DE INSTRUMENTENMAKER; "Geduld is belangrijk. Met één foute manoeuvre kun je een week werk naar de knoppen helpen.'

In de witte toren naast het Rotterdamse Dijkzigt ziekenhuis is de medische faculteit van de Erasmusuniversiteit gehuisvest, en maatschappijwetenschappen. Hoog in het gebouw regeren andere disciplines. Op de negentiende verdieping snorren de draaibanken en snerpen de freesmachines. Boormachines staan er, een lintzaag, rekken vol met stalen, aluminium en messing profielen. Je kunt er vernikkelen, glasblazen, plaatwerken en lassen. Alles is schoon en opgeruimd.

"Je vraagt je wel eens af hoe ze het allemaal hier gekregen hebben', zegt Kees Pakvis (43). We staan in de instrumentmakerij, bij een enorme Weipert draaibank. Pakvis is een van de zeven instrumentmakers bij de Centrale Research Werkplaatsen, een dienst die voor de Erasmus Universiteit en het Academisch Ziekenhuis de apparatuur ontwikkelt die voor het onderzoek noodzakelijk is. Apparatuur die nog niet bestaat, en die Pakvis en zijn collega's speciaal voor dat ene onderzoek maken.

De procedure is eenvoudig: een onderzoeker die iets wil laten maken neemt de lift naar de negentiende verdieping en praat eens met een ontwerper en de coördinator van de werkplaats. Die haalt er een instrumentmaker bij en zodra er tijd is, gaat men aan de slag. Vaak is het karwei zo gecompliceerd dat er nóg een paar technici worden bijgehaald: een elektronicus, een glastechnicus of een plaatwerker.

Zo kwam ook het instrument tot stand dat Pakvis nu voltooid heeft: een spier-rekkertje. Daarvoor moeten we een paar verdiepingen lager zijn, bij de afdeling Urodynamica. Drs. Gommert van Koeveringe zit daar temidden van stapels meetapparatuur door een microscoop te turen. Hij kijkt naar een minuscuul stukje varkensblaas dat in een kommetje wordt vastgehouden. Het stukje is 1,5 mm lang, een fractie van een millimeter breed en het zit tussen twee pincetjes. Van Koeveringe bestudeert het effect van calcium op het samentrekken van blaasspieren. Eind van dit jaar moet zijn onderzoek met een proefschrift worden afgesloten, en zonder de hulp van het technische team was hem dat nooit gelukt.

Het apparaatje dat Pakvis maakte houdt het spierstripje in een druppel fysiologische zoutoplossing. De druppel wordt voortdurend ververst, want de spiertjes - ze komen uit het slachthuis - moeten zo lang mogelijk blijven leven. Een buisje van een halve millimeter doorsnee (Pakvis: "Dat is een afgezaagde injectienaald") voert steeds nieuwe oplossing aan, een ander buisje voert de oude vloeistof af en zo blijft de druppel in stand.

Het ene pincetje is verbonden met een krachtmetertje, aan het andere pincetje kan worden getrokken. Dat kan heel precies: met snelheden van 0,05 tot 5 mm per seconde. Pakvis gebruikte daarvoor een elektromotortje dat een asje met schroefdraad laat draaien. Het asje draait zich door een blokje delrin (een kunststof) heen, en beweegt zo in kleine stapjes heen en weer. Pakvis: "Eerst draaide het asje direct in het delrin. Maar dat ging net niet soepel genoeg. Het asje zette zich steeds met een schokje in beweging en dat verstoorde de meetresulaten. Uiteindelijk heb ik een bronzen bus met inwendige schroefdraad in het delrinblok geperst en daar liep het asje wel soepel in.'

En zo ging het bij veel meer dingen. Van Koeveringe: "Zo'n apparaat komt geleidelijk tot stand, in een voortdurende samenwerking met de instrumentmaker.' In de lift terug zegt Pakvis: "Het leuke van het vak is dat je samen met zo'n project bezig bent. Dat je het apparaat ziet groeien, totdat het uiteindelijk ook werkt.

"Met Gommert kan ik goed overweg. Hij heeft behoorlijk wat technisch inzicht en hij heeft zelf ook allerlei dingen bedacht.'

In het algemeen, zegt Pakvis, is hij tevreden over de waardering van de wetenschappers voor het instrumentmakerswerk. "We worden tegenwoordig ook wel bedankt in artikelen en proefschriften, we krijgen ook uitnodigingen voor de promoties.'

Die waardering houdt, vindt hij, geen gelijke tred met de beloning die hij van zijn werkgever ontvangt. Pakvis: "Ik zit in schaal 7. Dat komt neer op maximaal ƒ 4019 bruto en daar kom ik nooit bovenuit. Onze coördinator zit een schaal hoger. Dat is maximaal ƒ 4580. Als je bedenkt dat hij de hele automatisering hier heeft getrokken dan is dat natuurlijk ook belachelijk weinig. Als je erover klaagt zeggen ze altijd dat je opleiding niet hoog genoeg is.'

Pakvis ging na de lagere school naar de LTS. "Mijn vader vond dat ik een vak moest leren.' Hij bekwaamde zich in het fijnbankwerken.

Daarna bezocht hij drie jaar de bedrijfsschool instrumentmaken van Enraf Nonius en daarna nog vier jaar lang een avondschool, voor de finesses van het vak. In 1973 kwam hij in dienst van het Dijkzigt ziekenhuis.

In 1985 vertrok Pakvis naar Indonesië, voor een ontwikkelingsproject. Hij bleef er zes jaar. In Soerabaja zette hij een werkplaats op voor het plaatselijke ziekenhuis, en in Ujung Pandang deed hij hetzelfde. Bij zijn terugkomst ontdekte hij dat hij een flinke achterstand had opgelopen in het gebruik van de computer.

Hij laat een grote platte aluminium schaal zien, de holle vorm is er zojuist door een computergestuurde freesmachine uitgesneden. "Een bolle-blokken tray', licht Pakvis toe. "Op die schaal worden blokken wolfram gelegd, daarmee kun je een doorlaatpatroon voor röntgenstralen maken.' De flauwe uitholling in de schaal is een mooi staaltje computergestuurd freeswerk, maar voorlopig blijven er nog heel veel dingen die de computer niet kan. "Je hebt je instrumentmakerskennis nog steeds nodig. Je moet de volgorde van de bewerkingen aangeven, en je moet de gereedschapswisselingen inprogrammeren. Allemaal een kwestie van ervaring.'

Maar hoe groot die ervaring ook is, de echte instrumentmaker zal altijd ongehaast werken. "Geduld is de belangrijkste eigenschap. Je kunt met één verkeerde manoeuvre een week werk naar de knoppen helpen. Instrumentmakers zijn over het algemeen rustige types, geen opvliegende figuren.'