Grondwet is er ook voor Marokkanen

Onlangs deelde minister Dales de Tweede Kamer mede dat zij de BVD opdracht heeft gegeven na te gaan of en in hoeverre de in ons land wonende Marokkanen door de Marokkaanse autoriteiten worden belemmerd in het gebruik van hun rechten en vrijheden in Nederland. Terecht heeft dit onderzoek niet alleen betrekking op de onbelemmerde uitoefening van het kiesrecht, maar ook op de waarborging van alle grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en vergadering en de vrijheid van godsdienst.

Op grond van persoonlijke gesprekken met in ons land verblijvende Marokkanen en de mij meegedeelde feiten, meen ik dat in een aantal gevallen de vrije uitoefening van die grondrechten door Marokkaanse autoriteiten en/of met hen gelieerde organisaties wordt beperkt en aangetast door intimidatie hier of door expliciete en impliciete dreiging met repercussies voor hun familieleden ginds. Juist als gevolg van die intimidatie en de reële dreiging die daarvan uitgaat voor hen die de werking van het Marokkaanse staatsbestel van binnen uit kennen, durven velen hun ervaringen niet in het openbaar te vertellen en is een onderzoek waarbij de anonimiteit is gewaarborgd te meer noodzakelijk.

Tegen die achtergrond is ook het Nederlands Centrum voor Buitenlanders onlangs naar buiten getreden met beschuldigingen tegen de Unie van Marokkaanse Moslim-organisaties, de UMMON, die als een mantelorganisatie van Marokkaanse autoriteiten opereert en intimiderend optreedt jegens moskeebestuurders en andere Marokkanen in ons land. Het NCB achtte het te meer van belang die in de openbaarheid te brengen omdat op veel plaatsen door Nederlandse autoriteiten nauw met de UMMON wordt samengewerkt, zonder dat men veelal van deze activiteiten van de UMMON op de hoogte is.

De beschuldigingen van het NCB tegen de UMMON werden hier en daar bewust dan wel onbewust geplaatst in een machtsstrijd tussen organisaties of personen. Steeds werd de vraag opgeworpen waarom uitgerekend het NCB de UMMON-zaak naar boven heeft gehaald. Het antwoord op deze verklaringen en vragen is simpel maar wezenlijk: het NCB stelt zich statutair tot taak om “de rechten van de migranten veilig te stellen”. Daarbij gaat het zowel om materiële rechten (werk, huisvesting, rechtspositie, onderwijs) als om grondrechten (vrijheid van meningsuiting, vereniging, godsdienst).

Wanneer de Centrum Partij of de Centrum Democraten de maatschappelijke positie van migranten bedreigen dan aarzelt het NCB niet om alleen of samen met andere organisaties die politieke partijen voor de rechter te dagen. Voor de verdediging van de grondrechten van migranten op Nederlands grondgebied mag er geen verschil zijn tussen autochtone en allochtone organisaties. Iedereen heeft zich te onderwerpen aan de Nederlandse rechtsorde.

Daarom is het niet juist om van de UMMON-kwestie uitsluitend een Marokkaanse zaak te maken. In deze zaak zijn de Nederlandse grondrechten in het geding. Aan de orde is het feit dat de autoriteiten van een vreemde mogendheid - in casu Marokko - zich bedienen van een "zelforganisatie' - de UMMON - om andersdenkende Marokkaanse burgers van Nederland via intimidatie tot de orde te roepen. De Nederlandse rechter heeft geconcludeerd in het kort geding tussen de UMMON en het NCB op 16 april dat “in dit kort geding voldoende aannemelijk is gemaakt dat het NCB op goede ronden, niet lichtvaardig tot de gewraakte verwijten is gekomen”.

De conventie van Wenen staat het contact tussen de diplomatieke vertegenwoordiging van vreemde mogendheden met hun onderdanen niet in de weg. Het schenden van de Nederlandse grondrechten is echter ontoelaatbaar. Deze zaak verdient daarom de volle aandacht van de Nederlandse regering, in het belang van de Marokkanen in ons land en in het belang van de waarborging van onze eigen rechtsorde als een democratische rechtsstaat, voor allen die in ons land verblijven, zoals het eerste artikel van onze Grondwet dat vereist.