Europese industrie reageert gemengd op Tokio-akkoord

BRUSSEL, 8 JULI. Europese industriële organisaties hebben positief gereageerd op het akkoord voor het verlagen van invoertarieven voor industriële produkten dat aan de vooravond van de G-7 in Tokio door de VS, de EG, Japan en Canada is bereikt. Sommigen gaven echter aan dat op bepaalde gevoelige terreinen nog steeds duidelijke beslissingen moeten worden genomen.

UNICE (Unie van confederaties van de Europese industriële werkgevers) is volgens een woordvoerster “heel erg blij” met het akkoord. Ze zei dat het vooral een “psychologische duw in de rug” is voor de onderhandelingen in het kader van de GATT die voor het eind van het jaar afgerond moeten zijn. Als het "Tokio-akkoord' een duidelijk en positief signaal is aan de GATT-onderhandelaars in Genève, heeft dat de volledige steun van de UNICE.

Reinhard Quick, hoofd van de juridische afdeling van de Europese raad van chemische organisaties, zei dat de vier belangrijkste handelsblokken lijken te onderhandelen langs lijnen die de goedkeuring van de chemische industrieën kan wegdragen. Hij bracht in herinnering dat de internationale raad van chemische organisaties al in 1991 verlaging van afwijkende tariefpieken tot gemiddelde niveaus rond de 5,5 of 6 procent heeft bepleit.

Volgens Quick profiteren alle ontwikkelde landen van de tariefsverlaging, hetgeen de export zal bevorderen. De transatlantische handel zal bijvoorbeeld toenemen in beide richtingen. Europese producenten van verven en kleurstoffen kunnen voordeel behalen uit de daling in de Amerikaanse invoerheffingen die nu 15 tot 17 procent bedragen. De verlaging van de heffingen van de EG op koolwaterstoffen en plastics zal tot een grotere export van deze produkten uit de Verenigde Staten leiden.

Quick vindt dat de invoerheffingen op zeep, detergenten en parfums helemaal kunnen verdwijnen. Nu gelden voor deze produkten nog gemiddelde tarieven, hoofdzakelijk onder de 10 procent. Ook zou volgens hem de overeenkomst voor chemische produkten niet beperkt moeten blijven tot Europa, Amerika, Canada en Japan, maar uitgebreid moeten worden tot Zuidoost-Azië en Latijns-Amerika.

Algemeen directeur Camille Blum van de Europese lobby voor de textielindustrie Comitextil vindt de tekst van het Tokio-akkoord vaag omdat textiel niet speciaal wordt genoemd. Bovendien is weliswaar afgesproken dat de tarieven van 15 procent en hoger gehalveerd worden, maar is tevens vastgelegd dat “overeengekomen uitzonderingen” zijn toegestaan. Blum vreest dat de Amerikanen grote druk zullen uitoefenen de heffingen op een aantal textielprodukten onder die uitzonderingen te laten vallen. Van de Amerikaanse invoertarieven hoger dan 15 procent heeft namelijk 80 procent betrekking op de textiel- en kledingbranche. (REUTER)