De ware Plaza-denker kijkt omhoog

De term Plaza-denken werd voor het eerst gebruikt in het televisieprogramma "Glamourland' van Gert-Jan Dröge. En niet voor niets, want het Nederlandse plaza-gebeuren heeft alles te maken met glamour. In een oprisping van pseudo-mediterraan sentiment hebben de projectontwikkelaars onze steden verrijkt met marmeren bouwwerken die namen dragen als Sarphati Plaza, Museumplaza, Rokin Plaza en Magna Plaza. Het houdt niet op.

Langzamerhand wordt heel Nederland opgehoogd van platteland tot plazaland, en kent Amsterdam meer plaza's dan pleinen. Want elke prestigieuze bouwer schijnt te denken: plein of geen plein, het zal en moet een plaza zijn.

Een van de laatste staaltjes plazzisme is het Marcanti Plaza, en het is een interessant staaltje. Marcanti is namelijk niet, zoals zijn naamgenoten, in de familie Plaza opgenomen op grond van de architectonische status. Het is geen torenflat, opgetuigd met de onvermijdelijke arcaden, met getint glas, roze marmer en trappen van gezoet hardsteen, maar een wat lullig ogend marktgebouw, gelegen aan een drukke verkeersweg die nergens op een spoor van stijl te betrappen valt. Eigenlijk lijkt Marcanti in niets op een plaza. En dat is het ook niet. Het is een produkt van het plaza-denken.

Deze vorm van denken openbaarde zich rond 1990, maar komt voort uit het gedachtengoed van de jaren tachtig. Uit de bloeitijd van het yuppendom, de glorieuze periode van ongebreideld consumentisme, waarin iedereen die wilde meetellen zich groter maakte dan hij was en zijn grandezza ostentatief ten toon spreidde: een dure auto, eigenzinnige drankjes nuttigen in een grand café, Italiaanse merkkleding, en verchroomde design attributen.

Het plaza-denken komt voort uit de filosofie van de buitenkant. Het heeft de zwaarte van het gewichtloze, de kleur van rood pluche, en het houdt zich schuil in de hoofden van praalhanzen, dikdoeners en megalomanen.

Fraaie uitingen van het plaza-denken zijn aan te treffen bij gelegenheden als Jumping Amsterdam, het optreden van Luciano Pavarotti in sportpaleis Ahoy', op de VIP-tribunes van Ajax, Feyenoord en PSV, en naar het schijnt in luxe bordelen als Yab Yum. Het verraadt zich door "niveau kitsch', zoals de interieurontwerper van multimedia-paleis Marcanti Plaza het in een bui van milde zelfspot noemt: pure kitsch, maar van een hoog niveau.

Dat laatste woord is belangrijk voor het plaza-denken. De ware plaza-denker kijkt omhoog. Hij is geobsedeerd door de top van de sociale piramide en wil hogerop: contacten en relaties op niveau, daar gaat het om. En omdat je nu eenmaal geen relaties op niveau tegenkomt bij de Febo op de hoek, worden er palazzo's en operettetheaters nagebouwd in discotheken en markthallen die daardoor plotseling multimedia-paleizen gaan heten. Ruimtes met een hoog pluche-gehalte en met een kroonluchter-index die gelijke tred houdt met de Dow Jones.

Maar het spreekwoord zegt: als apen hoger klimmen willen, ziet men vaak hun blote billen. En als de interieurontwerper, die zichzelf liever een plateautje hoger tilt door zich "sfeerbouwer' te noemen, onthult hoe hij de Marcanti opdracht heeft gekregen, komt de aap van de plaza-denker in zijn volle glorie uit de mouw. De sfeerbouwer stond in een horecagelegenheid te genieten van de sfeer die hij zelf gebouwd had, toen iemand achter hem zei: “Die gozer die dit gedaan heb, heb er verstand van. Die moet maar eens met mij komen praten.” Dat kan niet missen. Het is onmiskenbaar de toon van iemand die de waarde weet te schatten van het nietige dat groot lijkt, en van het grote dat veel piepschuim bevat. Het is de toon van de platzer, de patser onder de plaza-denkers.

Platzers gaan nog steeds gekleed in dure double breasted kostuums waarvan het colbert wat krap om de spekkige rug zit en de bandplooibroek vormeloos om de platte billen hangt. Zij dragen grote zegelringen, een brede stropdas bedekt met opzichtige bloemmotieven, de stars and stripes of Mickey Mouse. Ze houden van gouden dasspelden, en van streepjesoverhemden met witte boord en manchetten. Niveautje, toch? Ze rijden in een duur type auto met leren bekleding, autotelefoon, airconditioning en een koelkastje. Brede banden, sportvelgen, dubbele uitlaat en getint glas. Maar niet zelden een Ajax-vaantje voor de ruit en een sticker op de bumper: “Mijn auto leeft: hij rookt, wipt en zuipt.”

Geintje.

Kortom: in de platzer leeft de geest van de jaren tachtig onverminderd voort. Hij tracht het begeerde plaza-niveau te bereiken door de ene plazzitude op de andere te stapelen, niet vermoedend dat hij op die manier weinig anders creëert dan een groteske uitvergroting van het klassieke Jordaaninterieur: zware fauteuils, sfeervol gedrapeerde gordijnen, een overdaad aan nutteloze tierlantijnen, en lichtbronnen versierd met namaak-kristal.

Misschien is het niet toevallig dat Marcanti zich op een steenworp afstand van de Jordaan bevindt, en dat het woord plaza zich slechts in een enkel letterteken onderscheidt van de status waartoe het plaza-denken de platzer onvermijdelijk zal brengen: platzak.