Seselj in Servië, of de antisemiet István Csurka in Hongarije, of Corneliu Vadim Tudor en Gheorghe Funar in Roemenië: handelaars in haat en soms ook in geweld die zich als "gerespecteerde' politici toegang hebben verschaft tot nationale parlementen. “Joden geven u bevelen, joden brachten u aan de top en houden u aan de top, en hun prijs is de runering van Roemenië”, schreef Tudor kwaad aan zijn president, toen die het Holocaust-museum in de VS bezocht. “Jood! Jood!”, brulden tweeduizend met hakenkruisvlaggen uitgeruste Hongaarse nazi's hùn president toe toen die de Hongaarse opstand herdacht.

De dictators keren terug: in elf van de vijftien ex-Sovjet-republieken regeren inmiddels weer communisten of ex-communisten. En sommigen zijn bekeerd tot een relatieve vorm van democratisch fatsoen, maar anderen zijn dat niet, Islam Karimov van Oezbekistan is het niet, Geidar Alijev van Azerbajdzjan evenmin, de man die nog zoveel jaren naast Leonid Brezjnev in diens politburo heeft gezeten en die nog zoveel jaren méér als KGB-generaal zijn eigen Azerbajdzjan met harde hand op orde heeft gehouden - een communistische orde. Azerbajdzjan is binnen drie weken na zijn aantreden weer een politiestaat.

Overal in het Oosten zijn de krachten van de verzoening, de consensus en de matiging in de verdrukking geraakt. De media zijn vaak spreekbuizen van de frustratie van de bevolking, pamfletten vol kwaadheid over de echte of vermeende wandaden van echte of vermeende tegenstanders. Pseudo-parlementen, hoe democratisch gekozen ook, zitten vol pseudo-politici die zich minder om landsbelangen dan om hun eigen hachje bekommeren en die niet de problemen maar elkaar bestrijden - met veel verbaal geweld, maar ook met boycots, met hongerstakingen, met dreigementen, met het onophoudelijk graven in elkaars verleden naar de doodzonden die de ander wellicht ten tijde van dat heilloze communisme heeft begaan. Een halve eeuw lang spraken de Oosteuropeanen te weinig omdat ze teveel wisten, nu spreken ze teveel hoewel ze te weinig weten. “De poëzie is afgelopen, het proza is begonnen”, schreef Václav Havel. En wat voor proza. Wie in die sfeer verzoening bepleit, graaft zijn eigen graf - zie het gedaalde prestige van diezelfde Havel in Tsjechië, Walesa in Polen, Zjelev in Bulgarije. “Er heeft zich een nieuwe sociale laag kunnen ontwikkelen. Een nieuwe groep van vleesvreters en bezitters, cynici zijn het, zwarte obscurantisten die zich zelfs niet schamen om weer antisemitische praatjes te verkopen. Waar komen deze nietsnutten en laarzenlikkers vandaan? In alle vrijheid bestijgen ze het spreekgestoelte om ons even te vertellen wat het volk denkt en hoe het volk denkt. Hun wapens zijn verraad, laster of morele of fysieke liquidatie. Ze drukken zich op dezelfde walgelijke manier uit. Ze hanteren een dode taal.” Dat schreef Konstantin Paustovski, in zijn Rede tegen de Drosdovs, en hij schreef het in 1956, maar hij zou het even goed in 1993 hebben kunnen schrijven.

En het Westen ziet het aan. Het haalt de schouders op, het peutert hier en daar wat fooien los en het verbaast zich als, zoals in ex-Joegoslavië, de zaken al te drastisch uit de hand lopen - nog steeds niet beseffend dat ze nog veel drastischer uit de hand lopen als het niet ophoudt met navelstaren. Zuinigheid, en soms gierigheid, voeren de boventoon. De Oost-Europabank is er voor de Oosteuropeanen, maar ze besteedt het geld liever aan marmer voor het eigen Londense hoofdkwartier. Het is maar een voorbeeld. Elders blijken Westerse recepten voor de vrije markt in het Oosten slecht of niet te werken, sijpelen hulpgelden weg naar corrupte ambtenaren of worden ze besteed aan mooie gebouwen dan wel gewoon verkeerd aangewend.

Het Westen keert zich af, op zijn beurt teleurgesteld. Het stuurt waarnemers naar de oorlogen, mannen in witte pakken die in Kaukasische bergen met gevaar voor eigen leven bekijken hoe mensen worden afgeslacht. Voor de rest laat het Westen de Oosteuropeanen alleen met hun werkloosheidslegers en hun inflatiepercentages van tien of dertig procent per maand of meer.

Niet alleen die oorlogen laten ons onverschillig. Heel Oost-Europa laat ons onverschillig. Hulp wordt vooral verstrekt als we eraan kunnen verdienen. De VS zijn de topdonor van het Oosten, maar meer dan 0,03 procent van hun BNP hebben de Amerikanen niet aan dat Oosten willen besteden. We eisen visa waarvoor Oosteuropeanen een maandloon moeten neertellen. We sluiten onze grenzen voor vluchtelingen. We sluiten onze grenzen ook voor produkten waarmee het Oosten zichzelf kan redden, we hebben de Oosteuropeanen decennia lang voorgehouden dat de vrije handel een hoeksteen van de markteconomie is, nu die Oosteuropeanen vrij willen handelen weren we hun export met protectionistisch quotaregelingen.

Een nieuw begrip doet zijn intrede: donor fatigue. Voedselgevers die hun overschotten tot voor kort nog wilden inpakken en versturen laten het er nu bij zitten, ze zijn moe. Kroatië heeft 750.000 vluchtelingen binnen zijn grenzen - en een economie die in de verste verte niet in staat is die extra monden te vullen. Servië heeft 540.000 vluchtelingen. Bosnië telt er meer dan een miljoen, Hongarije, Slovenië en Macedonië tienduizenden. Geen van die landen krijgt voldoende hulp om die van alles beroofde mensen te kunnen onderhouden. Nu komt daar Bosnië bij: de pakhuizen van hulporganisaties raken leeg. Donor fatigue. Geen zin meer.

Het Westen kan, als het om het drama in ex-Joegoslavië gaat, veel worden verweten. Het heeft dat drama genegeerd toen het er aan kwam en het is niet in staat geweest het te beëindigen toen het losbarstte. Dat Westen kan daartegen aanvoeren dat het uiteindelijk wel de Joegoslaven zèlf zijn die elkaar de hersens inslaan. Maar voor die donor fatigue zal dat Westen zich nooit kunnen verontschuldigen. Donor fatigue is de meest extreme en de meest onmenselijke vorm van de onverschilligheid waarmee het Westen het Oosten in het moeras laat wegzinken.