Heilig jaar in Santiago de Compostela; Ontberingen voor een schelp en een aflaat

Je herkent hem zo: de echte bedevaartganger is gebruind, loopt kaarsrecht, en heeft een stoere en ontspannen blik. Tienduizend lopen jaarlijks de hele Camino naar Santiago de Compostela; in een Heilig Jaar zijn dat er twee keer zo veel. Omdat 25 juli, de dag van Sint Jakob, in 1993 op een zondag valt, is de Heilige Deur van de kathedraal geopend. Al wie daar door naar binnen gaat, verdient een volle aflaat van zijn zonden.

Wanneer de wat knorrige pater Jaime Garcá Rodriguez 's ochtends zijn kantoortje aan de achterzijde van de kathedraal opent, staan er al mensen te wachten. Het zijn pelgrims die hun Compostelana zullen ontvangen, het bewijs dat zij minimaal honderd kilometer te voet of op de fiets als pelgrim afgelegd hebben. In de loop van de morgen vormt zich een lange rij wachtenden, die de tijd doden met het vergelijken van de stempels van aangedane pleisterplaatsen en het uitwisselen van ervaringen.

Het overdadigst uitgedost met schelpen en pelgrimsstaf zijn Amerikanen of Spanjaarden die de Camino, de eeuwenoude route naar de heilige stad, begonnen in Leon, in Ponferrada, of zelfs aan de grens van Galicië bij Cebreiros. Zij zien er zonder uitzondering moe en afgetobd uit. Het lichaam went in een week duidelijk niet aan de zware inspanningen van dagmarsen die heuvel op, heuvel af gaan en ook in de zomermaanden nog onaangename verrassingen als regen, mist en kou bieden. Heel anders vergaat het de echte pelgrims, zij die ten minste van Roncesvalles, aan de Spaanse grens, of vanuit Engeland, Duitsland, Frankrijk en Nederland zijn aangekomen. Jaarlijks zijn het er zo'n tienduizend die te voet of op de fiets de hele Camino afleggen. In een heilig jaar verdubbelt hun aantal. In de rij pik je ze er zo uit. Ze hebben diepbruine gezichten, lopen kaarsrecht en hebben een stoere en ontspannen blik in de ogen. Wie niet gelooft dat een pelgrimstocht loutert, hoeft hier maar even rond te kijken om tot een ander inzicht te komen.

Veel inwoners van Santiago bekommeren zich nauwelijks om de toestromende pelgrimgangers. “Voor hen is het natuurlijk iets heel bijzonders dat ze hier aankomen, maar wij zien er zoveel. Mij zegt die pelgrimage nauwelijks iets, wij houden meer van onze eigen stadsfeesten,” zegt een oudere dame die op het plein waar de pelgrims zich verzamelen van de zon geniet. Maar voor de middenstanders van de oude stad betekent de pelgrimage een belangrijke bron van inkomsten. De 83-jarige eigenares van drankhandel El Beiro merkt het aan haar kruidenorujo. “Nog voor de pelgrims de kathedraal bezocht hebben, komen ze soms al een glas proeven.” Toch is het twintigste-eeuwse Santiago niet meer volledig afhankelijk van pelgrimages en toerisme. Sinds de overgang naar de democratie zijn de deelregering van Galicië - de Xunta - en het parlement in de stad gehuisvest, en draait de universiteit weer op volle toeren. De studenten die negen maanden per jaar de stad domineren, verlangen hetzelfde aanbod als de pelgrims die doorgaans reizen met een beperkt budget: betaalbare, ouderwetse restaurants en cafés met terrasjes om de zeldzame warme nachten op door te brengen.

Maar de regionale overheid wil meer. Ze heeft het heilig jaar van 1993 aangegrepen om onder de noemer Año Xacobeo een grootscheeps toeristisch offensief te openen, dat Santiago onder de aandacht van Spanjaarden en buitenlanders moet brengen. Vijfhonderd miljoen gulden heeft de arme provincie genvesteerd in stadsverbetering, reclame en culturele manifestaties in de hoop dit jaar zeven miljoen bezoekers te trekken. Al zijn er inmiddels 2,5 miljoen geweest, tot verdriet van de plaatselijke horeca blijft de economische opleving vooralsnog uit. Er komen alleen maar méér van dezelfde soort zuinige vakantiegangers. “De gemeente heeft ons gevraagd de prijzen dit jaar niet extra te verhogen,” klaagt een souvenirverkoopster, “en toch schijnt iedereen uitgerekend hier te denken dat hij wordt afgezet.” De kathedraal van Santiago ligt aan vier pleinen, waarvan de plaza de Obradoiro de grootste is. Van hier leiden trappen naar de barokke hoofdingang. Het oorspronkelijke gebouw, dat dateert uit de negende eeuw, is sindsdien onophoudelijk uitgebouwd, vernieuwd en verbeterd. In de zeventiende eeuw werd het gebouw van een rijk versierde facade voorzien, die pal voor de twaalfde-eeuwse gevel kwam te staan. Ongetwijfeld werd de oude gevel niet afgebroken vanwege het beroemde beeld van Sint Jakob. Hij troont bovenop een pilaar die de boom van Jesse symboliseert.

Iedere pelgrim die de kathedraal bezoekt, volgt een vast ritueel. Allereerst legt hij zijn hand op de zuil met het beeld van de heilige en bidt. De lichte aanraking van miljoenen handen heeft zich in de loop van zeven eeuwen als een klauw met diepe vingerafdrukken in het harde marmer ingesleten. Vervolgens gaat de bedevaartganger naar het beeld van de apostel in het hoofdaltaar, dat via een klein trapje te bereiken is. Over diens schouder kijkt hij de donkere ruimte van de kathedraal in. Vroeger zou de pelgrim niet geschroomd hebben de apostel zijn eigen mantel om de schouders te hangen of zijn hoed op te zetten, nu raakt hij hem even aan of omhelst hem. Geen pelgrim slaat ten slotte de crypte met het graf over. Pas dan zoekt hij een hotel en wordt er gerust en gegeten, en in de rij gestaan voor de Compostelana.

Tijdens de pelgrimsmis, iedere dag om twaalf uur, worden de namen van de nieuw aangekomenen genoemd. Maar omdat er behalve echte pelgrims ook busladingen toeristen worden aangevoerd, volstaat men bij topdrukte met het noemen van de landstreken. In een heilig jaar is het dagelijks hoogtepunt de opvoering met de Botafumeira, een groot zilveren wierookvat dat door het transept wordt geslingerd en oorspronkelijk bedoeld was om de geur van zoveel ongewassen bedevaartgangers uit de heilige ruimte te verdrijven.

Wel acht mannen hangen aan het koord waarmee het vat wordt opgetakeld. Als een schommel zwaait het hoger en hoger tot het bijna de zoldering raakt. Telkens als de Botafumeira naar beneden komt, lijken de mannen het koord even te laten vieen, en scheert het akelig laag langs de hoofden van de gelovigen. Twee keer in de geschiedenis is het vat losgeschoten van het koord en tussen de kerkgangers beland, in 1499 en 1622. Al is het risico statistisch gezien dus niet zo groot, het spektakel ontlokt kreten van angst en bewondering bij de duizenden toeschouwers. Na afloop weerklinkt een luid en opgelucht applaus.

Buiten wordt massaal overgegaan tot de aankoop van souvenirs. Volgens een souvenirverkoopster op de plaza de Obradoiro worden speldjes met pelerin (het symbool van het Año Xacobeo), rozenkransen, porseleinen schelpen en nepzilveren wierookvaatjes het meest verkocht. Haar handel verschilt niet wezenlijk van wat men in vroeger eeuwen de souvenirzoekende reiziger aansmeerde. Ook toen waren Jakobsschelpen - die de reiziger identificeerden als pelgrim van de apostel -, rozenkransen en medaillons de belangrijkste aandenkens. Samen met het bieden van voedsel en onderdak was die handel de belangrijkste bron van inkomsten van de stadsbewoners.

Santiago werd niet gesticht vanuit economische of strategische overwegingen. De stad met 94.000 inwoners ligt dertig kilometer van zee, zonder haven of zelfs maar een rivier van belang, in een uithoek van Spanje, waar het bijna altijd nat en koud is. De legende wil dat bisschop Theodemir in de negende eeuw door een baan van sterren naar een veld werd geleid, waar hij drie vroeg-christelijke graven vond. Eén ervan bevatte het lichaam van de apostel Jacobus, geloofde hij. Dit graf werd het centrum van een verering die in de daaropvolgende eeuwen massale vormen zou aannemen.

De belangrijkste groei maakte de stad in de twaalfde eeuw door, toen de kathedraal werd vergroot, de stadsmuren werden aangelegd en er ziekenhuizen, gasthuizen en belangrijke kerken als de Santa Suzanna en de Santa Maria del Sar werden gebouwd. Dit was te danken aan aartsbisschop Gelmrez, wiens imposante paleis pal naast de kathedraal staat en in de zomermaanden te bezichtigen is. Toch constateert een anonieme Florentijnse pelgrim nog in 1477 dat hij Santiago maar klein en smerig vindt, met weinig ambachtslieden. De bevolking bestaat dan hoofdzakelijk uit religieuzen, renteniers en wat kleine middenstanders. Als tegen het eind van de zeventiende eeuw de pelgrimstochten uit de mode raken, verliest de stad haar rol en keert zich in zichzelf. Zelfs de eens zo beroemde humanistische universiteit wordt conservatief religieus en trekt nauwelijks nog studenten. Dat is een groot geluk voor de bezoeker van nu. In Santiago waan je je nog steeds in de middeleeuwen. Het oude centrum heeft het formaat van de dertiende-eeuwse stad behouden. Geen schreeuwerige uithangborden of neonreclames ontsieren de gevels. Auto's zijn vrijwel verboden en dus worden boodschappen in karretjes of nog gewoon op het hoofd versleept. Wie het moderner wil, zoekt zijn heil in de sinds veertig jaar uit de grond gestampte nieuwe woon- en winkelbuurten. Die zijn even smakeloos als iedere moderne Spaanse stad, maar raken het oude centrum gelukkig nauwelijks. Zo zie je nog steeds vlak bij het plein van de kathedraal de moestuinen van de Calle de las Huertas liggen, die nooit aan stedelijke expansiedrang zijn opgeofferd, met daarachter de velden en akkers van het omringende platteland.

's Ochtends vroeg lopen boerinnen, in zwarte kleren en met de hoofddoek strak omgeknoopt, met hun manden groene pepers, grelos (raapstengels), zelfgebakken brood of thuisgemaakte kazen naar de markt op de plaza de Abastos. Wie hier de dag begint, vergeet de heksenketel rond de kathedraal en kan een heerlijke picknick vergaren, van blanke kazen die op meisjesborsten lijken (tetillas), masbrood of empanada (met een mengsel van ui, tomaat en vlees of vis gevulde broden), worst, wijn en fruit. De beroemde Jacobsschelpen liggen niet bij ieder viskraampje, maar wel de woest paarse inktvissen die in iedere bar in reepjes gesneden, en bestrooid met olijfolie en paprikapoeder worden geserveerd.

Eten is belangrijk voor de pelgrim. Na weken van ontbering kan hij zich weer eens laten gaan. Guillaume Manier, een Picardische kleermaker, verhaalt in zijn reisverslag hoe hij in 1726 direct na aankomst de kathedraal bezoekt en vervolgens in ijltempo een ronde maakt langs de gasthuizen. Om elf uur wordt er brood, soep en vlees uitgedeeld bij de franciscanen, om twaalf uur soep, kabeljauw, vlees en uitstekend brood bij de benedictijnen, om een uur vlees en brood bij de teresianen, om twee uur brood bij de jezuëten. En dan moet hij zich nog haasten om op tijd bij de dominicanen buiten de stad te komen, waar om vier uur gesoupeerd kan worden. Pas de tweede dag komt hij toe aan zijn religieuze verplichtingen, hoewel hij net als de moderne pelgrims slechts recht had op drie dagen onderdak in een klooster of refugio.

Tegenwoordig is de keuze uit gratis maaltijden beperkt. Alleen het Hospital de los Reyes Catolicos, het imposante gasthuis dat de Katholieke Koningen aan het begin van de zestiende eeuw bouwden voor de opvang van pelgrims, en dat nu in een luxe hotel is veranderd, verstrekt ze aan de eerste tien pelgrims die zich per dag met een kopietje van hun Compostelana aanmelden. Naast de keuken krijg je hetzelfde eten als de obers en koks. Maar gelukkig is er een uitgebreid aanbod aan goedkope, eenvoudige bars en restaurants, waar bij de Ribeiro, de lichte, witte wijn van de streek, pimientos de padrón, inktvis, sardines, mosselen, galicische stoofpot of vis gegeten kunnen worden.

Op een van die zomeravonden is op een plein bij de kathedraal een grote vuurstapel opgericht. Vlammen likken langs de boomstammen, vonken schieten hoog door de nacht. De jeugd van Santiago staat ademloos toe te kijken. Een groepje jongens springt er met een flinke aanloop overheen. Het is de nacht van San Juan, de kortste nacht van het jaar, en dat wordt in Spanje, en ook in Santiago de Compostela als vanouds gevierd met grote vuren. De paar toeristen en pelgrims die in het ritueel verzeild zijn geraakt, weten er hun aandacht niet bij te houden. “Kom, ik weet een leuk terras,” klinkt het al gauw. Je hebt oude gebruiken en oude gebruiken. Voor de jongens is Sint Jan belangrijker dan Sint Jacob, want die is er het hele jaar.

INFORMATIE

Slapen

De klassehotels, zoals de vijfsterren parador Los Reyes Catolicos (plaza Obradoira, inl 09-3481582200), zijn deze zomermaanden vrijwel helemaal volgeboekt. Het eenvoudige Suso (Villar 65, inl 09-348158 6611), dat de echte pelgrims elkaar aan elkaar doorbrieven, vult zich ook iedere dag. Veel kleinere hotels, zoals het eenvoudige, maar prachtig gelegen La Estela (calle Raxoy, inl 09-3481582796), zijn meestal alleen in de weekends volgeboekt.

Eten

De Santiaagse kwaliteitsrestaurants Vilas (Rosalia de Castro 88) en Anexo Vilas (Villagarcia 21) zijn wat ongelukkig gesitueerd in het nieuwe stadsdeel. De eerste zaak oogt desondanks nog aardig ouderwets. Beide hebben traditionele Galicische gerechten als Empanada a la Vieira op de kaart staan, en een grote keus aan vis (¢4 6000 ptas). Las Huertas is een vriendelijk restaurant in de gelijknamige straat (nr 16), met een Baskisch-Franse kaart (¢45500 ptas). Andere eetgelegenheden, zoals Casa Manolo (Rua Traviesa), bieden niet alleen menu's voor 600 ptas, maar hebben ook porties (raciones), waarvan je bestelt tot de honger verdreven is. In de calle Riaño en de calle Franco is de grootste concentratie bars en restaurants te vinden. Vertrouw op eigen inzicht (waar is het druk en zien de uitgestalde etenswaren er appetijtelijk uit), en in tweede instantie op dit lijstje: El 42, La Carrileña, Sixt en Xulio in de calle Franco, en El Gato Negro in Riaño. El Asesino (Universidad 16, ¢42500 ptas) drijft vooral op studenten en is daarom in de zomermaanden 's avonds gesloten. In een gezellige zaal wordt la cocina casera, de huiselijke pot, geserveerd.

Uitgaan

Na het eten (van 20u30-23u) verplaatst de jeugd zich naar de bars achter de kathedraal, zoals Metete, (Callejon de Antealtares), Fucolois (Antealtares 12), Modus Vivendi (plazuela de Feixoo 1) en Casa das Crechas (Vá Sacra 3) waar alleen Galicische muziek gedraaid wordt. Wie tot diep in de nacht wil uitgaan, moet naar het nieuwe stadsdeel, naar de discotheken en bars rond de plaza Roja (van 3u tot de volgende morgen). Echte doorzetters kunnen daarna ontbijten met churros en koffie of chocola in Galicia (San Pedro Mezonzo 13) of in Meson Hispano (plaza de Abastos) naast de markt. De hele dag goed voor koffie of een glaasje zijn de ouderwetse cafetaria's Derby (Huérfanas 29) en Azul (Porta Faxeira).

Heilig Jaar

Deze zomermaanden biedt de Xunta een uitgebreid cultureel programma, waarbij het zwaartepunt ligt rond 25 juli, met oa: Klassiek Ballet van Moskou (9 juli); Nacht van de Flamenco (13 juli); Muziek van de kathedraal uit de 17de eeuw (21 juli); Apostel-vuurwerk (24 juli); Montserrat Caballé (26 juli); ballet van Victor Ullate (29 juli). Kaarten aan de kassa van Casa de Vaamonde, Rua Villar 59. Dag 12-14u en 17-21u.

Informatie

Er zijn twee toerismeburo's, de Oficina de Turismo in Calle Villar, en de Oficina Municipal in Cantar del Torral. Inl 09-348157 3990. Ma t/m za 10-14u en 17-20u, zo 12-14u en 17-19u. Zij zijn ook behulpzaam bij het vinden van hotelruimte. Het Año Xacobeo heeft een inlichtingennummer (0902-199300), en aankomende pelgrims vinden een vast aanspreekpunt op de plaza Obraidora, bij "Zapatones', een als pelgrim verklede vertegenwoordiger van de "Vrienden van de Camino'.