Koerdisch dorp permanent onder Turks artillerievuur

ÇAGLAYAN, 8 JULI. Als het geluid van dichtbij inslaand artillerievuur weer is verstomd, vormt de onregelmatige ademhaling van een slapend jongetje bijna een geruststelling. Hij ligt ingeklemd tussen de ruim 100 bewoners van Çaglayan, een Koerdisch dorp aan de voet van het Cudi-gebergte in het uiterste zuidoosten van Turkije, die al maandenlang de nacht in een vijftig meter lange bergtunnel doorbrengen. Sinds Turkse veiligheidstroepen vorig jaar het in het weelderig groen verscholen dorp, dat bekend staat als een bolwerk van de Koerdische Arbeiders Partij (PKK), overvielen en dertig huizen in brand staken, is het er niet meer rustig geweest. “Vrijwel elke avond”, zegt de door de PKK aangestelde imam (voorganger van de moskee) Mehmet Sefa, “worden we gedurende het avondeten opgeschrikt door beschietingen vanaf een tientallen kilometers verderop gelegen post van het Turkse leger.”

Ook deze avond is het raak. Na de kip, die speciaal voor de buitenlandse bezoekers is geslacht, weerklinkt zwak artillerievuur. “Er is nog tijd voor een glas thee voordat we de tunnel in moeten”, gebiedt de imam. Maar als de beschietingen zich herhalen, en nu veel dichterbij, laat ik me geen tweede glas opdringen. In het donker vluchten we naar de bergtunnel, waar de meeste vrouwen en kinderen zich al hebben verzameld. Langs de vochtige wanden heeft elke familie matrassen en dekens uitgestald, die overdag met lappen worden afgedekt tegen het stof en het zand.

“Vaak herhalen de beschietingen zich precies om middernacht”, vertelt Ayse. “Soms houdt het aan tot twee uur.” Ze is een van de weinige vrouwen die behalve Koerdisch ook Turks spreekt hoewel zij alleen maar de lagere school heeft bezocht. Haar man heeft zich vijf maanden geleden bij de PKK aangesloten en verblijft sindsdien als guerrillastrijder in de bergen. Hij is niet de enige. Hoewel de dorpsbewoners spaarzaam zijn met details wordt duidelijk dat ook enkele andere jonge dorpsgenoten de wapens hebben opgepakt tegen de Turkse staat. Sommigen daarvan bivakkeren kennelijk in het dorp zelf of zijn, gealarmeerd door het onaangekondigde bezoek van buitenlandse journalisten, vanuit de bergen naar beneden gekomen, want gedurende de nacht blijkt dat aan het voeteneind van onze slaapplaats in de winderige tunnel mannen met geweren hebben postgevat.

De onrust in Çaglayan is nog verder toegenomen, sinds het dorp vorig week ook overdag werd beschoten. “Eerst zagen we verkenningsvliegtuigen”, legt Ali Nar in het Koerdisch uit , “en vlak daarna hoorden we het geluid van uiteenspattende bommen.” Om zijn uitspraak te staven worden her en der stukken zink-kleurige metaal aangedragen. De dorpsbewoners twijfelen er niet aan dat de beschietingen tot doel hebben om ook de laatste 20 families uit deze - voor de PKK - strategische nederzetting te verdrijven.

Pag 4: Grimmige sfeer hangt in Zuidoost-Turkije

Sinds de elektriciteitsverbinding vorig jaar werd verbroken en de nachtelijke beschietingen begonnen, hebben al vijftig families de wijk genomen naar nabijgelegen stadjes als Cizre en Silopi, die door een gebrek aan infrastructuur vrijwel bezwijken onder de last van het dagelijks aanzwellende inwonertal. De achtergebleven bewoners van Çaglayan hebben enerzijds het geld niet om te vertrekken en zich in de stad in leven te houden en verzetten zich anderzijds tegen de repressie van de Turkse staat.

“We voelen ons onveilig, maar we weigeren om ons uit onze huizen te laten verdrijven”, zegt Mehmet Sefa op militante toon. Hij is tot de slotsom gekomen dat de Koerdische bevolking in Zuidoost-Turkije niets anders rest dan via de gewapende strijd hun eisen, die zweven tussen een onafhankelijk Turks-Koerdistan en een federaal Turks-Koerdistan, kracht bij te zetten zolang elk uitzicht op een politieke oplossing van het Koerden-vraagstuk in Turkije ontbreekt.

De sfeer in heel Zuidoost-Turkije is beduidend grimmiger sinds PKK-leider Abdullah Öçalan op 24 mei het twee maanden oude staakt-het-vuren introk en de "totale oorlog' tegen de Turkse staat afkondigde. Het lijkt erop dat het Turkse leger - met de instemming van de regering in Ankara - net zo meedogenloos tot de tegenaanval is overgegaan.

Volgens Abdullah Koç van de Turkse mensenrechtenvereniging in Diyarbakir wordt er momenteel in heel Zuidoost-Turkije gevochten tussen de PKK en de Turkse veiligheidstroepen, waarbij dagelijks zeker tussen de 10 en 20 doden vallen. “Bovendien zijn in de afgelopen week ten minste negen dorpen op hardhandige wijze door het leger ontruimd. Huizen werden in brand gestoken of gebombardeerd om de bevolking te verhinderen terug te keren.” Het zou hierbij vooral gaan om dorpen die net als Çaglayan als PKK-bolwerk worden bestempeld en waarvan de bewoners weigeren om dorpswachters aan te stellen.

Verificatie van deze gegevens is vrijwel onmogelijk omdat de toegangswegen tot de verlaten nederzettingen worden geblokkeerd door militaire posten. Ook de dienstdoende soldaten vlakbij het dorpje Selçuk, op enkele tientallen kilometers afstand van Cizre, weigeren journalisten door te laten zonder de schriftelijke toestemming van de speciale gouverneur in de tien provincies in Zuidoost-Turkije, waar sinds 1987 de uitzonderingstoestand van kracht is.

Een bewoner uit het nabijgelegen Güormlü bevestigt dat alle 45 huizen in Selçuk onlangs in as zijn gelegd, terwijl in zijn eigen dorp bij dezelfde militaire operatie - ter vergelding van een PKK-aanval op een nabijgelegen militaire post - vijf huizen werden verwoest. Voormalige bewoners van Selçuk, die zich in Silopi hebben gevestigd, willen uit angst voor represailles van de plaatselijke veiligheidsmensen niet in gezelschap van journalisten worden gezien.

PKK-vertegenwoordigers in Europa zeggen dat de Turkse staat napalm gebruikt bij de bestrijding van de Koerdische terreur. Abdullah Koç wil dit bevestigen noch ontkennen. Wel zegt hij vorig jaar in Bismil, ten oosten van Diyarbakir, lijken te hebben gezien zonder schotwonden, maar met brandplekken. “Als mensenrechten-vereniging zijn we niet in staat om ook maar enig onderzoek te doen. Dat is de belangrijkste reden waarom we er voortdurend bij de Verenigde Naties op aandringen om te erkennen dat in Zuidoost-Turkije een oorlog woedt en dat het tijd wordt om internationale waarnemers naar deze regio te sturen.”

De publieke opinie in Turkije, gevoed door de populaire pers en de staatstelevisie, maakt zich vooral druk om het feit dat de PKK de oude tactiek van bloedige overvallen op dorpen weer heeft opgepakt. Ze worden in kleurrijke foto's op de voorpagina's weergegeven om aan te tonen hoe onmenselijk de PKK te werk gaat, zelfs tegen de eigen Koerdische bevolking.

Het voornaamste doelwit van de PKK bij deze gewapende aanvallen zijn de ongeveer 39.000 dorpswachters, die niet alleen op de loonlijst staan van, maar tevens worden bewapend door de Turkse staat. De PKK, maar ook een belangrijk deel van de Koerdische bevoking, beschouwt hen als verraders, als de mannen die het vuile werk voor de Turkse staat opknappen in Zuidoost-Turkije.

Mehmet Nuri Önen uit Semika, een dorp in de provincie Mardin aan de Syrische grens, zegt dat zijn vader, moeder en 23-jarige broer in de nacht van de 17de maart door dorpswachters uit het naburige Balpinar werden vermoord. “Ze overvielen, verkleed in militaire uniformen en met maskers voor hun gelaat, ons huis. Nadat mijn vader een van hen zijn masker had afgerukt en had uitgeroepen dat hij wist wie ze waren, werd hij gedood. Binnen werden mijn moeder en mijn broer neergeschoten. Later bleek dat ze het juist op hèm hadden gemunt. Hij had recentelijk een minibusje aangeschaft en de dorpswachters beweerden dat hij daarmee de PKK van dienst was.”

Dat bij de PKK-aanvallen op dorpen ook de vrouwen en kinderen van de dorpswachters worden gedood, wijt menige PKK-sympathisant aan het optreden van de slachtoffers. “Wie zich in zijn huis verschanst, weet dat ook zijn familieleden kunnen worden getroffen”, luidt de laconieke redenering.

De dorpswachters van Hamzabey, in de provincie Mardin, reageren vijandig als we ons twee dagen na de PKK-overval op het huis van dorpswachter Fahri Gökoglu, waarbij ook zijn vrouw en kinderen omkwamen, in het dorp melden. “Ga terug naar waar jullie vandaankomen!” Argumenten dat we de situatie in Zuidoost-Turkije van zoveel mogelijk kanten willen belichten, wekt alleen nog maar meer woede op. Een van de dorpswachters dreigt zelfs hardhandig te zullen optreden als we niet onmiddellijk vertrekken. De mannen weigeren de wond die de nederlaag tegen de PKK heeft achtergelaten aan de buitenwereld te tonen.

Hasan Çen, die een winkel drijft in consumenten-elektronica in Diyarbakir, meent dat de populariteit van de PKK is gestegen in de afgelopen weken. “Negenennegentig procent van de winkeliers in deze grootste stad in Zuidoost-Turkije liet de rolluiken neer toen de PKK het staakt-het-vuren afblies en de middenstand vroeg om hun instemming daarmee te betuigen.” Volgens hem zijn de Koerden verbitterd omdat de Turkse regering het staakt-het-vuren van de PKK niet heeft aangegrepen om een opening te creëren voor politieke hervormingen. “Onze toekomst hangt dan ook af van de PKK, want het is wel duidelijk dat we zonder de illegale strijd nooit als volk zullen worden erkend.”

Ook de gematigde burgemeester van Cizre, Hasim Hasimi, gelooft dat de nieuwe regering van Tansu Çiller, ondanks haar Westerse imago, er niet in zal slagen het escalerende geweld in Zuidoost-Turkije tot staan te brengen. “Want de macht in deze regio is volledig in handen van het leger. En dat is een situatie die door het bewind in Ankara opzettelijk zo is gecreëerd.”