Borstvoeding verkleint risico op borstkanker bij jonge moeder

Een bericht in het British Medical Journal van 2 juli - borstvoeding geven beschermt een vrouw tegen borstkanker - lijkt haast te mooi om waar te zijn. Een vrouw die meer dan drie maanden borstvoeding geeft zou daardoor wel vijftien procent minder kans hebben op borstkanker. Dat effect zou zelfs bij ieder volgende baby opnieuw optreden.

Dit blijkt uit een onderzoek van de Britse Case-Control Study Group. Er is gekeken naar 755 vrouwen onder de 36 jaar die borstkanker hadden gekregen. Ze kwamen uit elf regio's in Groot-Brittannië. Deze groep vrouwen werd vergeleken met een identieke, even grote groep die geen borstkanker had gekregen. Onder andere werd hun gevraagd hoe ze hun baby's hadden gevoed. Het onderzoek is beperkt tot vrouwen onder de 36 jaar, omdat het oorspronkelijk bedoeld was om te kijken naar een verband tussen borstkanker en pilgebruik.

Borstvoeding onderdrukt de produktie van het vrouwelijk geslachtshormoon oestrogeen. Daarom zijn vrouwen die hun kind de borst geven verminderd vruchtbaar, waardoor dus een volgende zwangerschap uitgesteld wordt (lactatie-amenorroe). Deze verminderde produktie van oestrogeen zou tegelijk ook verklaren waarom borstvoeding de kans op borstkanker vermindert.

Oestrogeen stimuleert namelijk de groei van borstweefsel, wat waarschijnlijk tegelijk de kans op kwaadaardige ontaarding groter maakt. Onderzoek heeft aangetoond dat een langdurige inwerking van oestrogeen op het borstweefsel inderdaad de kans op borstkanker doet toenemen. Zo hebben vrouwen die al op jonge leeftijd geslachtsrijp zijn, pas laat hun eerste kind krijgen of pas laat in de menopauze komen een duidelijk hogere kans op borstkanker. Het is dus goed voorstelbaar dat de kans op borstkanker minder wordt bij het geven van borstvoeding. In dat geval zou je echter verwachten dat extra-lang borstvoeden - dus een heel langdurige lactatie-amenorroe - het risico op borstkanker nog verder terugbrengt. Maar dit konden de Britse onderzoekers juist niet aantonen.

Zoals gezegd, ging het bij dit onderzoek om vrouwen die jonger waren dan 36 jaar. Borstkanker bij jonge vrouwen is echter zeldzaam. Weliswaar is een groot deel van de vrouwen die wegens een knobbeltje in de borsdt worden opgenomen jonger dan 36 jaar, maar de kans dat dit een kwaadaardig gezwel blijkt te zijn is slechts 3%. Terwijl maar liefst 1 op de 12 vrouwen ooit borstkanker krijgt, lopen vrouwen onder de 36 jaar maar een kans van 1 op 500.

In hoeverre beschermt borstvoeding ook vrouwen boven de 36 jaar tegen borstkanker? Daarover doet de Britse groep echter geen uitspraak. Wel zijn er aanwijzingen dat borstkanker bij jonge vrouwen anders verloopt dan bij oudere vrouwen. Bij jongere vrouwen groeit de tumor vaak sneller, er treden eerder uitzaaiingen op en de kans om eraan te sterven is hoger (The Lancet 1993; 34: 1039-43).

Verder blijkt uit een onderzoek van Valerie Beral van het Cancer Epidemiology Research Fund uit Oxford (The Lancet 1993, 341: 1102) dat het wel wat uitmaakt voor het krijgen van borstkanker of een vrouw al dan niet kinderen heeft gehad, maar dat dit effect heel anders is bij jonge vrouwen dan bij oudere.

Beral gebruikte gegevens van het Britse doodsoorzakenregister uit 1938 tot 1960, dus van vóór het gebruik van de pil en andere hormonen. Als een vrouw kinderen gehad heeft, blijkt dat alleen bij de leeftijdsgroep van 45 jaar en ouder beschermend te werken. Op jongere leeftijd geldt juist het omgekeerde. Een jonge vrouw met kinderen heeft een hoger risico op borstkanker dan een vrouw zonder kinderen. Een samenhangend biologisch model om al deze verschillen te verklaren is er nog niet.

Moedermelk is eigenlijk een ideaal produkt. Het is goedkoop en gemakkelijk mee te nemen. Het beschermt de baby tegen het ontstaan van allergische reacties en het verhoogt diens weerstand tegen infecties.

Hoewel dit alles voldoende bekend is, geeft volgens de consultatiebureaus slechts 26% van de vrouwen in de derde maand na de bevalling haar kind nog de borst. Dat is al een verbetering vergeleken met begin jaren zeventig. Toen gaf nog slechts 11% van de vrouwen haar kind de borst in de derde maand. Maar vergeleken met 1953 zijn de getallen van nu erg klein. Toen gaf 42% van de moeders de borst en daarnaast combineerde 17% borst- met flesvoeding (T. Jeugdgezondheidszorg 1993; 25:44-5).

Misschien dat het pas ontdekte verband tussen borstvoeding en borstkanker aanstaande moeders een nieuwe impuls geeft om hun baby straks niet de fles maar de borst te geven. Het lijkt nu gezonder voor kind èn moeder.